Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:617

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
AWB-12_5089
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst tussen partijen is bindend, de uitleg van eiser verdraagt zich niet met de duidelijke tekst ervan. De vaststellingsovereenkomst was (onder meer) juist is gesloten ter voorkoming dan wel beëindiging van een geschil of onzekerheid ter zake van de fiscale behandeling van de geconstateerde onzakelijke transacties tussen eiser en de vennootschappen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-02-27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-0506
V-N Vandaag 2014/426
V-N 2014/18.15.7
mr. A.A. Feenstra annotatie in NTFR 2014/1265

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/5089

Uitspraakdatum: 4 februari 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.693 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 96.543. Hierbij is bij beschikking een bedrag van € 653 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 september 2012 de aanslag en de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. J. van Deursen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser is directeur en enig aandeelhouder van [A BEDRIJF] BV (hierna: [A BEDRIJF] BV) en [B BEDRIJF] BV (hierna: [B BEDRIJF] BV). Eiser heeft een schuld in rekening-courant aan beide vennootschappen.

2.2.

Bij vaststellingovereenkomst, door A. Daams namens verweerder ondertekend op 11 augustus 2009 en door eiser op 25 augustus 2009 (hierna: de vaststellingsovereenkomst), is verweerder het volgende overeengekomen met [A BEDRIJF] BV en [B BEDRIJF] BV:

“Belastingdienst/Particulieren/Ondernemingen Hilversum, vertegenwoordigd door A. Daams

(partij A)

enerzijds en

[A BEDRIJF] B.V. (LVN [A NUMMER]) en [B BEDRIJF] B.V. (LVN [B NUMMER]), gevestigd te [Z], vertegenwoordigd door de heer [X], in zijn hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van genoemde rechtspersonen.

(partij B)

anderzijds.

Aanleiding overeenkomst

Het verschil van mening over stellen van afkoop van het loonstamrecht in het jaar 2003, alsmede de tijdens het boekenonderzoek geconstateerde onzakelijke transacties tussen de genoemde vennootschappen en de heer [X].

Inhoud overeenkomst

Door de bovengenoemde partijen is op 31 juli 2009 het volgende - ter beëindiging of voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent datgene wat rechtens geldt - het volgende overeengekomen:

1 Pensioentoezegging

(…).

2 Onzakelijke transacties

(…).

3 Schuld aan [A BEDRIJF] BV

[X] heeft sinds 2002 een rekening-courantschuld aan [A BEDRIJF] BV. Er is geen leenovereenkomst en er is nooit rente berekend. Zou er wel een zakelijke rente zijn gehanteerd, dan zou de stand van de schuld op 31 december 2006 € 325.877 bedragen.

(…)

Totaal gederfde rente 65.261

Aangezien 2002 en 2003 niet navorderbare jaren zijn, zal partij A deze jaren buiten beschouwing

laten.

Op de gecorrigeerde balans van 2008 bedraagt de vordering daarom € 325.877 + 4.250+10.000 =

€ 340.127. Het niet in rekening brengen van rente aan de directeur-grootaandeelhouder kwalificeert zich als uitdeling van winst.

Partij A zal geen naheffingsaanslagen dividendbelasting opleggen, maar gaat akkoord met verrekening in rekening-courant. De aangiften vennootschapsbelasting worden als volgt gecorrigeerd.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [A BEDRIJF] BV zal de winst worden verhoogd met € 41.219.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2008 van [A BEDRIJF] BV zal de winst worden verhoogd met € 17.190.

Er dient op korte termijn een zakelijke leenovereenkomst te worden opgesteld tussen [A BEDRIJF] BV en [X]. Gezien de inkomens- en vermogenspositie van [X] is een lening van € 300.000 het maximum.

Partij A zal, indien de stand van de rekening-courant boven het bedrag van € 300.000 uitkomt, het meerdere aanmerken als uitdeling van winst. Dit houdt in dat er in 2009 een aflossingverplichting bestaat van € 40.127.

4 Schuld aan [B BEDRIJF] BV

[X] heeft sinds 2002 een rekening-courantschuld, naast de schuld voor de eigen woning ad € 58.907, aan [B BEDRIJF] BV. Er is geen leenovereenkomst en er is nooit rente berekend. Zou er wel een zakelijke rente zijn gehanteerd, dan zou de stand van uw schuld op 31 december 2008 € 83.545 bedragen.

(…)

Totaal gederfde rente 23.385

Aangezien 2002 en 2003 niet navorderbare jaren zijn, zal partij A deze jaren buiten beschouwing laten.

Op de gecorrigeerde balans van 2008 bedraagt de vordering daarom € 83.545.

Partij A zal geen naheffingsaanslagen dividendbelasting opleggen, maar gaat akkoord met verrekening in rekening-courant. De aangiften vennootschapsbelasting worden als volgt gecorrigeerd. Daarbij wordt rekening gehouden met het feit dat in de aangifte 2005 al € 3.376 en in de aangifte 2006 al € 3.860 is gecorrigeerd.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van [B BEDRIJF] BV zal de winst worden verhoogd met € 7.103.

In de aangifte vennootschapsbelasting 2008 van [B BEDRIJF] BV zal de winst worden verhoogd met € 4.634.

Er dient op korte een zakelijke leenovereenkomst te worden opgesteld tussen [B BEDRIJF] BV en [X]. Gezien inkomens- en vermogenspositie van [X] is een lening van € 75.000 het maximum.

Partij A zal, indien de stand van de rekening-courant boven het bedrag van € 75.000 uitkomt, het meerdere aanmerken als uitdeling van winst. Indien er op dat moment onvoldoende winstreserves binnen [B BEDRIJF] BV aanwezig zijn, zal Partij A overgaan tot belasten van het loonstamrecht. Dit houdt in dat er in 2009 een aflossingverplichting bestaat van € 8.545.

5 Zakelijkheid arbeidsbeloning

(…).

6 Stamrecht

(…)

7 Betalingsproblemen

(…).

Samenvatting

(…)

Partij B ziet af van haar recht op bezwaar en beroep met betrekking tot de bovengenoemde punten.

Ondertekening

Partijen voornoemd verklaren zich stelling en zonder voorbehoud akkoord met wat in deze overeenkomst is vastgelegd.

(…)”

2.3.

De rekening-courantstand (stand RC), het eigen vermogen en de winst van de vennootschappen vertonen het volgende verloop vanaf 2009 (bedragen in € en maal 1.000 en ultimo boekjaar):

[A BEDRIJF] BV

Jaar

Stand RC

Eigen vermogen

Winst

2009

386

67

166

2010

444

71

22

2011

476

114

48

[B BEDRIJF] BV

Jaar

Stand RC

Eigen vermogen

Winst

2009

86

30

21

2010

92

30

2

2011

93

28

-/-1

Ultimo 2009 bedraagt de rekening-courantschuld aan [A BEDRIJF] BV € 385.755 en aan [B BEDRIJF] BV € 85.780.

2.4.

Gelet op de vaststellingsovereenkomst en de hoogte van de rekening-courantschulden ultimo 2009 heeft verweerder bij het vaststellen van de aanslag (in afwijking van de aangifte) een bedrag aan winstuitdelingen in aanmerking genomen van in totaal € 96.543 (€ 85.755 ter zake van [A BEDRIJF] BV en € 10.788 ter zake van [B BEDRIJF] BV).

3 Geschil

In geschil is ten eerste de uitleg van de vaststellingsovereenkomst. Voorts is in geschil of, en zo ja, in hoeverre bij eiser een winstuitdeling in aanmerking dient te worden genomen.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar

4.1.

De aanslag is gedagtekend 10 mei 2012 en de bezwaartermijn liep af op 21 juni 2012. Het op 20 juni 2012 gedagtekende bezwaarschrift is door verweerder buiten de wettelijke bezwaartermijn van zes weken ontvangen op 9 juli 2012. Door onjuiste informatie op het aanslagbiljet is het bezwaarschrift verzonden aan het (voormalige) kantoor van de Belastingdienst te Hilversum, dat inmiddels was gesloten. De voor het voormalige kantoor te Hilversum bestemde post is door een fout van de Belastingdienst ook niet doorgezonden naar het nieuwe adres van de Belastingdienst. Eiser heeft ter zitting geloofwaardig verklaard dat hij het bezwaarschrift op 20 juni 2012, derhalve binnen de bezwaartermijn, ter post heeft bezorgd. Met verweerder acht de rechtbank aldus de termijnoverschrijding verschoonbaar, nu deze is te wijten aan de onjuiste informatieverstrekking op het aanslagbiljet en/of het vervolgens niet doorzenden naar het juiste adres. Het bezwaar is derhalve ontvankelijk.

Vaststellingsovereenkomst

4.2.

Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij de vaststellingsovereenkomst weliswaar namens [A BEDRIJF] BV en [B BEDRIJF] BV heeft ondertekend, maar zich ook in persoon volledig gebonden acht aan de vaststellingsovereenkomst en dat hij deze overeenkomst dan ook in zijn geheel wil nakomen, doch dat hiervoor een langere termijn nodig is, gelet op de in [A BEDRIJF] BV ultimo 2009 aanwezige winstreserves in verbinding met artikel 2:216 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Ter zake van [B BEDRIJF] BV heeft eiser ter zitting verklaard dat de winstreserves van die vennootschap voldoende zijn om de door verweerder in aanmerking genomen winstuitdeling te dekken, zodat het geschil slechts ziet op de door verweerder in aanmerking genomen winstuitdeling van [A BEDRIJF] BV.

4.3.

Nu tussen partijen niet in geschil is dat de vaststellingsovereenkomst ook ten aanzien van eiser heeft te gelden en eiser zich niet beroept op nietigheid of vernietigbaarheid daarvan, komt de vraag aan de orde hoe de vaststellingsovereenkomst moet worden uitgelegd. Indien partijen van mening verschillen over de uitleg van een vaststellingsovereenkomst kunnen zij hun geschil aan de belastingrechter voorleggen (vgl. HR 5 oktober 2012, nr. 10/05496, ECLI:NL:HR:2012:BT7448, BNB 2013/17).

4.4.

Verweerder heeft in dat kader aangevoerd dat bij de uitleg van de vaststellingsovereenkomst moet worden aangesloten bij wat fiscaalrechtelijk onder een winstuitdeling wordt verstaan. Daarvan is, overeenkomstig verweerder heeft gesteld, sprake indien en voor zover een uitdeling plaatsvindt uit winst of winstreserves dan wel in het vooruitzicht van te maken winst (vgl. HR 1 november 1989, nr. 25 777, ECLI:NL:HR:1989:ZC4135, BNB 1990/64).

Eiser staat kennelijk een uitleg van de vaststellingsovereenkomst voor die inhoudt dat een winstuitdeling slechts aan de orde kan zijn indien er voldoende winstreserves aanwezig zijn in de vennootschap, dus zonder rekening te houden met winstanticipatie.

De uitleg van eiser verdraagt zich niet met de duidelijke tekst van de vaststellingsovereenkomst, waarin een dergelijke voorwaarde niet is opgenomen. Deze uitleg is, naar ter zitting is komen vast te staan, tussen partijen ook niet aan de orde geweest tijdens de besprekingen voorafgaand aan het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst. Gelet voorts op het feit dat de vaststellingsovereenkomst (onder meer) juist is gesloten ter voorkoming dan wel beëindiging van een geschil of onzekerheid ter zake van de fiscale behandeling van de geconstateerde onzakelijke transacties tussen eiser en de vennootschappen, had eiser redelijkerwijs moeten begrijpen dat in de vaststellingsovereenkomst is bedoeld om aan te sluiten bij het fiscaalrechtelijke uitdelingscriterium. Daarbij is mede van belang dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij bedrijfseconoom is en behoorlijke kennis heeft van belastingzaken, zodat ook van eiser kan worden verwacht dat hij wist welke fiscale gevolgen de vaststellingsovereenkomst zou hebben. Eiser heeft voorts geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan hij redelijkerwijs kon verwachten dat slechts een winstuitdeling in aanmerking zou worden genomen indien en voor zover er winstreserves in de vennootschappen aanwezig zouden zijn.

4.5.

De rechtbank merkt nog op dat voor zover eiser stelt dat de inhoud of strekking van de vaststellingsovereenkomst (deels) in strijd is met artikel 2:216, tweede lid, van het BW, die stelling faalt. Artikel 2:216, tweede lid, van het BW, bepaalt:

“De vennootschap kan aan de aandeelhouders en andere gerechtigden tot de voor uitkering vatbare winst slechts uitkeringen doen voor zover het eigen vermogen groter is dan het gestorte en opgevraagde deel van het kapitaal vermeerderd met de reserves die krachtens de wet of de statuten moeten worden aangehouden.”

Nog afgezien van het feit dat voornoemde stelling, indien zij zou slagen, op grond van (overeenkomstige toepassing van) artikel 3:40, eerste lid, van het BW tot nietigheid van de vaststellingsovereenkomst zou leiden, hetgeen eiser uitdrukkelijk niet wenst, geldt het volgende. De vaststellingsovereenkomst strekt er slechts toe om voor fiscale doeleinden vast te stellen wat de gevolgen zijn van een aantal onzakelijke transacties tussen [A BEDRIJF] BV, [B BEDRIJF] BV en eiser, waaronder een door eiser aangehouden bovenmatige rekening-courantstand. Artikel 2:216, tweede lid van het BW is daarbij niet van belang. Ook kan, mede gelet op het voorgaande, niet worden gezegd dat de vaststellingsovereenkomst zozeer in strijd is met hetgeen de wet – over het geheel bezien – terzake bepaalt, dat partijen niet op nakoming daarvan mochten rekenen (vgl. HR 9 december 2005, nr. 41 117, ECLI:NL:HR:2005:AU7728, BNB 2006/201). Het gelijk is in zoverre derhalve aan verweerder.

Hoogte van de aanslag

4.6.

Verweerder concludeert in beroep tot gegrondverklaring, omdat er bij de berekening van de uitdeling een fout is gemaakt. Het gevolg is volgens verweerder dat de winstuitdeling € 8 lager moet zijn dan in de aanslag verwerkt. Het juiste bedrag dient te zijn:

Uitdeling [A BEDRIJF] BV: € 385.755 -/- maximum lening € 300.000 = € 85.755

Uitdeling [B BEDRIJF] BV: € 85.780 -/- maximum lening € 75.000 = € 10.780

Belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang € 96.535

De rechtbank ziet geen reden hier anders over te oordelen en zal de aanslag aldus verlagen. De beschikking heffingsrente dient dienovereenkomstig te worden aangepast.

Slotsom

4.7.

Gelet op het in 4.6 overwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu proceskosten zijn gesteld noch gebleken.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.693 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 96.535;

- vermindert dienovereenkomstig het in rekening gebrachte bedrag aan heffingsrente;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. S.K.A. Efstratiades, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

[B BEDRIJF]. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.