Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6043

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-07-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_3788 en 13_789
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bijtelling privégebruik auto wegens gebrekkige rittenadministratie. Het gebruik van via het KLPD en CJIB verkregen foto’s en gegevens is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM, nu deze verkrijging berust op een adequate wettelijke grondslag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1563
V-N Vandaag 2014/1403
V-N 2014/50.24.10

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/3788 en AWB 13/3789

Uitspraakdatum: 2 juli 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, Landelijk Coördinatiecentrum Auto, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2012 over het tijdvak 1 januari 2010 - 31 december 2010 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 4.344, alsmede bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 223 en een boete opgelegd ten bedrage van € 4.344.

1.1.2.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 31 december 2012 over het tijdvak 1 januari 2011 - 31 december 2011 een naheffingsaanslag loonheffingen opgelegd ten bedrage van € 3.744, alsmede bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht tot een bedrag van € 92 en een boete opgelegd ten bedrage van € 2.447.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd en de boetebeschikkingen vernietigd.

1.3.

Eiser heeft tegen voormelde uitspraken bij één geschrift beroep ingesteld.

1.4.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en voor beide zaken gezamenlijk één verweerschrift ingediend.

1.5.

De rechtbank heeft het beroep gesplitst en aan de zaak met betrekking tot het jaar 2010 het zaaknummer AWB 13/3788, en aan de zaak over het jaar 2011 het zaaknummer AWB 13/3789 toegekend.

1.6.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft voor beide zaken gezamenlijk plaatsgevonden op 17 april 2014. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn verschenen F.J. Gerritsen en drs. M.A. Tuk.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiser was in de periode 1 januari 2010 - 31 december 2011 in loondienst bij [A] B.V. (hierna: de werkgever). De werkgever heeft aan eiser in 2010 en 2011 achtereenvolgens de volgende auto’s ter beschikking gesteld:

- [B], kenteken [#1], periode 1 januari 2010 tot 1 april 2010;

- [C], kenteken [#2], periode 13 april 2010 tot en met 31 maart 2011;

- [C], kenteken [#3], periode 8 april 2011 tot en met 20 juli 2011;

- [D], kenteken [#4], periode 21 juli tot en met 31 december 2011.

2.2.

Ten aanzien van de aan eiser ter beschikking gestelde auto’s is voor de onderhavige jaren een “Verklaring geen privé gebruik auto” afgegeven. Voor de jaren 2010 en 2011 heeft geen forfaitaire bijtelling in de zin van artikel 13bis, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 (tekst voor het jaar 2010 en 2011; hierna: de Wet LB) plaatsgevonden.

2.3.

Eiser heeft op verzoek van verweerder voor beide jaren een rittenregistratie opgemaakt en ingediend bij verweerder op 24 oktober 2011. Na correspondentie over en weer heeft eiser op 10 juli 2012 en op 13 augustus 2012 verbeterde rittenregistraties bij verweerder ingediend. Alle ritten zijn hierin steeds als zakelijk aangemerkt.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of terecht naheffingsaanslagen loonheffingen 2010 en 2011 zijn opgelegd. In het geval de rechtbank van oordeel is dat de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd, zijn de bedragen van de naheffingsaanslagen niet in geschil.

3.2.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar, de naheffingsaanslagen en de beschikkingen heffingsrente. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.1.

Artikel 13bis van de Wet LB luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Indien ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld, wordt het voordeel op kalenderjaarbasis gesteld op ten minste:

a. 25% van de waarde van de auto indien de auto niet meer dan 15 jaar geleden voor het eerst in gebruik is genomen;

(…)

De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

(…)

4. Indien uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel gesteld op nihil.

(…)

7. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld waaraan een rittenregistratie moet voldoen. Tevens kunnen regels worden gesteld over het anderszins laten blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

(…)

12. Indien de werknemer een verklaring van de inspecteur overlegt waarin is vastgelegd dat de werknemer aan de inspecteur heeft medegedeelddat de hem ter beschikking gestelde auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt (verklaring geen privé-gebruik), laat de inhoudingsplichtige inhouding van belasting over het in het eerste lid bedoelde voordeel achterwege. (…)

(,,,)

15. In geval van een verklaring geen privé-gebruik kan de inspecteur de werknemer op enig moment verzoeken te doen blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

16. (…) indien de werknemer niet doet blijken dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden is gebruikt, wordt de verschuldigde belasting (…) nageheven van de werknemer.(…)”

4.1.2.

Artikel 21c van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 (tekst voor het jaar 2010, voor het jaar 2011 bepaalt artikel 3.13 van de Uitvoeringsregeling loonbelasting 2011 hetzelfde) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. De rittenregistratie bedoeld in artikel 13bis, vierde lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

a. merk, type en kenteken van de auto;

b. periode van terbeschikkingstelling van de auto;

c. per rit:

1° datum;

2° beginstand en eindstand van de kilometerteller;

3° beginadres en eindadres;

4° de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

5° het karakter van de rit.”

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat uit de wettelijke regeling volgt dat te dezen een verzwaarde bewijslast op eiser rust. Hij kan er niet mee volstaan aannemelijk te maken dat er niet voor meer dan 500 kilometer privé met de auto gereden is, maar hij dient dat overtuigend aan te tonen.

4.3.

Eiser heeft voor de beide jaren drie verschillende rittenregistraties overgelegd. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de laatste (derde) door hem overgelegde rittenadministratie de juiste is. De rittenadministratie is tijdens de ritten in klad opgemaakt en later in het net uitgewerkt. Hierbij is steeds de meest gebruikelijke route in de administratie opgenomen: in eerste instantie de kortste route en bij belemmeringen - zoals bijvoorbeeld een file - de snelste. De originele aantekeningen zijn niet naar verweerder gestuurd. In de administratie is niet vermeld wanneer en waarom bij een rit is omgereden, aldus nog steeds eiser.

4.4.1.

Het feit dat er drie verschillende rittenregistraties zijn overgelegd, maakt reeds dat getwijfeld kan worden aan de betrouwbaarheid van de wijze waarop eiser zijn kilometers heeft geregistreerd. De verklaring van eiser dat er bij het overtypen van de kladgegevens in eerste instantie tikfouten zijn gemaakt, waardoor fouten zijn ontstaan, is onvoldoende om die twijfel weg te nemen. Los daarvan schiet ook de laatst overgelegde rittenadministratie naar het oordeel van de rechtbank tekort. Zo heeft eiser voor ritten met eenzelfde begin- en eindpunt vaak verschillende kilometerafstanden in de administratie opgenomen. Ook heeft eiser naar aanleiding van twee signaleringen op de [A#] van de aan eiser ter beschikking gestelde auto op 24 juni 2011, de tweede rittenregistratie aangepast, waarbij hij twee ritten heeft toegevoegd. Daarbij zijn echter andere rittenafstanden aangepast (en op andere data gezet), waardoorhet totaal aantal met de auto met kenteken [#3] gereden kilometers (en de eindkilometerstand) gelijk is gebleven. Eiser heeft hiervoor geen afdoende verklaring gegeven.

Voorts heeft eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in de administratie geen aanvullende gegevens heeft opgenomen van ritten die niet volgens de meest gebruikelijke route zijn verlopen (omrijdkilometers), zoals bijvoorbeeld ten aanzien van de ritten op 19 maart 2010, 12 juni 2010, 12 september 2010 en 2 juli 2011. De door hem gegeven verklaring ter zitting omtrent op bepaalde dagen gereden omrijdkilometers, is onvoldoende om alle overige omrijdkilometers te verklaren.

4.4.2.

Verweerder heeft verder aangevoerd dat de aan eiser ter beschikking gestelde auto’s onder meer zijn gesignaleerd op camerabeelden van het Korps Landelijke Politiediensten (KLPD) op:

Datum Tijdstip Plaats Kenteken

7 juni 2010 18:52 Rijksweg [A##] [E] [#2]

27 maart 2011 13:10 Rijksweg [A#] [F]

Verweerder heeft ter zitting kopiën overgelegd van gegevens uit de administratie bij de Belastingdienst waarop de gegevens van de signaleringen zijn vermeld en waarop foto’s zijn afgebeeld met daarop het kenteken van de gesignaleerde auto.

4.4.3.

De door verweerder overgelegde signalering van 14 juni 2010 van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) laat de rechtbank bij het navolgende buiten beschouwing. Op het ter zitting door verweerder ter zake overgelegde stuk uit de administratie van de Belastingdienst, is namelijk niet vermeld om welk kenteken het gaat (dit is er alleen met de hand nadien bijgeschreven) en ook overigens is er geen informatie op vermeld die bevestigt dat het hier om een aan eiser ter beschikking gestelde auto gaat. Aldus is tegenover de gemotiveerde weerspreking van eiser onvoldoende aannemelijk geworden dat de aan eiser ter beschikking gestelde auto op 14 juni 2010 op de plaats van signalering reed.

4.4.4.

Ten aanzien van de signaleringen op 7 juni 2010 en 27 maart 2011 heeft eiser eveneens ontkend op de betreffende plaatsen en tijdstippen te zijn geweest. Ter zitting heeft eiser wel erkend dat de op de foto’s zichtbare kentekens, zoals afgebeeld bij die signaleringen, de hem destijds ter beschikking gestelde auto betreft. Eiser heeft voor deze signaleringen, gelet op zijn stelling dat hij niet op de betreffende plaatsen en tijdstippen is geweest, geen verklaring kunnen geven. Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de door verweerder ter zake overgelegde stukken voldoende aannemelijk geworden dat de aan eiser ter beschikking gestelde auto op de betreffende plaatsen en tijdstippen heeft gereden. Nu de bijbehorende ritten niet als zodanig in de rittenregistratie zijn opgenomen, voldoet de registratie ook in zoverre niet aan de daaraan te stellen eisen.

4.5.

Met betrekking tot hetgeen is overwogen in 4.4 geldt nog het volgende. Eiser heeft betoogd dat de signaleringen zoals genoemd onder 4.4.2 niet als bewijs mogen worden gebruikt in deze zaak, omdat het vastleggen, verwerken en bewaren van kentekengegevens door de Belastingdienst een ongeoorloofde inbreuk vormt op het recht op privacy zoals vervat in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser voert daartoe aan dat de inperking van het recht op privacy zoals hier aan de orde, niet wettelijk is verankerd.

Anders dan eiser mogelijk bij zijn betoog veronderstelt, zijn de camera’s waarmee de aan eiser ter beschikking gestelde auto is gefotografeerd eigendom van en in beheer bij het KLPD. De Belastingdienst ontvangt op grond van een convenant met de KLPD een kopie van de met die camera’s gemaakte foto’s ten behoeve van het toezicht op de naleving van wetgeving op het terrein van (onder meer) het privé-gebruik van de auto.

De wettelijke basis voor het verkrijgen van deze informatie door verweerder is neergelegd in artikel 55 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Op grond van deze bepaling is het KLPD desgevraagd verplicht tot het verstrekken van gegevens aan de inspecteur die door de inspecteur ter uitvoering van de belastingwet worden gevraagd. Deze bepaling vormt naar het oordeel van de rechtbank voldoende wettelijke basis voor het verstrekken aan en verwerken door de Belastingdienst van de onderhavige gegevens. Ter bescherming van de privacy zijn voorts waarborgen opgenomen in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP). Gesteld noch gebleken is dat de Belastingdienst persoonsgegevens zou verwerken of bewaren in strijd met deze wet. Van de door eiser gestelde inbreuk is derhalve geen sprake en er is dan ook geen reden om de in 4.4.2 vermelde gegevens buiten beschouwing te laten.

4.6.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat op basis van de door eiser overgelegde rittenadministraties geen betrouwbaar beeld kan worden verkregen van de werkelijke gegevens met betrekking tot de per rit afgelegde routes en afstanden en de bijbehorende kilometerstanden. Eiser heeft noch met de door hem overgelegde rittenadministratie, noch anderszins overtuigend aangetoond dat de aan hem ter beschikking gestelde auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Dit brengt mee dat verweerder over beide jaren terecht heeft nageheven in verband met het privégebruik van de aan eiser ter beschikking gestelde auto’s.

4.7.

Voor zover de beroepen mede zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente, heeft eiser die niet afzonderlijk onderbouwd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslagen geen doel treffen, ziet de rechtbank geen aanleiding tot vermindering van de beschikkingen heffingsrente.

4.8.

Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

4.9.

Eiser heeft op grond van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verzocht om schadevergoeding. Uitsluitend bij een gegrond beroep is op grond van artikel 8:73 van de Awb schadevergoeding mogelijk. Gelet hierop kan het verzoek van eiser om schadevergoeding niet worden toegewezen.

5 Proceskosten

Bij deze uitkomst van de gedingen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, voorzitter, mr. A.A. Fase en mr. G.H. de Soeten, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.