Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:6005

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
01-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_3798
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo. Afwijzing bruikleenauto ten behoeve van kind met ernstige beperkingen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/3798

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 juni 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

wettelijk vertegenwoordigd door[ouders] (ouders)

(gemachtigde: mr. K.B. Larooij),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om een bruikleenauto op grond van de Wmo afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 januari 2014.

Eiseres is vertegenwoordigd door haar wettelijke vertegenwoordigers, bijgestaan door gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.A. Willems.

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen zijn medisch adviseur een nadere toelichting te laten verstrekken.

Bij brief van 12 februari 2014 heeft verweerder nadere stukken, waaronder een rapportage van de medisch adviseur, in het geding gebracht.

Eiseres heeft bij brief van 27 februari 2014 gereageerd.

Verweerder heeft bij brief van 11 maart 2014 een nadere toelichting verstrekt.

Desgevraagd hebben partijen de rechtbank toestemming verleend voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten en uitspraak bepaald op heden.

Overwegingen

1.

Eiseres ([eiseres]), geboren [geboortedatum], heeft een mitochondriale aandoening met hersenatrofie. Er is sprake van ernstige psychomotore ontwikkelingsachterstand, van een ernstige vorm van therapieresistente epilepsie met frequente aanvallen, waarbij halfzijdige parese optreedt, een ernstige prikkelverwerkingsstoornis en gedragsstoornissen met automutilatie door ernstig hoofdbonken. Ze is volledig rolstoelgebonden, volledig adl-afhankelijk en heeft 24 uur per dag oppas/verzorging nodig. Zij heeft verzocht haar op grond van de Wmo een aangepaste bruikleenauto te verstrekken.

2.

Met het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet behoefde te worden gecompenseerd. De vaste commissie van advies voor de bezwaarschriften heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit onder verbetering van de motivering in stand te laten. De commissie heeft daartoe overwogen dat verweerder terecht heeft kunnen oordelen dat het solo rolstoeltaxivervoer een voorliggende, compenserende vervoersvoorziening is die geschikt is voor eiseres. In de beslissing op bezwaar heeft verweerder het advies van de commissie overgenomen en het bezwaar ongegrond verklaard, zonder eiseres solo rolstoeltaxivervoer toe te kennen.

3.

Eiseres voert aan dat het bestreden besluit onduidelijk is.

Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting toegelicht dat bedoeld is solovervoer voor eiseres toe te kennen, waarbij opgemerkt is dat dit solovervoer de mogelijkheid biedt om met het hele gezin gezamenlijk te reizen. Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat het bezwaar van eiseres ten onrechte ongegrond verklaard is. Het bezwaar van eiseres had gegrond verklaard moeten worden, waarbij het primaire besluit had moeten worden herroepen door aan eiseres solovervoer toe te kennen.

De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond van eiseres doel treft. Het bestreden besluit berustte immers niet op een juiste grondslag, waardoor het standpunt van verweerder niet eenduidig was. Hieruit volgt dat het bestreden besluit geen stand kan houden. De rechtbank zal bezien welk gevolg hieraan verbonden dient te worden.

4.

Verweerder heeft zijn besluit waar het de medische aspecten betreft gebaseerd op de rapportage van de medisch adviseur (verzekeringsarts[naam]) van 7 maart 2013 en (naar aanleiding van vragen van verweerder in bezwaar) de e-mails van 20 en 24 juni 2013. In de e-mail van 20 juni 2013 heeft de medisch adviseur opgemerkt dat ernstige epilepsie met kans op noodzaak tot verzorging tijdens het taxivervoer in de medische advisering als enige uitzondering gehanteerd wordt als argument voor het niet adequaat zijn van individueel (rolstoel)taxivervoer onder begeleiding. Na de zitting is door de medisch adviseur geantwoord op de vraag wat met deze zinsnede bedoeld werd. In de e-mail van 10 februari 2014 heeft de medisch adviseur op basis van de door verweerder en de vervoerder verstrekte informatie over het solo rolstoeltaxivervoer overwogen dat eiseres hiermee vervoerd kan worden, nu bij deze vervoersvorm de chauffeurs zijn ingespeeld op het herkennen van een epilepsieaanval en hoe daarbij te handelen. Verder is volgens de medisch adviseur aannemelijk dat in dit vervoer de ruimte is om eiseres zo nodig in een stabiele zijligging te leggen, omdat deze stabiele zijligging genoemd staat in de instructies van de chauffeurs.

5.

Eiseres heeft in haar reactie gesteld dat niet duidelijk is welke informatie door verweerder aan de medisch adviseur is verstrekt en voorts dat van de medisch adviseur verwacht mag worden dat niet wordt uitgegaan van aannames. Verder heeft eiseres de vraag opgeworpen welke informatie aan de medisch adviseur is verstrekt buiten de door verweerder in het geding gebrachte gegevens, nu uit de door verweerder overgelegde gegevens niet kan worden opgemaakt dat de chauffeurs bekend zijn met de handelwijze bij een epilepsieaanval.

Verweerder heeft in zijn reactie daarop gesteld dat geen andere informatie is verstrekt dan aan de rechtbank verstrekt is.

De rechtbank ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding meer te twijfelen aan de medische geschiktheid van het toegekende solo rolstoeltaxivervoer, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat uit de informatie van de vervoerder naar voren komt dat de chauffeurs cursussen krijgen, waarin onder meer epilepsie, zowel theorie als praktijk, aan de orde komt. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

6.

Verder voert eiseres aan dat de voorziening niet adequaat is omdat daarmee de sociale contacten met familie (o.a. grootouders) buiten de regio ([plaats] en [plaats]) niet kunnen worden onderhouden.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de compensatieplicht is voldaan door solo rolstoeltaxivervoer toe te kennen, waarbij het hele gezin mee mag reizen. Verweerder heeft er daarbij op gewezen dat hij in beginsel slechts verplicht is in de lokale vervoersbehoefte te voorzien. Bovenregionaal vervoer valt er dus buiten.

De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef, onder c, van de Wmo gehouden is tot het treffen van vervoersvoorzieningen om betrokkene in staat te stellen zich lokaal te verplaatsen. Het voorzien in bovenregionaal vervoer valt niet onder de op grond van de Wmo op verweerder rustende compensatieplicht (CRvB 30 november 2011, ECLI:NL:2011:BU6876). Voor het bovenregionale vervoer geldt het vervoerssysteem Valyss. Een ander bestuursorgaan (Argonaut advies B.V.) is verantwoordelijk voor het nemen van besluiten over de aanspraken daarop. Deze beroepsgrond treft daarom geen doel.

7.

Eiseres voert voorts aan dat verweerder toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule omdat sprake is van levensontwrichtende omstandigheden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het vervoer per solo rolstoeltaxivervoer niet tot levensontwrichtende omstandigheden leidt, en evenmin tot een sociaal isolement of dreigende vereenzaming van eiseres. Zij leeft immers in gezinsverband en gaat naar school.

De rechtbank overweegt dat de wens van eiseres een bruikleenauto verstrekt te krijgen begrijpelijk is, omdat haar belemmeringen met betrekking tot vervoer daarmee grotendeels kunnen worden opgeheven. Dat de belemmeringen van eiseres niet alleen voor haar maar voor het hele gezin een zware last vormen is tussen partijen niet in geschil en is ook voor de rechtbank helder. Daaruit volgt echter niet dat de door verweerder toegekende voorziening, het solo rolstoeltaxivervoer, zou leiden tot een levensontwrichtende situatie of tot dreigende vereenzaming van eiseres. Verweerder behoefde daarom geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat het besluit van 10 april 2013 wordt herroepen en aan eiseres solo rolstoeltaxivervoer (waarmee zij samen met de andere leden van het gezin kan reizen) wordt toegekend.

9.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke reactie met een waarde per punt van € 487,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit, bepaalt dat aan eiseres solo rolstoeltaxivervoer (waarmee zij samen met de andere leden van het gezin kan reizen wordt toegekend en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. van Dijk, voorzitter, mr. E.P.W. van de Ven en mr. A.T.B. de Vries, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

griffier wegens verhindering van de voorzitter ondertekening door mr. A.T.B. de Vries

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.