Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:595

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-01-2014
Datum publicatie
31-01-2014
Zaaknummer
AWB-12_1688
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verlaging van de rijksbijdrage met meer dan 50% is aan te merken als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb die zich tegen voortzetting van de loonkostensubsidies voor ID-banen verzet. De rechtbank volgt verweerder niet in de stelling dat plaatsing in het RDDF voor ID-medewerkers in verband met opheffing van de betrekking niet noodzakelijk zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de termijn van vier maanden en drie weken als redelijk als bedoeld in artikel 4:51 van de Awb moet worden beschouwd. Door verplichte plaatsing in het RDDF konden eiseressen de ID-medewerkers eerst per 1 augustus 2013 ontslaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:51, tweede lid, van de Awb de loonkostensubsidie voor het resterende deel van de termijn, dus tot 1 augustus 2013, aan eiseressen afzonderlijk dient te verlenen

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: ALK 12/1688 t/m ALK 12/1691

uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2014 in de zaken tussen

1.

Stichting [naam eiseres 1], te[vestigingsplaats],

2.

Stichting [naam eiseres 2], te[vestigingsplaats],

3.

Stichting [naam eiseres 3], te [vestigingsplaats],

4.

Stichting [naam eiseres 4], te[vestigingsplaats], eiseressen,

(gemachtigde: mr. S.M.M. Meijer),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: G.A.F. de Vroome).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 6 december 2011 (de primaire besluiten) heeft verweerder eiseressen meegedeeld dat met ingang van 1 mei 2012 geen loonkostensubsidie Wet werk en bijstand (loonkostensubsidie) meer wordt verstrekt voor medewerkers jonger dan 60 jaar met een zogenoemde In- en Doorstroombaan (ID-medewerkers).

Bij afzonderlijke besluiten van 30 mei 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseressen gegrond verklaard, de motivering van de primaire besluiten aangevuld en deze besluiten inhoudelijk gehandhaafd.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2013. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaak geregistreerd onder zaaknummer ALK 12/1687. Eiseressen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Voorts zijn verschenen namens eiseres 1

[naam 1], namens eiseres 3 [naam 3] en namens eiseres 4 [naam 4].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde G.A.F. de Vroome.

Na de zitting heeft de rechtbank de zaak met zaaknummer ALK 12/1687 weer gesplitst van de onderhavige zaken.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak verlengd.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij eiseressen werkten respectievelijk één, vijf, twee en één medewerker(s) op basis van een gesubsidieerde arbeidsplaats, hetgeen inhield dat eiseressen loonkostensubsidies ontvingen van de gemeente Den Helder voor het te werk stellen van deze medewerkers. Alle medewerkers waren ten tijde in geding jonger dan 60 jaar.

1.2.

In september 2011 heeft verweerder met eiseressen afzonderlijk een gesprek gevoerd waarin het voornemen is aangekondigd om de loonkostensubsidie voor de ID-banen per

1 januari 2012 te stoppen. Bij brief van 7 november 2011 is aangegeven dat nog geen definitief besluit is genomen over de beëindiging van de loonkostensubsidie en dat naar verwachting in november daarover en over de termijn waarop de maatregel ingaat

een besluit wordt genomen.

1.3.

In de primaire besluiten van 6 december 2011 heeft verweerder aan eiseressen meegedeeld dat de loonkostensubsidies voor de voormalige ID-banen per 1 mei 2012 worden beëindigd, behalve voor ID-medewerkers die per die datum de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt.

1.4.

In de bestreden besluiten heeft verweerder zijn besluiten tot beëindiging van de loonkostensubsidies per 1 mei 2012 gehandhaafd. Aan de bestreden besluiten ligt het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 12 april 2012 mede ten grondslag.

2.

De volgende wet- en regelgeving is met name van belang.

2.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, is het college verantwoordelijk voor het bepalen en aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

2.2.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid,

onderdeel a.

2.3.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, hebben personen die algemene bijstand ontvangen en niet-uitkeringsgerechtigden, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

2.4.

Op grond van artikel 78d, eerste lid, van de WWB geldt een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

2.5.

In artikel 13, eerste lid, van de Reintegratieverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Den Helder (de Verordening) is bepaald dat de loonkostensubsidie voormalige WIW- en ID-banen als doel heeft de belanghebbende, door middel van gesubsidieerd werk, een zodanige werkervaring op te laten doen dat het perspectief op regulier werk vergroot wordt.

2.6.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Verordening kan het college aan een werkgever een subsidie geven voor de loonkosten van een werknemer die op de peildatum 31 december 2003 een arbeidsovereenkomst had op grond van de Wet Inschakeling Werkzoekenden of het Besluit In- en Doorstroombanen.

Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt de subsidie alleen verstrekt als de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer van wie vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de doelgroep behoort.

2.7.

In artikel 24 van de Verordening is bepaald dat de subsidie persoonsgebonden is en de hoogte en duur van de subsidie jaarlijks door het college wordt vastgesteld.

2.8.

Op grond van artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt, indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderende omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voorzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met in achtneming van een redelijke termijn. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak geen redelijke termijn is verstreken.

3.1.

Eiseressen stellen dat verweerder niet heeft onderbouwd dat de rijksbijdrage waaruit de loonkostensubsidie wordt betaald met meer dan 50% is gedaald. Ook is niet gemotiveerd op grond van welke regeling de rijksbijdrage is gewijzigd. Eiseressen menen dat het gewijzigde rijksbeleid niet op hen kan worden afgewenteld nu zij altijd zeer loyaal met verweerder in het kader van de ID-banen hebben meegewerkt.

3.2.

Verweerder heeft in de beroepsfase de subsidieverleningbeschikkingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 oktober 2010 (voor het jaar 2011) en 30 september 2011 (voor het jaar 2012) overgelegd. In deze beschikkingen staat het budget dat de gemeente Den Helder van de Rijksoverheid ontvangt voor de uitvoering van de WWB, de Wet Participatiebudget en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Verweerder voert aan dat de gemeentelijke uitgaven in het kader van de re-integratie ten laste komen van de rijksbijdrage onder de titel van Participatiebudget, onderdeel SZW-bijdrage. Uit de beschikkingen kan worden afgeleid dat de SZW-bijdrage in 2012 ten opzichte van 2011 is gehalveerd, zodat voortzetting van de subsidiering van de ID-banen niet van hem kan worden gevergd.

3.3.

Niet in geschil is dat aan eiseressen voor drie of meer achtereenvolgende jaren loonkostensubsidies zijn verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd dat sprake is van een aanzienlijke verlaging van de rijksbijdrage waarmee de loonkosten van de ID-medewerkers worden gesubsidieerd. Voorts blijkt uit het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften dat verweerder heeft aangegeven dat de besteding van circa € 1.500.000 tot € 1.800.000 aan 70 tot 80 gesubsidieerde banen (waaronder de ID-banen) van het resterende budget voor re-integratiemaatregelen van

€ 3.200.000 onevenwichtig is omdat de doelgroep uit 1.500 tot 1.600 mensen bestaat. Gelet op het voorgaande is de verlaging van de rijksbijdrage met meer dan 50% aan te merken als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb die zich tegen voortzetting van de loonkostensubsidies voor ID-banen verzet. Dat eiseressen en de ID-werknemers belang hebben bij de voorzetting van de loonkostensubsidies doet daar niet aan af.

4.1.

Eiseressen stellen dat het besluit om de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar te beëindigen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Er bestaat volgens eiseressen geen gegronde objectieve reden om voor werknemers van 60 jaar en ouder een uitzondering te maken. Bij de ID-medewerkers die in dienst zijn bij eiseressen zijn de kansen op een reguliere dienstbetrekking even gering als de kansen van iemand van 60 jaar. Ook voor schoolbesturen leidt dit besluit tot ongelijke behandeling nu het een kwestie van toeval of pech is of zij medewerkers van 60 jaar of ouder in dienst hebben.

4.2.

Verweerder voert aan dat in de bij de Verordening behorende beleidsregels ook een leeftijdscriterium is opgenomen, inhoudende dat de loonkosten van de persoon die op

1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar of ouder heeft, volledig worden gesubsidieerd tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Dit houdt in dat per 1 mei 2012 de beëindiging van de loonkostensubsidies niet zou moeten gelden voor medewerkers van 62 jaar en 4 maanden of ouder. Verweerder heeft het opportuun gevonden om uit te gaan van een ondergrens van 60 jaar waardoor de uitzonderingssituatie feitelijk voor een groter aantal medewerkers geldt.

4.3.

De rechtbank gaat ervan uit dat eiseressen met hun stelling dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden heeft beoogd te stellen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden door de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar te beëindigen, terwijl de kansen op een reguliere dienstbetrekking van deze ID-medewerkers even gering zijn als de kansen voor ID-medewerkers van 60 jaar en ouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt dat de keuze om de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar wel en voor ID-medewerkers van 60 jaar en ouder niet te beëindigen is gebaseerd op het reeds bestaande beleid en daarom sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond voor het maken van dit onderscheid. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

5.1

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder bij de beëindiging een redelijke termijn in acht heeft genomen.

5.2.

Eiseressen stellen dat de termijn van vijf maanden die verweerder in acht heeft genomen gezien de CAO-verplichtingen waaraan eiseressen zijn gebonden geen redelijke termijn is. Conform hetgeen is bepaald in de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO) kan ontslag van de ID-medewerkers eerst geschieden nadat de medewerkers gedurende een geheel schooljaar in het Risicodragend deel van de formatie (RDDF) zijn geplaatst. Naar aanleiding van het besluit van 6 december 2011 hebben eiseressen de medewerkers eerst voor het schooljaar 2012/2013 in het RDDF kunnen plaatsen zodat pas in augustus 2013 ontslag mogelijk is. Van mei 2012 tot augustus 2013 worden eiseressen dus met loonkosten geconfronteerd waarvoor zij geen subsidie ontvangen.

5.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn tussen de bekendmaking van het besluit en de ingangsdatum van de subsidiebeëindiging, zijnde vier maanden en drie weken, redelijk is omdat eiseressen daarmee in de gelegenheid zijn gesteld hun verplichtingen uit de arbeidsrechtelijke verhoudingen te beëindigen. Op grond van de toepasselijke CAO geldt bij een dienstverband van 5 jaar en meer een opzeggingstermijn van 3 maanden. Eiseressen zijn niet verplicht de ID-medewerkers in een RDDF traject te plaatsen. Het RDDF-jaar beoogt een proces in werking te stellen waarin de betreffende werknemer alvast kan uitzien naar ander werk en de werkgever daarin bijdraagt. In casu gaat het om werknemers die- ondanks jarenlange inspanningen van de werkgevers - geen regulier werk hebben gevonden. Een extra RDDF-jaar dient daardoor geen redelijk doel meer, omdat niet te verwachten valt dat de werknemers in dat jaar met succes zullen doorstromen naar regulier werk, aldus verweerder.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de betrokken

ID-medewerkers onder de werking van de CAO vallen, aangezien zij over reguliere aanstellingen beschikken. Tussen partijen is wel in geschil of op de ID-medewerkers het bepaalde in bijlage III behorende bij artikel 2.8, onder punt 4, van de CAO van toepassing is. Daarin is bepaald dat ontslag in verband met opheffing van de betrekking niet eerder kan worden verleend dan nadat de functie en de daarin benoemde of aangestelde werknemer gedurende een geheel schooljaar is geplaatst in het RDDF. De rechtbank overweegt dat uit de CAO noch de genoemde bijlage blijkt dat de aard en duur van het dienstverband, het functioneren en/of de leeftijd van de belanghebbende voor de plaatsing van een functie in het RDDF van belang is. Plaatsing van de functie in het RDDF geschiedt, zoals blijkt uit de bijlage, indien van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd dat de functie in het licht van goede en doelmatige uitvoering van de te verrichten werkzaamheden, in de structurele formatie wordt opgenomen. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in de stelling dat plaatsing in het RDDF voor ID-medewerkers in verband met opheffing van de betrekking niet noodzakelijk zou zijn. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de termijn van vier maanden en drie weken als redelijk moet worden beschouwd.

5.5.

Dat eiseressen vanwege de gesprekken die verweerder met hen over het gewijzigde rijksbeleid heeft gevoerd er volgens verweerder vanaf september 2011 serieus rekening mee dienden te houden dat de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers op korte termijn zou worden beëindigd maakt dit niet anders. De rechtbank volgt eiseressen in hun standpunt dat zij ook op dat moment niet meer in de gelegenheid waren om de ID-medewerkers voor het schooljaar 2011/2012 in het RDDF te plaatsen, omdat het schooljaar al was begonnen. Uit de begripsbepalingen van de CAO volgt immers dat onder schooljaar wordt verstaan het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli. Voor eiseressen betekent dit dat zij de ID-medewerkers eerst per 1 augustus 2013 konden ontslaan.

5.6.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beëindiging van de subsidiëring als een zwaarwegende omstandigheid kan gelden op grond waarvan volgens artikel 2.8, tweede lid, van de CAO onmiddellijke plaatsing in het RDDF mogelijk is. Dit artikellid geeft slechts aan dat een functie bij zwaarwegende omstandigheden in het RDDF kan worden geplaatst als het bestuursformatieplan nog niet is vastgesteld en ziet niet op een plaatsing van een functie in het RDDF in de loop van het schooljaar.

6.

Ervan uitgaande dat de redelijke termijn ertoe dient de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen, dient de termijn naar het oordeel van de rechtbank door te lopen tot het eerste moment waarop de ID-medewerkers op basis van de toepasselijke regelgeving kunnen worden ontslagen. Bij de vaststelling van de redelijke termijn is niet van belang of de loonkosten voor de betrokken ID-medewerkers daadwerkelijk voor de gehele redelijke termijn voor rekening van de werkgever komen, omdat dit bij het moment van vaststelling nog niet duidelijk is.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:51, tweede lid, van de Awb de loonkostensubsidie voor het resterende deel van de termijn, dus tot 1 augustus 2013, aan eiseressen afzonderlijk dient te verlenen.

7.

De rechtbank komt gezien het voorgaande dan ook tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in rechte kunnen standhouden. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en de bestreden besluiten vernietigen. De rechtbank ziet gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6 is overwogen aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde besluiten.

8.

De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseressen in verband met de behandeling van hun beroepen redelijkerwijs hebben moeten maken. De zaken van eiseressen vallen aan te merken als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Bpb worden samenhangende zaken voor de vaststelling van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als één zaak beschouwd. Gelet op de Bijlage, behorend bij het Bpb, is vanwege de omstandigheid dat sprake is van vier samenhangende zaken een wegingsfactor van 1,5 van toepassing. Het gewicht wordt door de rechtbank op gemiddeld bepaald (wegingsfactor 1). Rekening houdend met deze wegingsfactoren, de verrichte proceshandelingen (het opstellen van beroepschriften en het verschijnen ter zitting in deze zaken door de gemachtigde), heeft de rechtbank de kosten voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1461, (3 x € 487), in gelijke delen te verdelen onder eiseressen.

De reiskosten van [naam 1], verschenen namens eiseres 1, [naam 3], verschenen namens eiseres 3 en [naam 4], verschenen namens eiseres 4, heeft de rechtbank berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse, en vastgesteld op

€ 15,00 per persoon (retour Den Helder – Alkmaar per trein).

De totale kosten voor eiseres 1 zijn derhalve € 380,25;

De totale kosten voor eiseres 2 zijn derhalve € 365,25;

De totale kosten voor eiseres 3 zijn derhalve € 380,25;

De totale kosten voor eiseres 4 zijn derhalve € 380,25.

De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder de door eiseressen betaalde griffierechten dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de bestreden besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres 1 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 380,25;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres 2 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 365,25;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres 3 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 380,25;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres 4 gemaakte proceskosten ten bedrage van € 380,25;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan elke eiseres het griffierecht van € 310,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en

mr. L.N. Nijhuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.