Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5864

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
25-06-2014
Zaaknummer
15/743180-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Zwaluw. Veroordeling voor medeplichtigheid aan mensenhandel en deelneming aan een criminele organisatie (mensenhandel); uitbuiting van Roemeense vrouwen die al dan niet onder valse voorwendselen naar Nederland worden gebracht om te werken in de prostitutie.

Beroep op niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie wegens onzorgvuldig vooronderzoek verworpen.

Verweren met betrekking tot betrouwbaarheid verklaringen aangeefsters en getuigen verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/743180-13

Uitspraakdatum: 28 april 2014

Tegenspraak (279 Sv)

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7, 9, 10 en 14 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Roemenië),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Visser en van wat de raadsman van verdachte, mr. W.A.P. Gerbrandij, advocaat te Amsterdam, naar voren heeft gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:

hij in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar en/of te Eindhoven en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te [plaatsnaam] (Roemenië),

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1]

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeidend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en/of

4) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het dreigen het kind van die [slachtoffer 1] iets aan te zullen doen, en/of

- het drogeren van die [slachtoffer 1], en/of

- het mishandelen van die [slachtoffer 1], en/of

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- het wegnemen van een door die [slachtoffer 1] naar Nederland meegebracht geldbedrag, en/of

- het voortdurend ruzie maken met die [slachtoffer 1], en/of

- het (voortdurend) onder controle houden van die [slachtoffer 1], en/of

- het beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1], en/of

- het (zo handelend) laten ontstaan en/of voortduren van een bedreigende en/of angstige en/of murw-makende situatie voor die [slachtoffer 1];

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 5] en/of één of meer ander(en) in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar en/of te Eindhoven en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te [plaatsnaam] (Roemenië),

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

[slachtoffer 1]

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeidend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft/hebben gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft/hebben ondernomen waarvan die [medeverdachte 5] en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft/hebben gedwongen of bewogen die [medeverdachte 5] en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en/of

4) opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld

of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het dreigen het kind van die [slachtoffer 1] iets aan te zullen doen, en/of

- het drogeren van die [slachtoffer 1], en/of

- het mishandelen van die [slachtoffer 1], en/of

- het dwingen, althans bewegen van die [slachtoffer 1] om (onvrijwillig) seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en/of te dulden, en/of

- het wegnemen van een door die [slachtoffer 1] naar Nederland meegebracht geldbedrag, en/of

- het voortdurend ruzie maken met die [slachtoffer 1], en/of

- het (voortdurend) onder controle houden van die [slachtoffer 1], en/of

- het beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1], en/of

- het (zo handelend) laten ontstaan en/of voortduren van een bedreigende en/of angstige en/of murw-makende situatie voor die [slachtoffer 1],

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- het (in opdracht van en/of in gezelschap van die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s)) begeleiden van die [slachtoffer 1] naar haar werkplek, en/of

- het (in opdracht van die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s)) in de gaten houden van die [slachtoffer 1] op haar werkplek en/of in de woning waarin die [slachtoffer 1] was ondergebracht door die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s), en/of

- het (in opdracht van die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s)) kopen van sigaretten voor die [slachtoffer 1] (teneinde die [slachtoffer 1] te beletten zich vrij te bewegen naar een winkel)

- het (in opdracht van en/of in gezelschap van die [medeverdachte 5] en/of diens mededader(s)) vervoeren naar en/of begeleiden van die [slachtoffer 1] naar de belastingdienst;

Feit 2 primair:

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 5 juli 2012 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, en/of te Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een ander, genaamd [slachtoffer 4], door

(telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeidend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4),en/of

3) heeft gedwongen of bewogen hem en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het (meermalen) mishandelen van die [slachtoffer 4] (onder andere) door die [slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of door die [slachtoffer 4] met een mes te prikken, en/of

- het bedreigen van die [slachtoffer 4] (onder andere) door die [slachtoffer 4] een vuurwapen tegen haar slaap en/of mond te zetten en/of door een mes tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te duwen en/of door (dreigend) tegen die [slachtoffer 4] te zeggen die [slachtoffer 4] te zullen laten stikken en/of op te zullen hangen aan een touw en/of het huis van de moeder en het zoontje van die [slachtoffer 4] in de brand te laten steken, en/of

- het verbieden van die [slachtoffer 4] om zich onder behandeling van een arts te laten stellen, en/of

- het dwingen, althans bewegen, van die [slachtoffer 4] om seksuele handelingen van/met verdachte en/of zijn mededader(s) te dulden, en/of

- het laten ontstaan en/of voortduren van een bedreigende en/of angstige situatie voor die [slachtoffer 4] (mede) door voornoemde mishandeling(en) en/of bedreiging(en) en/of door die [slachtoffer 4] (voortdurend) onder controle te houden;

Feit 2 subsidiair:

[medeverdachte 4] en/of één of meer ander(en) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 5 juli 2012 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, en/of te Hongarije, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een ander, genaamd [slachtoffer 4], door (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld of een andere feitelijkheid en/of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en/of door afpersing en/of door misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeidend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft/hebben geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en/of

2) heeft/hebben gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) dan wel enige handeling heeft ondernomen waarvan die [medeverdachte 4] en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en/of

3) heeft/hebben gedwongen of bewogen die [medeverdachte 4] en/of zijn mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en/of

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid en/of die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid heeft/hebben bestaan uit:

- het (meermalen) mishandelen van die [slachtoffer 4] (onder andere) door die [slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of door die [slachtoffer 4] met een mes te prikken, en/of

- het bedreigen van die [slachtoffer 4] (onder andere) door die [slachtoffer 4] een vuurwapen tegen haar slaap en/of mond te zetten en/of door een mes tegen het lichaam van die [slachtoffer 4] te duwen en/of door (dreigend) tegen die [slachtoffer 4] te zeggen die [slachtoffer 4] te zullen laten stikken en/of op te zullen hangen aan een touw en/of het huis van de moeder en het zoontje van die [slachtoffer 4] in de brand te laten steken, en/of

- het verbieden van die [slachtoffer 4] om zich onder behandeling van een arts te laten stellen, en/of

- het dwingen, althans bewegen, van die [slachtoffer 4] om seksuele handelingen van/met verdachte en/of zijn mededader(s) te dulden, en/of

- het laten ontstaan en/of voortduren van een bedreigende en/of angstige situatie voor die [slachtoffer 4] (mede) door voornoemde mishandeling(en) en/of bedreiging(en) en/of door die [slachtoffer 4] (voortdurend) onder controle te houden;

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 5 juli 2012 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- het (in opdracht van van die [medeverdachte 4] en/of diens mededader(s)) vervoeren en/of begeleiden van die [slachtoffer 4] naar haar werkplek, en/of

- het (in opdracht van die [medeverdachte 4] en/of diens mededader(s)) in de gaten houden van die [slachtoffer 4] op haar werkplek, en/of

- het (in opdracht van van die [medeverdachte 4] en/of diens mededader(s)) middels moneytransfers overmaken van één of meer geldbedrag(en), welk(e) geldbedrag(en) (mede) bestond(en) uit door die [slachtoffer 4] in de prostitutie

verdiend geld;

Feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 14 mei 2013 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland en/of te Roemenië en/of te Hongarije, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: mensenhandel in vereniging, als bedoeld in artikel 273f (lid 1 ahf sub 1 en/of sub 4 en/of sub 6 en/of sub 9) Wetboek van Strafrecht.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Overige voorvragen en beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman heeft op meerdere gronden betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging ter zake van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Dit betoog is uitvoerig uiteengezet op de eerste 25 pagina’s van de door mr. Petrescu in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] overgelegde pleitnota, waar de verdediging in onderhavige zaak zich ter gelegenheid van het pleidooi bij heeft aangesloten. Het niet-ontvankelijkheidsverweer is onderverdeeld in de volgende deelverweren:

- ontbrekende tapstukken en dossierstukken/onvolledig dossier (onderdeel E. in de pleitnota);

- afspraken met politie dan wel diensten door de politie (onderdeel F. in de pleitnota)

- onderlinge beïnvloeding door de aangeefsters (onderdeel G. in de pleitnota)

- frustreren van de controle op het opsporingsonderzoek/ondeugdelijke verhoren (onderdeel I. in de pleitnota)

- geen fair trial (onderdeel L. in de pleitnota)

Concluderend stelt de verdediging dat door deze onrechtmatigheden en vormfouten de strafprocedure ‘as a whole’ niet eerlijk is en derhalve tot niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moet leiden.

- Ontbrekende tapstukken en dossierstukken/onvolledig dossier (onderdeel E. in de pleitnota)

De verdediging heeft in dit kader gesteld dat een telefoongesprek van 27 maart 2013 tussen [slachtoffer 3] en [medeverdachte 1] niet zijn terug te vinden in het dossier waardoor niet te verifiëren is of het gesprek inderdaad gevoerd is op de wijze waarop [slachtoffer 3] heeft verklaard. Dit zou erop duiden dat er sprake is van een onvolledige dossier. De raadsvrouw van verdachte [medeverdachte 1] heeft tevens hiertoe een door haarzelf opgesteld handgeschreven overzicht overgelegd met daarop data en tijdstippen van telefoongesprekken tussen haar en [verdachte] en tussen mr. Popescu en [verdachte]. Dit betreffen geheimhoudergesprekken waarvan in het dossier geen bevelen tot vernietiging zijn aangetroffen terwijl deze gesprekken plaats vonden binnen de periode dat telefoons van verdachten werden afgeluisterd.

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt daartoe als volgt. Uit het dossier blijkt dat opsporingsambtenaren onder meer aan de hand van verklaringen van [slachtoffer 3] alsmede uit de analyse van verkregen historische verkeersgegevens van haar telefoonnummer het vermoeden hebben gekregen dat het [medeverdachte 1] was die als gebruiker van de genoemde telefoonnummers zou kunnen worden aangemerkt. Om die reden werden deze nummers afgeluisterd en kwam naar voren dat de gebruiker [bijnaam medeverdachte 1] werd genoemd, over wie [slachtoffer 3] verklaarde dat dit de bijnaam van [medeverdachte 1] betreft waarover zij verklaarde dat hij haar pooier was. Immers, als [slachtoffer 3] ter gelegenheid van een gesprek met de politie op 28 maart 2013 met mensenhandel rechercheur [rechercheur] vertelt over een nieuw nummer dat door [medeverdachte 1] wordt gebruikt, is dat aanleiding geweest voor de politie om ook dat nummer af te luisteren hetgeen sinds 29 maart 2013 is geschiedt. De rechtbank vermag niet in te zien waar de raadsvrouw op doelt in haar pleitnota waar zij spreekt over het gesprek van 27 maart 2013 dat zich niet in het dossier bevindt, nu vast staat dat pas vanaf 29 maart 2013 gesprekken gevoerd met dat betreffende nummer zijn opgenomen en afgeluisterd. De stelling van de verdediging dat door dit opsporingswerk verdachte [medeverdachte 1] in zijn verdediging zou zijn geschaad, kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen stand houden.

Dit geldt eveneens voor het ontbreken van bevelen tot vernietiging van geheimhoudergesprekken. Nergens is uit gebleken dat de genoemde gesprekken/tekstberichten voor de politie zichtbaar zijn geweest dan wel zijn opgenomen nu blijkens het methodiekenproces-verbaal (p. 1795 alsmede de matrix op p. 1798) de daadwerkelijk afgeluisterde telefoonlijnen staan weergegeven en daarnaast een proces-verbaal afhandeling geheimhoudergesprekken is opgemaakt naar aanleiding waarvan bevelen ex art. 126aa Sv zijn afgegeven. Ook dit verweer faalt in al zijn onderdelen.

- Afspraken met politie dan wel diensten door de politie (onderdeel F. in de pleitnota) en onderlinge beïnvloeding door de aangeefsters (onderdeel G. in de pleitnota)

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat sprake is van buitenwettelijk waarheidsvinding. Deze stelling wordt onderbouwd door te wijzen op delen van verklaringen van aangeefsters [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat zij expres contact is blijven houden met [medeverdachte 1] omdat ze ‘wist dat telefoons getapt zouden worden’ (p. 539) en ten overstaan van de rechter commissaris heeft zij aangegeven dat ze ‘akkoord is gegaan om te praten’. [slachtoffer 2] heeft aangegeven dat zij tegelijkertijd verklaringen gaf aan de politie en ‘het de bedoeling was dat zij niet zouden merken dat ze met de politie aan het praten was’ (p. 24 verklaring bij de rechter commissaris). De conclusie die de verdediging hieruit trekt is dat de officier van justitie heeft nagelaten te vermelden hoeveel gesprekken door [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn gevoerd, hetgeen aantoont dat deze twee aangeefsters informatie met elkaar hebben gewisseld en alles in scene hebben gezet dan wel het onderzoek hebben gestuurd in de richting die zij wilden.

De rechtbank volgt deze gedachtegang niet en overweegt als volgt. Aangeefsters in onderhavig onderzoek zijn bij de politie gehoord. Deze verhoren zijn zeer uitvoerig geweest onder meer met als doel de authenticiteit van de door de vermeende slachtoffers van mensenhandel afgelegde verklaringen te controleren en tevens om aanknopingspunten te vinden voor eventueel nader strafrechtelijk onderzoek. Aldus is geschied en deze verklaringen zijn in processen-verbaal terug te vinden in het dossier. Op verzoek van de verdediging in de zaak tegen verdachte en ook in de zaken tegen medeverdachten zijn de vrouwen die vermoed werden te zijn uitgebuit door de rechter-commissaris wederom zeer uitvoerig gehoord. Over de omstandigheid dat bovengenoemde aangeefsters meerdere gesprekken/contacten met de politie hebben gehad, hebben [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bij de rechter-commissaris nadere uitleg gegeven. Daaruit is naar het oordeel van de rechtbank niet meer af te leiden dan dat zij contacten hadden met de politie in de fase voordat verdachte en medeverdachten waren aangehouden en hun verhaal dient tegen die achtergrond gezien te worden aangezien het, naar de rechtbank begrijpt, niet de bedoeling was dat hun verklaringsbereidheid bekend werd bij verdachte en medeverdachten. In die context verklaart [slachtoffer 2] dan ook dat zij informatie heeft doorgegeven aan de politie omdat zij dat zelf wilde en niet omdat zij daartoe verplicht werd. Zo is zij bijvoorbeeld op een dag meegegaan met de politie om woningen aan te wijzen. Deze verklaringen vinden ook steun in de processen-verbaal waarin wordt gerelateerd over deze ambtsverrichtingen. De rechtbank ziet in deze gang van zaken geen aanleiding om deze verklaringen om de door de verdediging genoemde redenen integraal uit te sluiten van het bewijs. Daarbij geldt wederom dat geen vormverzuimen zijn vastgesteld en ook geen andere buiten het kader van artikel 359a Sv gelegen rechtsbeginselen zijn geschonden. De daartoe strekkende verweren worden dan ook verworpen.

- Frustreren van de controle op het opsporingsonderzoek/ondeugdelijke verhoren (onderdeel I.)

De verdediging heeft aangevoerd dat de dvd’s met opnames van de verhoren van aangeefsters in een zo laat stadium zijn verstrekt dat daardoor de verdediging de bevoegdheid (de rechtbank begrijpt: de mogelijkheid) is ontnomen om de officier van justitie tijdig te verzoeken opdracht te geven voor het uittypen van de verhoren in hun oorspronkelijke vorm. Achteraf is niet te controleren of de getuigen hebben gezegd wat in het dossier staat geverbaliseerd. Ter onderbouwing van dit standpunt wordt gesteld dat ten aanzien van het door de verdediging uitgeluisterde verhoor van [slachtoffer 2] op 16 april 2013 (p. 411-428) ‘bijna alle gegeven antwoorden geen antwoorden zijn die door [slachtoffer 2] zouden zijn gegeven zoals geverbaliseerd, maar gedeeltes betreffen van de door verbalisanten gestelde vragen, waarop [slachtoffer 2] enkel met een ‘ja’ antwoordt’. Dit zou volgens de verdediging een duidelijk bewijs zijn dat er naast het gepubliceerde onderzoek nog een ander geheim onderzoek loopt. Voorts wordt gerept over een bepaalde toon waarop iets wordt gezegd door de verbalisant tegen aangeefster [slachtoffer 3] op 31 mei 2013 (p. 531-534) en wordt op grond daarvan geconcludeerd dat [slachtoffer 3] door verbalisanten bang wordt gemaakt.

Daargelaten of op dit onderdeel nog gesproken kan worden van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt waarop een met reden omklede beslissing moet volgen is het de rechtbank volstrekt onduidelijk om welke reden deze verhoren gebrekkig tot stand zijn gekomen en om welke reden de totstandkoming van deze verklaringen door verzuim van vormen of in strijd met enig rechtsbeginsel tot niet ontvankelijkheid van het openbaar miniserie zouden moeten leiden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op verzoek van de verdediging vele getuigen/aangeefsters (soms meerdere malen en langdurig) zijn gehoord en dat in overwegende mate is tegemoetgekomen aan de vele onderzoekswensen van de verdediging. Daarbij komt dat naast de mogelijkheid die aan de verdediging is geboden om alle verhoren te komen uitluisteren op het politiebureau, uiteindelijk is besloten om de dvd’s met alle verhoren van aangeefsters zoals afgelegd bij de politie in hun volle omvang aan de verdediging te verstrekken. Aldus beschouwd heeft de verdediging naar het oordeel van de rechtbank ruimschoots de gelegenheid gehad de onderzoeksresultaten te toetsen. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat bij de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek door de politie dan wel overige betrokkenen (ontlastende) informatie is achtergehouden door (delen van) verklaringen of andere stukken bewust niet aan het dossier toe te voegen. Wat er ook zij van het gestelde handelen van het openbaar ministerie en het kabinet van de rechter-commissaris, de door de verdediging gestelde gang van zaken levert geen schending op in de zin van artikel 359a Sv. Ook op dit onderdeel verwerpt de rechtbank deze verweren.

- Geen fair trial (onderdeel L. in de pleitnota van mr. Petrescu)

Op meerdere momenten is door de verdediging in de zaak van [verdachte] verzocht om de essentiële stukken naar de Roemeense taal te vertalen. Verdachte heeft hier op grond van artikel 32a Sv recht op indien kennisneming is toegestaan en noodzakelijk wordt geacht voor zijn verdediging. Het gaat daarbij om alle verhoren van aangeefsters en medeverdachten. Slechts als verdachte deze verklaringen in de Roemeense taal tot zijn beschikking heeft is sprake van een evenwichtige situatie van hoor en wederhoor. Een verkorte weergave op zitting of door de tolk tijdens bezoeken van zijn advocaat voldoet niet. De verdediging stelt dat verdachte geen fair trial heeft gehad.

Het verzoek van verdachte heeft betrekking op een zeer groot aantal stukken, te weten alle processen verbaal van verhoren van aangeefsters en medeverdachten. Niet is gemotiveerd waarom een mondelinge vertaling door een tolk tijdens de voorbereiding van de verdediging of ter terechtzitting niet zou volstaan. Uit het oogpunt van een goede procesorde mag van de verdediging worden geëist, met name indien het een omvangrijk dossier betreft zoals het onderhavige, dat nauwkeurig wordt aangegeven van welke verklaring een vertaling noodzakelijk is en waarom vertolken hiervan niet volstaat. Aan het recht op bijstand van verdachte door een tolk als bedoeld in artikel 6 lid 3 van het EVRM is voldaan. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat in onderhavige strafprocedure in zijn geheel het aan de verdachte toekomende recht op vertolking en vertaling voldoende is gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer dat geen sprake is geweest van fair trial.

Op grond van het hiervoor overwogene verwerpt de rechtbank het door de verdediging gevoerde verweer en stelt derhalve vast dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten.

3.2. Standpunt van de verdediging

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. De raadsman heeft bepleit dat voor zover de door de verdediging (preliminair) aangevoerde verzuimen niet leiden tot de beoogde niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, bewijsuitsluiting dient te volgen van alle genoemde onderzoeksresultaten. Tevens dient bewijsuitsluiting te volgen op grond van het in onderdeel J. en K. aangevoerde in de pleitnota van mr. Petrescu waarbij de verdediging in het pleidooi uitdrukkelijk aansluit.

3.3. Bespreking van de bewijsuitsluitingsverweren

Nu de rechtbank van oordeel is dat van onherstelbare vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek noch van buiten het kader van artikel 359a Sv gelegen inbreuken of verzuimen is gebleken, komt sanctionering in de vorm van bewijsuitsluiting om die reden evenmin aan de orde. Voor wat betreft het aangevoerde op de onderdelen J. en K. overweegt de rechtbank als volgt.

- Tolken/ondeugdelijke verhoren (onderdeel J. in de pleitnota van mr. Petrescu)

De verdediging heeft aangevoerd dat in de zaak van verdachte in het onderzoek veelvuldig gebruik is gemaakt van personen die volgens het Register Beëdigde tolken en vertalers niet als tolken zijn beëdigd. De tolken bleken enkel te zijn beëdigd als vertaler. De verdediging concludeert tot uitsluiting van alle verklaringen (opgesomd op p. 20 en 21 van de pleitnota van mr. Petrescu) die ten overstaan van de politie zijn afgelegd middels een niet beëdigde tolk. Met betrekking tot de tapgesprekken en sms berichten gevoerd in de Roma taal wordt eveneens aangevoerd deze uit te sluiten van het bewijs nu in het Register Beëdigde tolken en vertalers niemand is vermeld voor deze taal.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Zowel de Wet beëdigde tolken en vertalers als de Wet bijstand van tolken en vertalers bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten hebben de strekking de kwaliteit en de integriteit van tolken en vertalers te waarborgen. Uitgangspunt is het gebruik van de in het Register ingeschreven personen waarbij de mogelijkheid is gegeven hiervan af te wijken indien deze niet (tijdig) beschikbaar zijn of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal geen ingeschrevene bevat. De conclusie die de verdediging trekt dat “het dossier barst van leugenachtige verklaringen” en dat om die reden alle verklaringen dienen te worden uitgesloten van het bewijs, zonder ook maar met enige precisie aan te geven op welke onderdelen die vertalingen tot misverstanden zouden hebben geleid, kan de rechtbank niet volgen. De rechtbank neemt in aanmerking dat gedurende het onderzoek niet is gebleken van problemen bij de vertolking door genoemde beëdigde vertalers. Ook indien zou komen vast te staan dat de tolken en vertalers niet als zodanig zijn beëdigd, brengt dat naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat deze vertolkte verklaringen reeds om die reden dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Hierbij wijst de rechtbank er nog op dat aan verdachten telkens bij aanvang van het verhoor is gevraagd of verdachte en de tolk elkaar goed verstaan hetgeen alle keren is bevestigd. Ook ten aanzien van de tapgesprekken in de Roma taal overweegt de rechtbank dat niet is gebleken van problemen bij de vertaling en kan hetgeen door de verdediging is aangevoerd niet leiden tot de conclusie dat deze vertalingen de vereiste kwaliteit en integriteit ontberen en om die reden van het bewijs dienen te worden uitgesloten.

- Niet verifieerbare stemherkenning (onderdeel K. in de pleitnota van mr. Petrescu)

Kort gezegd komt het betoog van de verdediging erop neer dat de betrouwbaarheid van de stemherkenningen zoals weergegeven op verschillende pagina’s in het dossier (onder verwijzing naar een 15 tal pagina’s) niet voldoende is komen vast te staan omdat nergens uit het dossier blijkt hoe de stemherkenningen hebben plaatsgevonden, hetgeen moet leiden tot bewijsuitsluiting van deze stemherkenningen.

De rechtbank overweegt als volgt. Vooropgesteld moet worden dat noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie valt af te leiden dat (resultaten van) stemherkenningen door tolken en verbalisanten in algemene zin niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt omdat ze daartoe niet zijn opgeleid. Het is een feit van algemene bekendheid dat iemand die een bepaalde stem vaker hoort, die stem op den duur gaat herkennen. Dat is een vaardigheid die niet per se verbonden is aan het zijn van tolk of verbalisant. Het is daarom niet verwonderlijk dat een tolk die vele gesprekken geconcentreerd afluistert, op enig moment de stem gaat herkennen van een persoon die hij vaker gehoord heeft. Dat de desbetreffende tolk of verbalisant de stem van de betrokkene niet in het echt heeft gehoord, hoeft er dan ook niet aan in de weg te staan dat hij met juistheid een gesprek toeschrijft aan de persoon wiens stem hij aldus heeft herkend en die in het onderzoek een bepaalde naam heeft gekregen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor een algehele uitsluiting van deze stemherkenningen van het bewijs. Dit neemt niet weg dat bij de waardering van de bewijskracht van deze stemherkenningen behoedzaamheid op zijn plaats is. In de jurisprudentie worden feiten en omstandigheden genoemd die aan de betrouwbaarheid van dergelijke stemherkenningen in zijn algemeenheid bijdragen. Van dergelijke feiten en omstandigheden is ook in het onderhavige geval sprake. Onder meer is de stem van [verdachte] herkend door de Roemeense tolk als vaste gebruiker van een bepaald telefoonnummer waarvan later door verdachte [verdachte] zelf is verklaard dat dat zijn nummer is (p. 3814). Ook wordt het aan medeverdachte [medeverdachte 1] toegeschreven telefoonnummer bij hem aangetroffen en heeft aangeefster [slachtoffer 3] verklaard dat dit het nummer betreft van [medeverdachte 1]. Kortom, de stemherkenningen worden ondersteund door overige bewijsmiddelen. Dit alles brengt mee dat de rechtbank het standpunt van de raadsman niet deelt. Op grond van hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de stemherkenningen in voldoende mate ondersteund worden door andere bewijsmiddelen en derhalve bruikbaar zijn voor het bewijs. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen.

3.4. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 primair
Met de raadsman van verdachte is de rechtbank van oordeel dat het onder feit 1 primair en feit 2 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank overweegt daartoe dat het verhandelde ter terechtzitting en het onderhavige strafdossier onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het aannemen van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten [medeverdachte 5] of [medeverdachte 4] bij het plegen van de mensenhandel van respectievelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4].

Verdachte dient derhalve van deze ten laste gelegde feiten vrijgesproken te worden.

3.5. Redengevende feiten en omstandigheden1

De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de doorlopende paginanummers van het dossier proces-verbaal onderzoek Zwaluw, tenzij anders is vermeld. De vermelding van een eigen naam ziet op de processen-verbaal van verhoor van die persoon als getuige, aangeefster of verdachte. De hierna te noemen geschriften als bedoeld in artikel 344, eerste lid onder 5˚ van het Wetboek van Strafvordering worden alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Namen en bijnamen in het onderzoek Zwaluw, voor zover relevant

Uit de diverse verklaringen volgt dat met “de zigeuner”, [bijnaam verdachte], [bijnaam verdachte], [bijnaam verdachte] en [bijnaam verdachte], verdachte [verdachte] wordt bedoeld. [medeverdachte 5] wordt ook wel [bijnaam medeverdachte 5], [bijnaam medeverdachte 5], [bijnaam medeverdachte 5] en [bijnaam medeverdachte 5] genoemd. Met [bijnaam slachtoffer 1] wordt [slachtoffer 1] bedoeld. [slachtoffer 4] wordt [bijnaam slachtoffer 4] genoemd. [medeverdachte 4] wordt [bijnaam medeverdachte 4] of [bijnaam medeverdachte 4] genoemd. Met [bijnaam medeverdachte 3] of [bijnaam medeverdachte 3] wordt [medeverdachte 3] bedoeld. [medeverdachte 7] wordt (kleine) [bijnaam medeverdachte 7] genoemd en [medeverdachte 1] wordt ook wel [bijnaam medeverdachte 1] genoemd.

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair:

Komst van [slachtoffer 1] naar Nederland

Medio april 2011 wil aangeefster (hierna: [slachtoffer 1]) in het buitenland gaan werken om € 4.500,00 te verdienen, om zo de koopleaseconstructie op haar appartement in Piatra Neamt, Roemenië, af te kunnen lossen. Zij wilde in Engeland, Duitsland of Nederland in de ouderenverzorging gaan werken, omdat ze in Roemenië een dergelijk bedrag niet in korte tijd zou kunnen verdienen. Daarbij kwam dat zij na het recente overlijden van haar moeder als oudste kind de verantwoordelijkheid had voor de zorg van haar vader en broer. Via de partner van de dochter van [getuige 1], een kennis van haar, komt ze door middel van Skype in contact met [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]) – die in Nederland verblijft – op het moment dat zij bij deze [getuige 1] thuis is.2 [medeverdachte 5] zegt dat hij met meerderen in een woning verblijft en dat er twee meisjes in de prostitutie werken en de rest gewoon werk heeft. [slachtoffer 1] geeft aan dat ze werkt zoekt in de ouderenverzorging3 en vraagt [medeverdachte 5] louter om een verblijfplaats.4 [medeverdachte 5] zegt dat hij met zijn vriendin op een kamer verblijft en dat [slachtoffer 1] in hetzelfde huis op een andere kamer kan verblijven.5 Dat zou haar 100 euro per week kosten.6 [medeverdachte 5] heeft naast dit gesprek met [slachtoffer 1] via Skype op 17 en 18 april 2011 meermalen telefonisch contact met de partner van [getuige 1]’s dochter,7 die een vlucht voor [slachtoffer 1] regelt van Hongarije naar Nederland. Dit ticket is op 18 april 2011 bij een reisbureau in Alkmaar geboekt en contant betaald.8 Op 19 april 2011 landt zij in Eindhoven.9 Daar wordt ze door [medeverdachte 5] opgehaald en naar een appartement gelegen aan [adres 1] in Amstelveen gebracht.10

Huisvesting/kennismaking met het werk/bedreigingen

Nadat [slachtoffer 1] heeft geslapen gaat zij ’s avonds met onder meer [medeverdachte 5] kijken naar de prostituees op de Wallen in Amsterdam.11 Terug in Amstelveen zegt [medeverdachte 5] tegen [slachtoffer 1]: “Heb je de meisjes gezien? Zij verdienen geld. Ik heb je hier naartoe gebracht en je kent mijn vrienden. Het is beter dat we samen zaken doen, dan verdienen we beiden veel geld, heeft iedereen het goed en blijven we vrienden. Ben je zo stom om niet te begrijpen waarom ik je hier naartoe heb gebracht?” [slachtoffer 1] geeft aan dat niet te willen. [medeverdachte 5] zegt tegen haar dat zijn plan is dat ze in de prostitutie gaat werken en zegt dat als ze haatdragend blijft en een grote mond blijft houden, hij er middels een telefoontje voor zal zorgen dat ze haar kind gaan halen. Hij zegt vervolgens dat hij seks met haar wil, wat ze - omdat [medeverdachte 5] heeft gedreigd haar kind iets aan te doen - toelaat.12

[slachtoffer 1] ging met alles akkoord toen [medeverdachte 5] eenmaal had gezegd dat hij iemand op haar kind af zou sturen. De volgende ochtend brengt verdachte aangeefster naar de woning aan de [adres 2] te Alkmaar.13 [medeverdachte 5] stuurt [slachtoffer 1] met [slachtoffer 4], een prostituee die ook bij hen op de [adres 2] woont, mee naar de Achterdam te Alkmaar om een werkkamer te regelen. Voordat ze richting de Achterdam gaan, dreigt hij wederom met haar zoon. [slachtoffer 1] wil niet het leven van haar kind riskeren. [medeverdachte 5] geeft 155 euro mee voor de kamerhuur en eenmaal daar geeft [slachtoffer 4] lingerie aan [slachtoffer 1] en uitleg over het werk. [slachtoffer 1] moest van [medeverdachte 5] kijken hoe dat werk zou gaan en hij vertelt dat ze tussen de € 500,00 en € 1.000,00 per dag kan verdienen. Aangeefster werkt die dag van 14:00 of 15:00 uur tot 2:00 of 3:00 uur. [medeverdachte 5] had tegen aangeefster gezegd dat hij samen met anderen de politie had omgekocht. Een van de mannen die in de woning aan de [adres 2] verbleef, [verdachte], staat de hele werkdag in de buurt van haar raam te kijken.14

Werktijden/controle/geld afdragen

Als ze thuis kwam na haar werk nam [medeverdachte 5] al haar verdiende geld af en bewaarde het. Soms kwam hij tijdens werktijden al langs om het op te halen en zei hij dat ze niets moest achterhouden, omdat hij het zou vinden. Hij zei dat ze het geld fifty-fifty zouden delen. Uiteindelijk heeft ze in totaal € 1.500,- van hem gekregen van al het door haar verdiende geld. Soms als hij tussendoor langskwam, sloot hij de gordijnen en doorzocht hij haar werkkamer naar geld en zei tegen haar dat mensen voor minder dan honderd euro vermoord worden. Als ze sliep, dan keek hij in haar tas. Hij wist waar ze op haar werkkamer het geld bewaarde, pakte het daar vandaan en ging dan weer weg. Als ze onder de 400 euro verdiende, zei hij dat ze maar moest gaan werken.15 [medeverdachte 5] zei [slachtoffer 1] dat hij iemand in Roemenië op haar kind zou afsturen zodra ze iets deed wat hem niet zinde. [slachtoffer 1] moest niet met hem spelen, anders zou haar kind gedood worden.16 Als ze de deur uitging, liep [medeverdachte 5] en/of de zigeuner (enkele meters) achter haar.17 Als ze niet te voet naar het werk ging, dan ging ze met de andere meisjes uit de woning met een taxi. Die meisjes kenden de taxichauffeurs en [slachtoffer 1] had de indruk dat de taxichauffeurs [medeverdachte 5] en de andere mannen uit de woning kenden en wisten wat deze mannen – en de vrouwen – deden.18 Toen ze de deur uit wilde om sigaretten te halen, stuurde [medeverdachte 5] de zigeuner om dat voor haar te doen.19 Bijna elke dag stond de zigeuner in de buurt van haar raam. Ook zei [slachtoffer 4] haar dat er meerdere pooiers rondliepen die langs konden komen. [medeverdachte 5] zei tegen [slachtoffer 1] dat ze met velen waren in zowel Nederland als Roemenië en dat hij alles wat ze zou doen, zou weten.20 Ze begon doorgaans rond 13:00 uur of eerder met werken, werkte tot 03:00 uur. Een enkele keer ging ze eerder weg, om 01:00 of 02:00 uur.21 De zigeuner moest in opdracht van [medeverdachte 5] [slachtoffer 1] tijdens het werk in de gaten houden. Dat deed hij door rond te lopen in de straat waar zij werkte.22

Aangifte [slachtoffer 1]

Op 3 mei 2011 vindt een controle plaats door de Belastingdienst op de Achterdam te Alkmaar. Naar aanleiding van deze controle komt aangeefster samen met twee collega-prostituees op 4 mei 2011, een dag later, op het kantoor van de Belastingdienst, omdat zij een burgerservicenummer moet aanvragen ten behoeve van haar werkzaamheden.23 Zij is afgezet door [verdachte] met de auto, een Volkswagen Golf, die op naam stond van [slachtoffer 5], die reeds bekend is als prostituee.24 Tijdens deze afspraak overhandigt zij een briefje waarin zij om hulp vraagt, omdat ze bedreigd is en in de problemen zit.25 Een dag later doet ze aangifte van mensenhandel.26 Vanaf haar komst naar Nederland op 19 april 2011 tot de dag van haar afspraak op het kantoor van de Belastingdienst op 4 mei 2011 heeft zij alle dagen gewerkt, veertien achter elkaar, zonder een dag vrij te hebben gehad.27

Getuigenverklaringen

Eén van de twee collega-prostituees van [slachtoffer 1] met wie zij op het kantoor van Belastingdienst verscheen op 3 mei 2011 en met wie zij in de woning aan de [adres 2] te Alkmaar woonde, [bijnaam slachtoffer 4] [slachtoffer 4], weet dat [slachtoffer 1] door [bijnaam medeverdachte 5] naar Nederland is gebracht en in de prostitutie werkte.28 Dit heeft [medeverdachte 4] haar ook verteld.29 Ze heeft aan de [adres 2] in Alkmaar verbleven en na de afspraak bij de Belastingdienst is zij niet meer teruggekomen. [bijnaam medeverdachte 5] is nog op zoek gegaan naar haar, maar heeft haar niet gevonden.30 Volgens haar werkte [slachtoffer 1] voor [medeverdachte 5].31 [medeverdachte 4] [medeverdachte 4], die ook op de [adres 2] te Alkmaar heeft verbleven, heeft verklaard dat, als hij het zich goed herinnert, [slachtoffer 1] met [bijnaam medeverdachte 5] kwam.32 [verdachte] denkt dat [bijnaam medeverdachte 5] de pooier van [slachtoffer 1] was; ‘hoe is zij anders in die woning gekomen? De mannen hadden geen werk en waren de hele dag thuis’. Hij’ weet wel dat hun vrouwen achter het raam werkten, dus waar denk je dan dat zij hun geld vandaan haalden? Ze zaten zelf de hele dag thuis’. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij in Alkmaar en Amstelveen heeft gewoond bij [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en hun meiden, die in de prostitutie werkten en dat hij de jongens kent omdat ze allemaal uit dezelfde stad in Roemenië komen en dat hij de meiden ook weleens vanuit Amsterdam naar hun werk in Alkmaar bracht en hielp met auto’s op hun naam zetten, alwaar hij een geldelijke beloning voor kreeg. Hij heeft diensten bewezen aan de mensen die de vrouwen achter het raam hadden en ook aan de vrouwen zelf, waaronder ook het uitvoeren van money transfers naar Roemenië.33 [verdachte] verricht met grote regelmaat moneytransfers (voornamelijk vanuit Alkmaar en Amsterdam naar [plaatsnaam] in Roemenië).34 Ook [getuige 3], die een relatie had met [medeverdachte 5], ook aan de [adres 2] in Alkmaar woonde met hem en in de prostitutie werkte, bevestigt dat ‘alle mannen nooit werkten’. Als ze vroeg hoe ze aan hun geld kwamen, kreeg ze vage antwoorden.35 [medeverdachte 5] heeft meerdere vrouwen naar Nederland gebracht, weet [slachtoffer 5], een prostituee die werkte voor zijn zwager, [bijnaam medeverdachte 3] [medeverdachte 3]. Hij woonde voornamelijk in Alkmaar, omdat de vrouwen die hij naar Nederland bracht zonder papieren gelijk in Alkmaar konden gaan werken. [medeverdachte 5] leende geld van [medeverdachte 3], omdat hij geld nodig had om de zaken te regelen die nodig zijn om de vrouwen voor hem te laten werken.36 [slachtoffer 3], die net als [slachtoffer 1] als prostituee op de Achterdam werkt en vaak in de woning aan de [adres 2] te Alkmaar is geweest, herkent [medeverdachte 5] ook. Hij is een echte pooier en de zwager van [bijnaam medeverdachte 3]. Hij heeft meerdere meisjes naar Nederland gebracht om hier voor hem te werken in de prostitutie.37 [slachtoffer 4], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 5] hebben zelf ook aangifte gedaan van hun eigen uitbuitingssituatie tegen respectievelijk [medeverdachte 4], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] (medeverdachten in onderzoek Zwaluw) en daarover aanvullende verklaringen afgelegd. Zij verklaren allemaal (onder meer) dat zij vanuit Roemenië naar Nederland zijn gekomen, aldaar door de mannen zijn gehuisvest en in de prostitutie werkzaam zijn geraakt. Aan alle drie is voorgehouden dat de helft van de inkomsten uit prostitutie voor hun zullen zijn. Echter het grootste deel van hun verdiende geld moesten zij afstaan aan hun respectieve pooiers/vriendje. Net als [slachtoffer 1] hebben [slachtoffer 4] en [slachtoffer 3] nog (jonge) kinderen in Roemenië.38

Met betrekking tot feit 2 subsidiair:

Aangeefster [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4]) leert tijdens haar werkzaamheden als broccoliplukker in het najaar van 2010 in Hongarije medeverdachte [medeverdachte 4] [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) kennen. Hij stelde haar voor om in de prostitutie in Nederland te gaan werken. Ze zou daar zo veel mee verdienen, dat ze het maar een paar maanden zou hoeven doen. [slachtoffer 4] heeft de middelbare school niet afgemaakt, omdat ze op haar zestiende zwanger werd. Wegens financiële problemen ziet [slachtoffer 4] haar zoontje weinig en kan hij niet bij haar wonen, nu de vader van haar zoontje en zij uit elkaar zijn en ze geen advocaat kan betalen om de voogdij te verkrijgen. Ze wordt verliefd op [medeverdachte 4], die een toekomst schetst waarin ze haar zoontje kan helpen en bij zich kan hebben. Omdat er in Hongarije in de winter geen werk te vinden is en omdat ze geen opleiding had afgemaakt, stemt ze in met [medeverdachte 4]s voorstel en in oktober 2010 vertrekt zij met hem naar Nederland.39

[medeverdachte 4] regelt de reis, het verblijf en een werkplek en past op haar geld, omdat dat volgens hem veiliger is. [slachtoffer 4] vertrouwt hem. Na aankomst in Nederland verblijven [medeverdachte 4] en [slachtoffer 4] in een flat met twee Roemeense jongens die vriendinnen hebben die ook in de prostitutie werken. De meisjes zeggen tegen [slachtoffer 4] dat ze in Alkmaar zal beginnen te werken en geven instructies met betrekking tot de werkzaamheden. Op 20 januari 2011 is haar eerste werkdag en de dikke Roemeense zigeuner brengt haar om drie uur ‘s middags naar haar werk in Alkmaar vanuit Amsterdam. Hij heet [bijnaam verdachte]. Om drie uur ’s nachts rijdt hij haar ook weer terug naar huis. Na haar werk moet [slachtoffer 4] haar verdiende geld aan [medeverdachte 4] geven, hij zegt dat het anders gestolen kan worden. [medeverdachte 4] betaalt de huur en boodschappen van het door haar verdiende geld. In Nederland heeft hij nooit gewerkt.40

[slachtoffer 4] was altijd verschrikt en angstig. [medeverdachte 4] heeft [slachtoffer 4], in het bijzijn van [slachtoffer 3] gestompt, schopte haar in haar buik en zei haar dat als ze niet met een bepaald bedrag thuis zou komen, hij haar van het balkon zou gooien. 41 Toen ze op 4 mei 2011 in Amsterdam woonde en in Alkmaar werkte, fungeerde [bijnaam verdachte] als haar chauffeur.42 Toen ze naar het kantoor van de Belastingdienst moest op 4 mei 2011 naar aanleiding van een controle één dag eerder, wordt zij daar samen met twee collega-prostituees van de Achterdam, afgezet door [verdachte].43 [bijnaam verdachte] behoort ook tot het groepje dat in Alkmaar rondjes liep om haar in de gaten te houden tijdens haar werk.44

[slachtoffer 4] heeft een jaar in Alkmaar gewerkt en werkte in dat jaar elke dag. Ze is in totaal drie weken vrij geweest dat jaar en is drie keer voor een paar dagen naar Hongarije teruggegaan. Ze werkte ook als ze ongesteld was, hoewel ze dat niet wilde. Ze was niet vrij om te gaan en staan waar ze wilde en kon alleen met [medeverdachte 4] ergens naartoe, maar dan louter waar hij heen wilde. Na het jaar werken in Alkmaar heeft ze met ingang van 9 januari 2012 een paar maanden in Utrecht gewerkt en op 28 juni 2012 heeft zij een intakegesprek om aangifte te doen van mensenhandel45. Haar aangifte volgt niet veel later.46 [medeverdachte 4] heeft [verdachte] verteld dat hij geld ophaalde bij [bijnaam slachtoffer 4]. Ook heeft [verdachte] gezien, toen hij beneden in de woonkamer sliep en [bijnaam slachtoffer 4] haar tas beneden had laten liggen, dat [medeverdachte 4] geld uit de tas van [bijnaam slachtoffer 4] pakte om wiet te kopen.47 De mannen, waaronder [medeverdachte 4], hadden geen werk en waren de hele dag thuis. [verdachte] weet dat hun vrouwen achter het raam werkten, en verklaart naar aanleiding daarvan: dus waar denk je dat zij hun geld vandaan haalden?48 Zelf heeft [verdachte] geen vrouwen achter het raam, maar hij heeft wel diensten bewezen aan die mensen die wel vrouwen achter het raam hadden en aan de vrouwen zelf.49 Hij verklaart dat hij [bijnaam slachtoffer 4] een keer naar haar werk heeft gebracht Ook herinnert hij zich dat hij voor [bijnaam slachtoffer 4] geld heeft overgemaakt naar [medeverdachte 4] in Hongarije.50

Met betrekking tot feit 3:

Nadat [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] begin augustus 2010 in contact zijn gekomen met [medeverdachte 6] en [medeverdachte 7], worden zij op 24 augustus 2010 door hen Nederland binnen gebracht.51

In november 2010 reizen vanuit Roemenië ook [slachtoffer 5] met [medeverdachte 3]52 en in het najaar van 2010 [slachtoffer 4] met [medeverdachte 4] Nederland binnen.53

Op 19 april 2011 komt [slachtoffer 1] vanuit Roemenië aan op de luchthaven in Eindhoven en wordt door [medeverdachte 5] opgehaald en naar Amstelveen gebracht.54

Al deze door de verschillende verdachten meegebrachte vrouwen zijn bewogen om naar Nederland te komen met het doel om hen te laten werken in de prostitutie.55 Zij worden door hun begeleiders naar diverse verblijfplekken gebracht waar ook hun (toekomstige) pooiers en begeleiders verblijven. [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 6] worden in eerste instantie gebracht naar het appartement van [medeverdachte 1] in Amsterdam, gelegen aan de [adres 3].56 Na een paar dagen verhuizen [slachtoffer 2], [slachtoffer 3], [medeverdachte 1] en [slachtoffer 6] naar het [adres 1] te Amstelveen.57

De eerste twee weken na haar aankomst in Nederland heeft [slachtoffer 4] ook aan het [adres 1] te Amstelveen verbleven.58 Zij verhuist later samen met [medeverdachte 4] naar de [adres 2] in Alkmaar.59

Na het vertrek van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 6] blijven [slachtoffer 3] en [medeverdachte 1] in het pand aan het [adres 1] achter en trekken [medeverdachte 3] en [slachtoffer 5] bij hen in.60

[slachtoffer 2], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 3] belanden via [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] in de prostitutie.61 [medeverdachte 6] vertrekt circa twee weken na aankomst in Nederland terug naar Roemenië.62

In november 2010 begint ook [slachtoffer 5] met haar werkzaamheden als prostituee in Alkmaar.63 Vanaf begin 2011 begint [slachtoffer 4] met haar prostitutiewerkzaamheden op de Achterdam in Alkmaar.64

Deze vrouwen, die werkzaam zijn in de prostitutie en (onder meer) al dan niet tijdelijk in bovengenoemde woningen wonen, zijn met uitzondering van [slachtoffer 4] in [plaatsnaam], Roemenië, benaderd om in Nederland in de prostitutie te gaan werken.65 De mannen, die de reis van de vrouwen naar Nederland regelen en hen hier huisvesten en opnemen, zijn met uitzondering van [medeverdachte 4] afkomstig uit Roemenië, en woonden voornamelijk in [plaatsnaam]. Zij zijn behulpzaam met het regelen van een werkplek voor de vrouwen. Vervolgens moeten de vrouwen het geld dat ze in de prostitutie hebben verdiend aan hen afstaan.66 De pooiers [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] instrueren de vrouwen met betrekking tot wat zij wel en niet tijdens controles van de belastingdienst en de politie mogen vertellen. Ze geven hen instructies en aanwijzingen over hun werkzaamheden, zoals welke tarieven zij moeten rekenen of laten dat over aan een meer ervaren prostituee die ook voor hen werkt.67 De vrouwen worden door de pooiers bewogen zoveel mogelijk geld te verdienen. Ze maken lange dagen en moeten het door hen verdiende geld voor het grootste deel afstaan. Ze moeten ook werken als ze ongesteld of ziek zijn, ook al willen ze dat niet. Zij worden ook op hun werk gecontroleerd door de pooiers.68 Binnen de groep worden de meisjes geadviseerd door zowel hun eigen pooier als andere pooiers om het door hen verdiende geld af te staan aan hun pooier.69 De pooiers en de mannen die zijdelings betrokken zijn bij de aanwerving en begeleiding van de prostituees maken deel uit van een vriendengroep.70 Maandelijks moeten alle pooiers voor ieder meisje dat voor hen werkt € 300,-- beschermgeld afdragen aan [medeverdachte 8] (“grote [bijnaam medeverdachte 8]”). Deze [medeverdachte 8] is ook afkomstig uit [plaatsnaam].71 [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn aan deze [medeverdachte 8] ondergeschikt.72

[verdachte] fungeert binnen de groep als chauffeur van de prostituees van en naar werk en als toezichthouder terwijl de vrouwen aan het werk zijn.73 De auto’s die de mannen kochten en waar de mannen in reden, waaronder [verdachte] zelf, werden met praktische hulp van [verdachte] op naam van een van de vrouwen gezet74. [verdachte] verricht, in ieder geval vanaf oktober 2010 tot en met april 2013, tevens met regelmaat moneytransfers (voornamelijk vanuit Alkmaar en Amsterdam naar [plaatsnaam] in Roemenië).75 Ook verricht hij binnen de groep andere diensten en klusjes voor de mannen tegen betaling.76 Hij verblijft af en toe in de woning aan de [adres 2] in Alkmaar, welke woning een eerste opvangadres in Nederland was voor de vrouwen en hun pooiers77, en in de woning aan het [adres 1]te Amstelveen.78 Na de aangifte van [slachtoffer 3] heeft [verdachte] haar nog benaderd en onder meer gevraagd waarom ze problemen heeft veroorzaakt voor [medeverdachte 1] door een verklaring af te leggen.79

Op 14 mei 2013 worden [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] aangehouden op verdenking van mensenhandel.80

3.6. Bewijsoverwegingen

3.6.1. Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair

Juridisch kader

Een bewezenverklaring van artikel 273f, lid 1 Sr kan onder meer volgen indien verdachte met aangeefster handelingen heeft verricht met het oogmerk van uitbuiting en door gebruik van de in dat artikel genoemde middelen. Tevens kan mensenhandel worden bewezen indien verdachte aangeefster door een (dwang)middel beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (lid 1 sub 4), haar dwingt/beweegt hem te bevoordelen uit de opbrengst van seksuele handelingen en indien verdachte opzettelijk voordeel trekt uit uitbuiting (lid 1 sub 6).

De memorie van antwoord bij het wetsontwerp waarbij artikel 250ter (oud), de voorloper van en geïncorporeerd in het huidige artikel 273f en toen nog (alleen) gericht op seksuele uitbuiting, werd ingevoerd, houdt onder meer het volgende in:

Het woord ‘uitbuitingssituatie’ (…) wordt in de memorie van toelichting gebruikt ter verduidelijking van het begrip ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ (…). In die memorie wordt gesteld dat van een zodanige uitbuitingssituatie sprake is indien de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. …Ten aanzien van meerderjarigen geldt dat vrijwilligheid ontbreekt, indien de prostitué(e) niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met de exploitant. Dit is niet anders indien de relatie aanvankelijk op vrijwillig basis werd aangegaan(…). (Kamerstukken, 1988-1989 21 027, nr. 5, blz. 3 en 7).

Van medeplichtigheid bij mensenhandel is sprake als iemand hulp verleent bij mensenhandel die door een ander wordt begaan. Volgens art. 48 Sr is voor strafbare medeplichtigheid opzet vereist. Dit opzet moet zijn gericht op de eigen hulpverlening en op de mensenhandel ten aanzien waarvan hulp wordt verleend. Wezenlijk bestanddeel van de diverse varianten van het delict mensenhandel is, dat sprake is van uitbuiting en/of het oogmerk van de pleger daarop is gericht.

3.6.2. Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

[slachtoffer 1] heeft [medeverdachte 5] leren kennen, omdat ze op zoek was naar werk buiten Roemenië, nu zij in korte tijd geld moest verdienen voor haar appartement in Piatra Neamt. Zij bevond zich derhalve ten tijde van hun ontmoeting in een financieel kwetsbare positie, waar [medeverdachte 5] misbruik van heeft gemaakt door haar onder valse voorwendselen, namelijk dat er ook werk buiten de prostitutie was, naar Nederland te laten komen waardoor in die zin ook sprake was van misleiding. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] na aankomst gehuisvest bij hem in huis, in een voor haar vreemd land waar zij niet bekend was noch de taal sprak, hetgeen haar positie (met name ten opzichte van hem) nog meer kwetsbaar maakte. Hij heeft respectievelijk gedreigd dat haar zoon iets zou overkomen en haar (aldus) gedwongen om onvrijwillige seksuele handelingen van en/of met hem te ondergaan en te dulden. [medeverdachte 5] heeft tevens [slachtoffer 1]s bewegingsvrijheid beperkt en haar onder controle gehouden door haar niet alleen naar buiten te laten gaan, maar haar te laten achtervolgen of onder begeleiding van anderen naar haar werk en de Belastingdienst te laten gaan, te voet dan wel per taxi of auto, onder meer door [verdachte]. Door voornoemde middelen en door zijn houding en de wijze waarop hij haar na haar aankomst in Nederland toesprak en behandelde, heeft hij voor haar een bedreigende, angstige en murw-makende situatie gecreëerd en laten voortduren. Onder die omstandigheden kan gezegd worden dat [slachtoffer 1] slechts in verminderde mate de mogelijkheid had een vrije keuze te maken met betrekking tot het al dan niet aangaan of voortzetten van haar (werk)relatie tot [medeverdachte 5], hetgeen ook kenbaar was voor [medeverdachte 5]. De wijze waarop [slachtoffer 1] heimelijk en angstig om hulp en bescherming heeft gevraagd bij de belastingdienst waar zij door [verdachte] heen was gebracht, draagt bij aan de overtuiging dat sprake was van dwang en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht en haar zwakke positie in een land waar zij de taal niet sprak, ver van haar familie en afhankelijk van haar gastheer.

Vanaf 18 april heeft [medeverdachte 5] [slachtoffer 1], na haar aankomst in Nederland opgehaald en naar Amstelveen vervoerd en aldaar huisvesting geboden in het huis waar hij woont. Tevens heeft hij een werkkamer voor haar laten regelen op de Achterdam in Alkmaar. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 1] gedwongen in de raamprostitutie te werken en het geld aan hem af te staan en zo hem te bevoordelen uit haar prostitutiewerk.

[medeverdachte 5] heeft bijna alle inkomsten van [slachtoffer 1] die zij met het prostitutiewerk verdiende, afgepakt en gehouden, onder het mom dat hij het geld voor haar bewaarde. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af, dat [medeverdachte 5] niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij die handelingen verrichte, maar [slachtoffer 1] daardoor ook daadwerkelijk heeft uitgebuit. [slachtoffer 1] kon immers niet, zoals een mondige Nederlandse prostituee, over haar eigen verdiensten beschikken. Daar komt bij dat hij haar dwong te werken in de prostitutie, terwijl zij dat niet wilde. Om dit mogelijk te maken, en om de opbrengst die hij uit haar werkzaamheden genoot te maximaliseren, beperkte hij haar bewegingsvrijheid door haar niet alleen naar buiten te laten gaan en liet hij haar tijdens haar werk controleren door, onder meer, [verdachte]. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 5] een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van [slachtoffer 1] ten behoeve van zijn financieel gewin en aldus heeft gehandeld met het oogmerk haar uit te buiten en dat ook daadwerkelijk heeft gedaan.

[medeverdachte 5] heeft uit de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster geldelijke winst bekomen. Hij heeft, door te dreigen haar zoon iets te laten overkomen, haar angstig en murw te maken en haar voor te houden dat hij het geld louter voor haar bewaarde, [slachtoffer 1] haar verdiensten laten afstaan en deze ook verschillende keren eigenhandig afgepakt. Hierdoor heeft zij niet over haar eigen geld kunnen beschikken. Mede gelet op hetgeen omtrent de uitbuiting van [slachtoffer 1] is overwogen, leidt dit tot de conclusie dat [medeverdachte 5] tevens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van [slachtoffer 1].

Medeplichtigheid

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verdachte willens en wetens hulp heeft verleend bij de mensenhandelfeiten die [medeverdachte 5] heeft begaan. Ten tijde van de uitbuiting van [slachtoffer 1] verbleef [verdachte] reeds in de woning waar [medeverdachte 5] [slachtoffer 1] onderbracht en zag hij dus de alledaagse situatie waarin zij leefden en waarin [slachtoffer 1] werkte. Hij wist blijkens zijn eigen verklaring van de situatie waarin ‘de mannen’ thuis zitten, en dat zij ‘vrouwen achter de ramen hebben’ en waar die vrouwen vandaan kwamen en dat [medeverdachte 5] opzettelijk voordeel trok uit het prostitutiewerk van [slachtoffer 1]. Tevens wist hij dat zij elke dag werkte gedurende lange tijden. [verdachte] heeft bijgedragen aan de mensenhandel van [slachtoffer 1] door in opdracht van [medeverdachte 5] sigaretten voor haar te halen, haar te chaufferen, begeleiden en achtervolgen van en naar haar werk en de Belastingdienst en haar gedurende haar werktijden te observeren. Door de diensten die [verdachte] voor [medeverdachte 5] verrichtte en waarvan gezegd kan worden dat hij daar gelet op zijn eigen verklaring en in het licht van de overige bewijsmiddelen min of meer voor was ingehuurd, kon [medeverdachte 5] [slachtoffer 1] daadwerkelijk controleren, onder controle houden en in haar bewegingsvrijheid beperken. Met gebruikmaking van deze middelen kon [medeverdachte 5] [slachtoffer 1] uitbuiten en daar voordeel uit trekken. [verdachte] heeft daar opzettelijk een bijdrage aan geleverd door voornoemde handelingen uit te voeren.

3.6.3. Ten aanzien van feit 2 subsidiair:

[slachtoffer 4] verkeerde in een financieel kwetsbare positie, nu zij geen voogdij over haar zoontje kon krijgen door een gebrek aan geld om onder meer de kosten van een advocaat te betalen en [medeverdachte 4] was daar bekend mee. Zij was onder die omstandigheden vatbaar voor het scenario dat [medeverdachte 4] haar schetste: de mogelijkheid van goedbetaald werk in het buitenland, slechts voor een paar maanden en genoeg om de problemen omtrent haar financiën en ontbreken van contact met haar zoontje op te lossen. Na aankomst in Nederland heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 4] gehuisvest, geïnstrueerd en een werkplek voor haar geregeld, wat haar kwetsbare positie en afhankelijkheid ten opzichte van hem deed toenemen. Toen [slachtoffer 4] uiteindelijk eind juni 2012 aangifte deed, waren [medeverdachte 4]s beloften allesbehalve uitgekomen: [slachtoffer 4] werkte in plaats van de voorgestelde paar maanden al ruim anderhalf jaar en heeft slechts een fractie van het door haar verdiende geld van [medeverdachte 4] gekregen. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat [medeverdachte 4], door haar een rooskleuriger beeld te schetsen dan de werkelijkheid, [slachtoffer 4] heeft misleid en misbruik heeft gemaakt van haar kwetsbare (financiële en emotionele) positie, om eenmaal in Nederland voordeel te kunnen trekken uit haar prostitutiewerkzaamheden. Zij heeft op geen moment, zoals een mondig prostituee in Nederland zou moeten kunnen, zelf over haar verdiensten beschikt. Bovendien mishandelde [medeverdachte 4] [slachtoffer 4] en dreigde hij haar van het balkon te gooien als ze te weinig verdiende. Om deze verdiensten zeker te stellen en te optimaliseren, liet hij [slachtoffer 4] lange dagen maken en lange periode aaneengesloten werken met bijna geen vrije dagen. Met hetzelfde doel, namelijk zijn verdiensten zeker stellen en optimaliseren, liet hij [verdachte] [slachtoffer 4] naar haar werk brengen en ophalen – teneinde haar werktijden voor haar te bepalen – en liet hij hem [slachtoffer 4] tijdens haar werk controleren. Hiermee heeft hij [slachtoffer 4] onder controle gehouden en een bedreigende en angstige situatie voor haar gecreëerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat [medeverdachte 4] de in de wet vermelde handelingen heeft verricht en middelen heeft gebruikt met het oogmerk om [slachtoffer 4] uit te buiten. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden tevens af, dat [medeverdachte 4] niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij die handelingen verrichte, maar hij ook daadwerkelijk [slachtoffer 4] heeft uitgebuit en daar voordeel uit heeft getrokken. Gelet op de hiervoor vastgestelde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] een ernstige inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid van [slachtoffer 4] ten behoeve van zijn financieel gewin.

Medeplichtigheid

De rechtbank is ten slotte van oordeel dat verdachte willens en wetens behulpzaam is geweest bij de misdrijven die [medeverdachte 4] heeft begaan. Ten tijde van de uitbuiting van [slachtoffer 4] verbleef [verdachte] in de woning waar [medeverdachte 4] en zij woonden. Hij wist blijkens zijn eigen verklaring van de situatie waarin ‘de mannen’ thuis zitten, en dat zij ‘vrouwen achter de ramen hebben’. Verder vertelde [medeverdachte 4] hem dat hij geld ophaalde bij [bijnaam slachtoffer 4], en dat [medeverdachte 4] voordeel trok uit het prostitutiewerk van [slachtoffer 4]. Tevens was verdachte op de hoogte van [slachtoffer 4]’ lange werktijden zonder vrije dagen, omdat hij haar naar haar werk bracht en weer ophaalde. [verdachte] heeft [medeverdachte 4] bij de uitbuiting van [slachtoffer 4] hulp verleend door [slachtoffer 4] van en naar haar werk en de Belastingdienst te brengen en te begeleiden en door [slachtoffer 4] gedurende haar werk in de gaten te houden. Mede door deze diensten voor [medeverdachte 4] te verrichten, heeft [medeverdachte 4] [slachtoffer 4] onder controle kunnen houden. Met gebruikmaking van deze controle kon [medeverdachte 4] [slachtoffer 4] uitbuiten en daar voordeel uit trekken.

3.6.4. Ten aanzien van feit 3:

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie is vereist dat de organisatie bestaat uit een samenwerkingsverband tussen de verdachte en tenminste één andere persoon en dat deze een zekere duurzaamheid heeft alsmede een structureel karakter kent. Voorts moet de organisatie als oogmerk hebben het plegen van misdrijven. Ook moeten de deelnemers het opzet hebben op deelname aan de organisatie.

Duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband

Uit voormelde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af. Een in Nederland verblijvende groep mannen, bestaande uit vrienden die elkaar oorspronkelijk kennen uit [plaatsnaam], Roemenië, werft in het thuisland vrouwen aan om in de prostitutie te gaan werken. [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] maken onder meer deel uit van deze groep en hebben ieder een van deze vrouwen (met als doel deze) voor hen in de prostitutie (te laten) werken. [medeverdachte 7], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3], hebben zich beziggehouden met het aanwerven van vrouwen in Roemenië en hebben ervoor gezorgd dat de vrouwen direct na aankomst in Nederland naar de genoemde adressen in Amsterdam, Amstelveen en Alkmaar worden gebracht. Daar worden ze gedurende enige tijd gehuisvest bij hun (beoogde) pooiers in huis en wordt een werkplek voor de vrouwen geregeld. Alle (beoogde) pooiers instrueren hun vrouw op overeenkomstige wijze wat zij wel en niet tijdens controles door de belastingdienst en de politie moet zeggen. Ook krijgen zij instructies over hun werkzaamheden, over de tarieven die ze daarvoor moeten rekenen en over hoe zij klanten in de Engelse taal te woord moeten staan. Aan het hoofd van de groep pooiers staat [medeverdachte 8], aan wie maandelijks een geldbedrag ad € 300,-- als beschermgeld wordt afgedragen. [verdachte] is de ‘klusjesman’ of ‘loopjongen’ in de groep, die voor de verschillende pooiers diensten verricht, al dan niet tegen betaling. Deze diensten bestaan onder meer uit het chauffeuren van de vrouwen van en naar hun werk of naar instanties als de Belastingdienst, het op verzoek verrichten van moneytransfers en het toezicht houden op de vrouwen terwijl ze werken. Deze groep is vanaf 1 augustus 2010 tot en met 14 mei 2013 in wisselende samenstelling actief bezig geweest met de mensenhandel van verschillende vrouwen. Op basis van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is (geweest) van een samenwerkingsverband tussen genoemde verdachten, dat van een duurzaam karakter en gestructureerd van aard was, op basis van een hiërarchische verhouding zoals hiervoor omschreven.

Oogmerk

Het aldus duurzame en gestructureerde samenwerkingsverband tussen onder meer de verdachten [medeverdachte 7], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte] had als oogmerk het plegen van mensenhandel in verschillende varianten. Hiermee diende zoveel mogelijk geld binnen te worden gehaald. Dit volgt uit al hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang beschouwd. Het samenwerkingsverband had geen ander doel dan het naar Nederland brengen van vrouwen om hen in de prostitutie te laten werken, het daadwerkelijk tewerkstellen van deze vrouwen in de prostitutie en het verrichten van werkzaamheden die daarmee verband hielden, zoals het vervoeren van de vrouwen van en naar hun werkplekken en het houden van toezicht en controle op deze vrouwen tijdens hun werk. Niet gebleken is dat bovengenoemde mannen andere structurele inkomstenbronnen hadden dan het geld dat de door hen aangeworven en tewerkgestelde prostituees verdienden.

Deelneming

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, ook die onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte in strafrechtelijk relevante zin heeft deelgenomen aan bovenstaande criminele organisatie. Het bewijs van het (dubbele) opzet van de verdachte, zowel op de deelname aan de organisatie, als op het algemeen oogmerk van deze organisatie, volgt uit de bewijsmiddelen en uit hetgeen hiervoor, onder ‘duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband’ over de rol en het handelen van de verdachte nader is overwogen.

Hetgeen de raadsman overigens nog naar voren heeft gebracht, vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen en/of wordt verworpen onder verwijzing naar hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het bewijs heeft overwogen.

3.7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 subsidiair:

[medeverdachte 5] omstreeks de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar en/of te Eindhoven en/of te Amsterdam en/of elders in Nederland, en/of te [plaatsnaam] (Roemenië), telkens tezamen en in vereniging met een ander, [slachtoffer 1] (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld of een andere feitelijkheid en door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid en door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en

3) heeft gedwongen hem te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9), en

4) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 1] (artikel 273 f lid 1 sub 6),

Waarbij die dwang en dat geweld of een andere feitelijkheid en die dreiging met geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:

- het dreigen het kind van die [slachtoffer 1] iets aan te zullen doen, en

- het dwingen van die [slachtoffer 1] om onvrijwillig seksuele handelingen van en/of met hem, verdachte, te ondergaan en te dulden, en

- het onder controle houden van die [slachtoffer 1], en

- het beperken van de bewegingsvrijheid van die [slachtoffer 1], en

- het zo handelend laten ontstaan en voortduren van een bedreigende en angstige en murw-makende situatie voor die [slachtoffer 1];

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in de periode van 18 april 2011 tot en met 4 mei 2011 te Alkmaar, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- het (in opdracht van en/of in gezelschap van die [medeverdachte 5]) begeleiden van die [slachtoffer 1] naar haar werkplek, en

- het (in opdracht van die [medeverdachte 5]) in de gaten houden van die [slachtoffer 1] op haar werkplek en/of in de woning waarin die [slachtoffer 1] was ondergebracht door die [medeverdachte 5], en

- het (in opdracht van die [medeverdachte 5]) kopen van sigaretten voor die [slachtoffer 1] (teneinde die [slachtoffer 1] te beletten zich vrij te bewegen naar een winkel), en

- het (in opdracht van die [medeverdachte 5]) vervoeren naar en/of begeleiden van die [slachtoffer 1] naar de belastingdienst;

Feit 2 subsidiair:

[medeverdachte 4] in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 5 juli 2012 te Alkmaar en/of te Amsterdam en/of te Utrecht en/of elders in Nederland, en/of te Hongarije, een ander, genaamd [slachtoffer 4], door (telkens) met één of meer van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273f Wetboek van Strafrecht genoemde middelen, te weten door dwang en geweld of een andere feitelijkheid en door misleiding en door misbruik van een kwetsbare positie,

1) heeft geworven en vervoerd en overgebracht en gehuisvest en opgenomen met het oogmerk van uitbuiting (artikel 273 f lid 1 sub 1), en

2) heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (van seksuele aard) (artikel 273 f lid 1 sub 4), en

3) heeft gedwongen die [medeverdachte 4] te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f lid 1 sub 9),

en

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer 4] (artikel 273 f lid 1 sub 6), waarbij dat geweld of een andere feitelijkheid hebben bestaan uit:

- het (meermalen) mishandelen van die [slachtoffer 4] (onder andere) door die [slachtoffer 4] te slaan en/of te stompen en

- het laten ontstaan en voortduren van een bedreigende en angstige situatie voor die [slachtoffer 4] (mede) door voornoemde mishandeling(en) en door die [slachtoffer 4] onder controle te houden;

bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 8 januari 2012 te Alkmaar en te Amsterdam opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- het (in opdracht van die [medeverdachte 4]) vervoeren en begeleiden van die [slachtoffer 4] naar haar werkplek, en

- het (in opdracht van die [medeverdachte 4]) in de gaten houden van die [slachtoffer 4] op haar werkplek;

Feit 3:

hij in of omstreeks de periode van 1 augustus 2010 tot en met 14 mei 2013 te Alkmaar en te Amsterdam en te Utrecht of elders in Nederland en te Roemenië en/of te Hongarije, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk: mensenhandel in vereniging, als bedoeld in artikel 273f (lid 1 ahf sub 1 en/of sub 4 en/of sub 6 en/of sub 9) Wetboek van Strafrecht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 subsidiair: medeplichtigheid aan mensenhandel;

Feit 2 subsidiair: medeplichtigheid aan mensenhandel;

Feit 3: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden met aftrek van het ondergane voorarrest. Tevens heeft de officier van justitie de gevangenneming van verdachte gevorderd.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze binnen georganiseerd verband schuldig gemaakt aan – kort gezegd – medeplichtigheid aan mensenhandel. Met het verrichten van ‘diensten’ als de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] brengen en/of begeleiden van en naar hun werkplek en de Belastingdienst en door hen in de gaten te houden op hun werkplek, heeft hij medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hulp verleend bij het medeplegen van mensenhandel van voornoemde slachtoffers. Door ook in georganiseerd verband als chauffeur en toezichthouder van/op de in de prostitutie werkzame slachtoffers te fungeren voor en in opdracht van de organisatie, heeft hij binnen een criminele organisatie een onmisbare rol vervuld in het beperken van de bewegingsvrijheid van de slachtoffers en het uitoefenen van controle over ze en daarmee ook een belangrijke bijdrage geleverd aan de uitvoering van het oogmerk van de organisatie: mensenhandel. Dit is een ernstig feit. Mensenhandel waarbij iemand in de prostitutie wordt gebracht is een vergaande en ontluisterende manier van uitbuiting, waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt wordt gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiters. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke feiten doorgaans nog lange tijd de psychische gevolgen hiervan ondervinden. Het is mede door de bijdrage van verdachte dat de slachtoffers dag in, dag uit uitgebuit konden worden en de leden van de organisatie met volledige miskenning van de lichamelijk en geestelijke integriteit van de slachtoffers zich ten koste van de slachtoffers konden verrijken. Onder meer uit de informatie die de raadsvrouw van slachtoffer [slachtoffer 1] ter terechtzitting van 9 april 2014 heeft gegeven, blijkt dat zij nog steeds ernstige psychische klachten ondervindt van hetgeen haar is overkomen. De rechtbank rekent dit verdachte ernstig aan.

Op grond van de aard en de ernst van het feit is de rechtbank van oordeel dat – uit een oogpunt van normhandhaving en preventie – alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt.

De rechtbank heeft acht geslagen op de straffen die in andere mensenhandelzaken zijn opgelegd. De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de omstandigheid dat de verdachte blijkens het hem betreffend uittreksel justitiële documentatie in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De rechtbank neemt ten nadele van verdachte voorts in aanmerking dat hij er op geen enkele wijze blijk van heeft gegeven de onjuistheid van zijn handelen in te zien. De rechtbank houdt voorts rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 8.900,00 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van de onder 1 ten laste gelegde feiten zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 april 2011 tot aan de dag der algehele voldoening. De gestelde materiële schade bestaat uit € 3.900,00 en de gestelde immateriële schade bestaat uit € 5.000,00.

De rechtbank is van oordeel dat, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, een verantwoorde behandeling en beoordeling van de vordering van de benadeelde partij betreffende de gestelde materiële en immateriële schade voor zover (en voor welk deel) deze rechtstreeks voortvloeit uit het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde feit, een zodanige onevenredige belasting voor het strafgeding oplevert, dat zij zich niet leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid Sv dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard met bepaling dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

48, 57, 63, 140 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1 primair en 2 primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder de feiten 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHTTIEN (18) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen

Beveelt de gevangenneming van verdachte, welk bevel afzonderlijk is geminuteerd.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.W. Groenendijk, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. E.J. van Keken, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers B.H.E. Zuidam en mr. A.M.A. Beckers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 april 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 201 tot en met 202.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 202 tot en met 204.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 205.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 202 tot en met 204.

6 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 205.

7 Het proces-verbaal van bevindingen contact vriend van “[getuige 1]” en [medeverdachte 5] d.d. 12 februari 2013, dossierpagina 837 tot en met 839, het proces-verbaal bevindingen telefoon [medeverdachte 5], d.d. 9 januari 2013, dossierpagina 841 tot en met 842 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 8 april 2014 (ter terechtzitting overlegd, losse dossierbijlage).

8 Proces-verbaal van bevindingen D-Reizen d.d. 17 november 2011, dossierpagina 815 tot en met 816.

9 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 199 tot en met 208.

10 Het proces-verbaal van bevindingen uitlezen locaties SIMkaart [slachtoffer 1], d.d. 21 november 2012, dossierpagina 832 tot en met 836, proces-verbaal van bevindingen ‘aanwijzen woning door aangeefster [slachtoffer 1]’ d.d. 12 juli 2011, dossier pagina 798-799 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

11 Het proces-verbaal van bevindingen uitlezen locaties SIMkaart [slachtoffer 1], d.d. 21 november 2012, dossierpagina 832 tot en met 836.

12 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 mei 2011, dossierpagina 209-212 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 231 tot en met 232.

13 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 30 november 2012, dossierpagina 641 en het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4], d.d. 4 februari 2014, dossierpagina 3585.

14 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 mei 2011, dossierpagina 213 tot en met 215.

15 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 228 tot en met 235.

16 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 11 februari 2013, dossierpagina 244.

17 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 213 en 218.

18 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 mei 2011, dossierpagina 213 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 225 en 229.

19 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 mei 2011, dossierpagina 218 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3817.

20 Het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 23 augustus 2011, dossierpagina 789 en 790 en het proces-verbaal van bevindingen, d.d. 24 mei 2011, dossierpagina 794 en 795.

21 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 224 tot en met 227.

22 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 februari 2013, dossierpagina 250.

23 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2011, dossierpagina 756 tot en met 759 en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 4 mei 2011, dossierpagina 194 tot en met 198.

24 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 februari 2013, dossierpagina 250 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2011, dossierpagina 757.

25 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2011, dossierpagina 756 tot en met 759 en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2011 inclusief bijlage, dossierpagina 763 tot en met 765.

26 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 5 mei 2011 dossierpagina 199 tot en met 208.

27 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 228.

28 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 30 november 2012, dossierpagina 641.

29 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] door de rechter-commissaris, d.d. 27 januari 2014, blad 3.

30 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 30 november 2012, dossierpagina 641.

31 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 11 december 2012, dossierpagina 682.

32 Het proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 4], d.d. 4 februari 2014, dossierpagina 3585.

33 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815 en 3817 en 6 oktober 2013, dossierpagina 3837-3844 en het proces-verbaal verhoor [verdachte] rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot inbewaringstelling d.d. 7 oktkober 2013 bij de rechter-commissaris..

34 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek naar geldtransacties middels Western Union door [verdachte], dossierpagina 3270-3272 met bijlagen

35 Het proces-verbaal van verhoor [getuige 3], d.d. 25 juni 2013, dossierpagina 321.

36 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 13 november 2013, dossierpagina 3466 en 3467.

37 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 515.

38 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 502 en 503, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 31 mei 2013, dossierpagina 533, het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 565 tot en met 571 en 576 en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5], d.d. 11 november 2013, dossierpagina 3435 tot en met 3439.

39 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 561 tot en met 569.

40 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 570 tot en met 576.

41 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 515.

42 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 12 december 2012, dossierpagina 687 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3817.

43 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 februari 2013, dossierpagina 250 in samenhang bezien met het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 14 februari 2013, dossierpagina 308, het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2], d.d. 4 mei 2011, dossierpagina 195 en 196 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815.

44 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] door de rechter-commissaris, d.d. 27 januari 2014, blad 6 en 7.

45 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juni 2012 intakeverslag van 28 juni 2012, dossierpagina 559

46 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 577 en 578.

47 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 6 oktober 2013, dossierpagina 3840.

48 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815.

49 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] bij inbewaringstelling door de rechter-commissaris d.d. 7 oktober 2013 (losse dossierbijlage).

50 het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815.

51 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2], d.d. 25 augustus 2011, dossierpagina 370, het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2011, inclusief kopieën van paspoorten, dossierpagina 856 tot en met 858, het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 502 tot en met 503 en het schriftelijk stuk, te weten de verklaring van [medeverdachte 6] bij de Roemeense autoriteiten d.d. 3 april 2012, dossierpagina 1273 tot en met 1277.

52 Het schriftelijk stuk, te weten een e-mail bericht d.d. 23 september 2013, dossierpagina 3431 tot en met 3432 en het proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3444.

53 Het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 569.

54 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 205 en het proces-verbaal van bevindingen uitlezen locaties SIMkaart [slachtoffer 1], d.d. 21 november 2012, dossierpagina 832 tot en met 836.

55 Het schriftelijk stuk, te weten een verklaring van [slachtoffer 6] d.d. 26 oktober 2010 bij het Openbaar Ministerie in Roemenië, dossierpagina 550 tot en met 552, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] d.d. 16 april 2013, dossierpagina 413, proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 502 tot en met 503, het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 206, het schriftelijk stuk, te weten een e-mailbericht van [slachtoffer 5] d.d. 23 september 2013, dossierpagina 3431en het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 569.

56 Het schriftelijk stuk, te weten een verklaring van [slachtoffer 6] d.d. 26 oktober 2010 bij het Openbaar Ministerie in Roemenië, dossierpagina 550 tot en met 552, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] d.d. 16 april 2013, dossierpagina 413, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2], d.d. 17 april 2013, dossierpagina 440 en het proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 15 mei 2013, dossierpagina 1142.

57 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 506.

58 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 4], d.d. 25 januari 2013, dossierpagina 722.

59 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 514.

60 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 506 en het schriftelijk stuk, te weten een e-mail bericht van [slachtoffer 5] d.d. 23 september 2013, dossierpagina 3432 en het proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3444.

61 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] d.d. 16 april 2013, dossierpagina 415, 419, 421 en het schriftelijk stuk, te weten een verklaring [slachtoffer 6] d.d. 26 oktober 2010 bij het Openbaar Ministerie in Roemenië, dossierpagina 549 tot en met 551.

62 Het schriftelijk stuk, te weten de verklaring van [medeverdachte 6] bij de Roemeense autoriteiten d.d. 3 april 2012, dossierpagina 1273 tot en met 1277 en het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2] d.d. 16 april 2013, dossierpagina 420.

63 Het proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3445 tot en met 3446.

64 Het proces-verbaal aangifte [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 580.

65 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2], d.d. 25 augustus 2011, dossierpagina 362, 365 en 368, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 18 maart 2013, dossierpagina 503, het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1], d.d. 5 mei 2011, dossierpagina 202 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 13 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3470.

66 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3446 tot en met 3447, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 228 en 229, het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 576, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 505, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2], d.d. 25 augustus 2011, dossierpagina 380 en 384 en het schriftelijk stuk, te weten een verklaring [slachtoffer 6] d.d. 26 oktober 2010 bij het Openbaar Ministerie in Roemenië, dossierpagina 551.

67 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 20 maart 2013, dossierpagina 502 en 503, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 514, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] d.d. 13 februari 2013, dossierpagina 277 en 280, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 4] d.d. 5 december 2012, dossierpagina 672 en 673, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 2], d.d. 16 april 2013, dossierpagina 414 en 415 en het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 5], d.d. 11 november 2013, dossierpagina 3435 en 3436.

68 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 228, het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 25 augustus 2011, dossierpagina 378, 380 en 384, proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 2], d.d. 16 april 2013, dossierpagina 415 en 425, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 513 en 514, het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 577 en 578 en het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2011, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3446, 3449 en 3450.

69 Het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 4] d.d. 5 december 2012, dossierpagina 671.

70 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 515 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 13 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3481 en 3482.

71 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 11 december 2012, dossierpagina 676 tot en met 677, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 12 december 2012, dossierpagina 690 tot en met 691, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 3], d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 516, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], d.d. 18 april 2013, dossierpagina 479, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3455 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 13 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3482.

72 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3455.

73 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 226 en 227, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2], d.d. 16 april 2013, dossierpagina 425 en 426, het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], d.d. 27 augustus 2012, dossierpagina 575 tot en met 576 en 594, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 30 november 2012, dossierpagina 640 en 642, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5] door de rechter-commissaris, d.d. 18 maart 2014, blad 10 en 11, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 1], d.d. 12 februari 2013, dossierpagina 250, het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3445 en 3446 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815 tot en met 3816.

74 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3817

75 Het proces-verbaal van bevindingen onderzoek naar geldtransacties middels Western Union door [verdachte], dossierpagina 3270-3272 met bijlagen

76 Het schriftelijk stuk, te weten een e-mail bericht in de Roemeense taal, inclusief Nederlandse vertaling, d.d. 23 september 2013, dossierpagina 3432 en het proces-verbaal van verhoor [verdachte], d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3815 tot en met 3816

77 Het proces-verbaal van verhoor [verdachte] d.d. 5 oktober 2013, dossierpagina 3817

78 Het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4], d.d. 29 november 2012, dossierpagina 627, het proces-verbaal verhoor [slachtoffer 1] d.d. 7 juli 2011, dossierpagina 225 en het proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 5], d.d. 12 november 2013, opgenomen in het A-dossier, dossierpagina 3444 tot en met 3445.

79 Het proces-verbaal van bevindingen [verdachte] aan de deur bij [slachtoffer 3] d.d. 3 februari 2014, dossierpagina 3855 en het proces-verbaal van bevindingen bedreiging [slachtoffer 3] d.d. 17 maart 2014, losse dossierbijlage.

80 Het proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 1], dossierpagina 1108 en het proces-verbaal aanhouding [medeverdachte 3], dossierpagina 1312.