Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5591

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
18-06-2014
Zaaknummer
15/703012-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag en meerdere bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Verweer psychische overmacht is verworpen. Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar, alsmede TBS met voorwaarden (dadelijk uitvoerbaar).

Verdachte heeft zijn bovenbuurvrouw diverse malen met een mes gestoken en levensgevaarlijk verwond. Verdachte bevond zich op die bewuste dag in de keuken van zijn woning en hoorde, naar zijn zeggen, op enig moment zijn bovenbuurvrouw, een deur dicht smijten. Hierop heeft hij een mes gepakt, is zijn woning uitgelopen en zag in het trappenhuis zijn bovenbuurvrouw de trap af lopen en heeft haar meermalen gestoken in haar borst- en buikstreek.

Tussen het plegen van voornoemd delict en zijn uiteindelijke aanhouding later die dag heeft verdachte twee koks, die een luchtje stonden te scheppen, bedreigd met een mes. Door naar binnen te vluchten zijn zij aan verdachte ontsnapt. De mannen hadden stellig de indruk dat hij ze zou neersteken.

Tot slot heeft verdachte een politieman ernstig bedreigd door hard op hem af te lopen met een mes in zijn hand. Zoals verdachte heeft verklaard en ook uit het dossier blijkt was het verdachtes bedoeling dat de politieman hem neer zou schieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/703012-13 (P)

Uitspraakdatum: 13 mei 2014

Tegenspraak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van

18 februari 2014 en 29 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum]te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord,

Huis van Bewaring Zwaag, te Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.G.C. Panhorst en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Sennef, advocaat te

's-Gravenhage, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk (en met voorbedachten rade) [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet (en na kalm beraad en rustig overleg), met een (slagers-)mes die [slachtoffer 1] (meerdere malen) in de borst en/of in de buik en/of in een arm, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 2] en/of[slachtoffer 3] (telkens) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (koks-)mes gepakt/getrokken en/of dat mes (met de punt omhoog) gericht en/of gericht gehouden op die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of met dat mes prikkende en/of zwaaiende en/of stekende bewegingen gemaakt naar die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 3] de woorden toegeroepen: "Jullie gaan eraan, ik vermoord jullie, ik maak jullie af" en/of "Ik maak

julie kapot", althans woorden van dergelijke (dreigende) aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 4] (hoofdagent van politie Noord-Holland Noord) van het leven te beroven, met dat opzet een (slagers-)mes heeft gepakt/getrokken en/of met dat mes in diens (opgeheven) hand op die [slachtoffer 4] is afgelopen/afgerend en/of dat mes (met de punt omhoog) heeft gericht op die [slachtoffer 4], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 4] (hoofagent van politie Noord-Holland Noord) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (slagers)mes gepakt/getrokken en/of is verdachte met dat mes in diens (opgeheven) hand op die [slachtoffer 4] afgelopen/afgerend en/of heeft verdachte dat mes (met de punt omhoog) gericht

op die [slachtoffer 4].

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

3.1

Inleiding

Op 6 januari 2013 heeft - omstreeks 15:45 uur - in een trappenhuis op de Grote Beerstraat in Alkmaar, alwaar de toenmalige woningen van het slachtoffer [slachtoffer 1] en verdachte waren gelegen, een steekpartij plaatsgevonden, waarbij voornoemde [slachtoffer 1] levensbedreigend letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] meermalen met een mes heeft gestoken in haar lichaam. Na de steekpartij is verdachte Alkmaar in gevlucht. Bij restaurant [restaurant] te Alkmaar heeft vervolgens een man wiens signalement overeenkomt met het signalement van verdachte medewerkers van dat restaurant bedreigd met een mes. Verdachte kan zich herinneren dat hij die dag bij [restaurant] is geweest maar niet dat hij restaurantmedewerkers met een mes heeft bedreigd. Naar aanleiding van deze melding heeft de politie de verdachte aan gehouden in een nabijgelegen park. Hierbij is de verdachte neergeschoten door verbalisant [slachtoffer 4] toen verdachte, zoals hij zelf zich ook herinnert en erkent, met een mes op de desbetreffende verbalisant afrende.

De rechtbank dient in de eerste plaats te beoordelen of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord, dan wel poging tot doodslag op [slachtoffer 1].

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich de hem onder 2 ten laste gelegde bedreiging van[slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft schuldig gemaakt. Tot slot dient de rechtbank te beoordelen of één van de onder 3 ten laste gelegde gedragingen wettig en overtuigend bewezen kan worden.

De rechtbank zal daarbij dienen te beoordelen of het opzet van verdachte was gericht op de dood van verbalisant [slachtoffer 4] zoals primair ten laste gelegd of op het bedreigen van voornoemde [slachtoffer 4] met enig misdrijf tegen het leven gericht, zoals subsidiair ten laste gelegd.

Bij bewezenverklaring van één van deze feiten zal in het kader van de beoordeling van de strafbaarheid van verdachte vervolgens de vraag moeten worden beantwoord in hoeverre het feit verdachte verweten kan worden en welke straf of maatregel aan verdachte moet worden opgelegd.

3.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1. impliciet subsidiair ten laste gelegde feit de poging tot doodslag en ( partiële )vrijspraak gevorderd van het onderdeel “voorbedachten rade en kalm beraad en rustig overleg”, de poging tot moord nu onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring van dit bestanddeel te komen.

De officier van justitie heeft voorts gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 2. ten laste gelegde bedreigingen met enig misdrijf tegen het leven gericht. Ten aanzien van de onder 3. ten laste gelegde feiten heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak van de poging tot doodslag, zoals primair ten laste gelegd, en tot bewezenverklaring van de bedreiging met enig misdrijf teven het leven gericht, zoals subsidiair ten laste gelegd, nu verdachtes intentie niet gericht was op het doden van verbalisant [slachtoffer 4] maar op het bedreigen van voornoemde [slachtoffer 4].

3.3

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de onder 1. ten laste gelegde poging tot moord op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat van in voorbedachte rade besloten liggende kalm beraad en rustig overleg, geen sprake is. Verdachte heeft zich onder invloed van een hevige gemoedsbeweging verplaatst naar het trappenhuis en heeft [slachtoffer 1] aldaar in een opwelling gestoken.

Ten aanzien van de onder 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Van het onder 3. primair ten laste gelegde dient verdachte te worden vrijgesproken nu uit de hem verweten gedragingen niet kan worden afgeleid dat deze op de dood van [slachtoffer 4] gericht waren.

3.4

Beoordeling van de tenlastelegging door de rechtbank

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 impliciet primair en 3 primair ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Poging tot moord [slachtoffer 1]

Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel “voorbedachte raad” moet komen vast te staan dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het voorgenomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Met de raadsvrouw en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat noch op grond van het strafdossier noch op grond van het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. De verdachte heeft, toen hij hoorde dat het slachtoffer haar woning verliet, een mes gepakt en is met dit mes naar het trappenhuis gegaan alwaar hij het slachtoffer meermalen heeft gestoken. Verdachte heeft verklaard dat toen hij hoorde dat zijn bovenbuurvrouw een deur dicht smeet op dat ogenblik iets bij hem knapte waardoor hij niet langer helder kon nadenken en besloot het slachtoffer pijn te doen. Deze omstandigheden – de plotselinge opwelling, de korte tijdsspanne tussen besluit en handelen – maken dat de rechtbank niet kan vaststellen dat de verdachte de gelegenheid heeft gehad zich te beraden op zijn daad.

Van het onder 1 impliciet primair ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte dan ook vrijspreken.

Poging tot doodslag [slachtoffer 4]

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag van [slachtoffer 4]. De rechtbank kent daarbij betekenis toe aan de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij – in de wetenschap dat voornoemde [slachtoffer 4] een dienstwapen op zak had – bewust met een mes op die [slachtoffer 4] is af gelopen om hem, [slachtoffer 4], te bewegen tot gebruik van zijn dienstwapen. Nu van opzet op de dood van [slachtoffer 4] niet is gebleken, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3 primair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring van poging doodslag [slachtoffer 1] (feit 1. impliciet subsidiair)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1. impliciet subsidiair laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van
    [slachtoffer 1], d.d. 11 januari 2013 (dossierpagina’s 116 tot en met 118);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van aangeefster
    [slachtoffer 1], d.d. 28 januari 2013 (dossierpagina’s 120 tot en met 125) en

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten een geneeskundige verklaring, arts d.d. 25 februari 2013 (dossierpagina 127).

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 1. impliciet subsidiair

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij geen opzet had op de dood van [slachtoffer 1], hij wilde haar alleen pijn doen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt dienaangaande als volgt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat door het met kracht (meerdere malen) steken met een groot mes in de borst- en/of buikstreek de aanmerkelijke kans bestaat dat vitale lichaamsdelen worden geraakt en dat dit de dood van het slachtoffer tot gevolg kan hebben. Verdachte heeft, doordat hij met een mes van ca. 30 cm lang diep in de borst- en buikstreek van het slachtoffer heeft gestoken, willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] hierdoor zou komen te overlijden. Verdachte heeft aldus door zijn handelwijze in voorwaardelijke zin opzet gehad op de dood van [slachtoffer 1].

Bewezenverklaring bedreiging [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] (feit 2)

Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 6 januari 2013, omstreeks 18:00 uur, bevinden [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] zich in de zij-entree van restaurant [restaurant] te Alkmaar, alwaar zij als kok werkzaam zijn.23

Op enig moment ziet [slachtoffer 2] dat zich achter een regenpijp, rechts van hem, een man bevindt die stijf tegen de muur aan staat. Op het moment dat [slachtoffer 2] [slachtoffer 3] wijst op deze man, zien zij dat de man schreeuwend achter de regenpijp vandaan springt. De man heeft een groot mes in zijn hand, hetwelk hij met de punt op voornoemde [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gericht houdt.4 De man maakt met zijn mes prik- en zwaaibewegingen in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]5 en schreeuwt daarbij: “Jullie gaan eraan, ik vermoord jullie, ik maak jullie af en ik maak jullie kapot”.67 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] krijgen hierop de indruk dat de man ze wil neersteken en verplaatsen zich onmiddellijk naar binnen.89 De man rent achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] aan, het restaurant in. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] houden de klapdeuren in het restaurant, waarachter de man zich bevindt, met moeite dicht. De man begint met zijn mes in te hakken op de ramen van die klapdeuren en roept daarbij: “Jullie gaan er aan. Ik maak je af”. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] houden de klapdeuren dicht. Na ongeveer een halve minuut geeft de man het op en verlaat het restaurant in de richting van de Lindegracht, waarop [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] onmiddellijk de buitendeur vergrendelen.

Nadat de politie wordt gebeld, besluiten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], ter voorkoming dat de man iemand iets aandoet, de man te volgen. Op enig moment horen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] drie knallen vanuit het park. Als ze het park inlopen, zien ze de man die hen bedreigd heeft op de grond liggen.1011

Hoewel verdachte zowel tegenover de politie als ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij voornoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd, heeft de rechtbank op grond van bovengenoemde wettige bewijsmiddelen, alsmede de zich in het dossier bevindende proces-verbaal van uitkijken van de camerabeelden van restaurant[restaurant] (dossierpagina’s 281 tot en met 284) en het gegeven dat verdachte bij zijn aanhouding is neergeschoten in het Clarissenbolwerkpark, ook de overtuiging bekomen dat verdachte degene is geweest die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een mes.

Bewezenverklaring van bedreiging [slachtoffer 4] (feit 3. subsidiair)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3. subsidiair laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Met betrekking tot feit 3. subsidiair:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [slachtoffer 4], d.d. 14 januari 2013 en

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte d.d. 14 januari 2103 (dossierpagina's 140 en 141).

3.5

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1. ( impliciet subsidiair)

hij op 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet, met een mes die [slachtoffer 1] (meerdere malen) in de borst en/of in de buik en in een arm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2.

hij op 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 2] en[slachtoffer 3] telkens heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt/getrokken en dat mes (met de punt omhoog) gericht en gericht gehouden op die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en met dat mes prikkende en zwaaiende en stekende bewegingen gemaakt naar die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] en die [slachtoffer 2] en die [slachtoffer 3] de woorden toegeroepen: "Jullie gaan eraan, ik vermoord jullie, ik maak jullie af" en "Ik maak jullie kapot".

3.

Subsidiair

hij op 6 januari 2013 in de gemeente Alkmaar [slachtoffer 4] (hoofagent van politie Noord-Holland Noord) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een mes gepakt/getrokken en is verdachte met dat mes in diens (opgeheven) hand op die [slachtoffer 4] afgelopen en vervolgens afgerend en heeft verdachte dat mes (met de punt omhoog) gericht op die [slachtoffer 4].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 impliciet subsidiair:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3 subsidiair:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Beroep op psychische overmacht

De raadsvrouw van verdachte heeft ten aanzien van de onder 1. impliciet subsidiair en 3. subsidiair ten laste gelegde feiten een beroep gedaan op psychische overmacht.

Verdachte heeft jarenlang getracht weerstand te bieden aan groeiende spanningen en gevoelens van incompetentie en falen. Bij gebrek aan een effectieve behandeling heeft verdachte zijn angst- en onrustgevoelens onder controle gehouden door situaties, die dergelijke emoties zouden kunnen voeden, (voor zover mogelijk) te vermijden.

Het dichtslaan van de deur door zijn bovenbuurvrouw heeft, na jarenlange opeenstapeling van angst en spanning, geleid tot een doorbraak van die emoties. Juist de gevoeligheid voor geluid, die in de triple rapportage wordt geconstateerd, heeft ervoor gezorgd dat die doorbraak zich in zijn huidige vorm heeft voorgedaan. Er ontstond een extreme en acute stresssituatie waaraan verdachte heeft toegegeven. Gelet op hetgeen in de triple rapportage is vastgesteld omtrent de persoonlijkheid van verdachte, kan worden geconcludeerd dat deze impulsdoorbraak past bij zijn persoonlijkheid- en angststoornis en dat slechts een geringe aanleiding nodig was om verdachte te laten ontsporen. Derhalve dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op enige schulduitsluitingsgrond toekomt.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het beroep en overweegt dienaangaande als volgt.

Wil een beroep op psychische overmacht slagen dan moet er sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit zou kunnen komen vast te staan. dat verdachte gedwongen was te handelen zoals hij heeft gehandeld.

Ook de over verdachte uitgebrachte deskundigen rapportage biedt hiertoe geen aanknopingspunten .

Toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennisgenomen van de door gezondheidszorgpsycholoog A.E. Haan, alsmede psychiater M. van Berkel en forensisch milieuonderzoeker L. van der Wielen, opgemaakte pro justitia rapportage omtrent de persoon van verdachte, gedateerd 1 november 2013. Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte wordt in deze rapportage – zakelijk weergegeven – het navolgende geconcludeerd.

Bij verdachte is sprake van een ziekelijke stoornis in de zin van een gegeneraliseerde angststoornis, alsmede van een persoonlijkheidsstoornis NAO. Ook ten tijde van de tenlastegelegde feiten was hiervan sprake. Beide stoornissen waar betrokkene aan lijdt, hebben ten tijde van het ten last gelegde ten dele doorgewerkt in zijn keuzes, beslissingen en handelingen. Op de dag van het tenlastegelegde was sprake van zodanige opeenstapeling van spanningen dat verdachte vanuit een impuls tot een woede-uitbarsting kwam. Verdachte was vanuit de gegeneraliseerde angststoornis, alsmede vanuit de persoonlijkheidsstoornis verminderd in staat om op adequate wijze met oplopende spanningen en frustraties om te gaan. Daarenboven had hij nauwelijks alternatieve, minder agressieve manieren om uiting te geven aan zijn boosheid.

Geadviseerd wordt mitsdien verdachte in deze als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van de gepleegde strafbare feiten over en maakt deze tot de hare. Overeenkomstig deze conclusies kan niet worden gezegd dat verdachte niet strafbaar is. Er zijn voorts ook geen andere omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte geheel uitsluiten. Verdachte is dus strafbaar.

6 Strafmotivering / motivering maatregel

6.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft voorts gevorderd verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden op te leggen. De officier van justitie heeft tenslotte de dadelijke uitvoerbaarheid van de TBS met voorwaarden gevorderd.

6.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht aan verdachte, naast een eventueel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen opdat hij op een veilige manier in de samenleving terug kan keren.

6.3

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zijn bovenbuurvrouw[slachtoffer 1] diverse malen met een mes gestoken en levensgevaarlijk verwond. Verdachte bevond zich op die bewuste dag in de keuken van zijn woning en hoorde, naar zijn zeggen, op enig moment zijn bovenbuurvrouw, een deur dicht smijten. Hierop heeft hij een mes gepakt, is zijn woning uitgelopen en zag in het trappenhuis zijn bovenbuurvrouw de trap af lopen en heeft haar meermalen gestoken in haar borst- en buikstreek. Uit de ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring is gebleken dat de steekpartij onuitwisbare sporen heeft nagelaten in haar leven. Zij wordt nu dagelijks geconfronteerd met de gevolgen.

Bovendien blijkt uit medische stukken in het dossier dat het de vraag is of zij ooit volledig zal herstellen van de door haar bij de steekpartij opgelopen verwondingen.

Tussen het plegen van voornoemd delict en zijn uiteindelijke aanhouding later die dag heeft verdachte twee koks, die een luchtje stonden te scheppen, bedreigd met een mes. Door naar binnen te vluchten zijn zij aan verdachte ontsnapt. De mannen hadden stellig de indruk dat hij ze zou neersteken.

Tot slot heeft verdachte een politieman ernstig bedreigd door hard op hem af te lopen met een mes in zijn hand. Zoals verdachte heeft verklaard en ook uit het dossier blijkt was het verdachtes bedoeling dat de politieman hem neer zou schieten. De politieman ondervindt nog (dagelijks) hinder van deze gebeurtenis.

Bij het bepalen van de strafsoort en - duur heeft de rechtbank de buitengewone ernst van de bewezenverklaarde feiten zwaar laten wegen.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 9 januari 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder ter zake van geweldsdelicten is veroordeeld.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank ook acht geslagen op de inhoud van voornoemde pro justitia rapportage, opgemaakt door gezondheidszorgpsycholoog A.E. Haan, alsmede psychiater M. van Berkel en forensisch milieuonderzoeker L. van der Wielen,

waaruit volgt dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd.

Blijkens voornoemde pro justitia rapportage is omdat verdachte minder goed in staat is om emoties die hij voelt adequaat te reguleren, kwetsbaar om tot een dergelijke impulsdoorbraak te komen indien soortgelijke spanningen zich over een langere periode opbouwen. Ter doorbreking van dit risico wordt mitsdien – indien de strafmaat het toelaat – geadviseerd verdachte, binnen een voorwaardelijk strafdeel, een intensieve en individuele ambulante behandeling in de vorm van psychotherapie te laten volgen bij een gespecialiseerde GGZ-instelling, waarbij aandacht zal zijn voor het doorwerken van het delictscenario en het opstellen van een signaleringsplan ten behoeve van terugvalpreventie. In het geval dat de strafmaat dit niet toelaat, wordt geadviseerd om verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen waarbinnen een dergelijke behandeling gerealiseerd kan worden.

Tenslotte heeft de rechtbank kennis genomen van het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 24 april 2014 van A. Wamsteeker als reclasseringswerker verbonden aan Palier forensische & intensieve zorg waarin geconcludeerd wordt dat een in het verleden ambulante behandeling bij GGZ Noord-Holland Noord onvoldoende positieve gedragsveranderingen heeft weten te bewerkstelligen en dat verdachte ontrouw is geweest aan die behandeling, die hij tevens voortijdig heeft afgebroken. Om die reden adviseert de reclassering verdachte een TBS met maatregelen op te leggen en de geïndiceerde klinische opname als bijzondere voorwaarde te koppelen aan de maatregel. Hiertoe heeft de reclassering het volgende gerapporteerd.

Betrokkene heeft in het verleden een ambulante behandeling genoten bij GGZ Noord-Holland Noord, welke onvoldoende positieve gedragsverandering heeft weten te bewerkstelligen en daarbij is betrokkene niet trouw geweest aan de behandeling en heeft hij deze voortijdig afgebroken.

GGZ reclassering Palier is eveneens van mening dat, gezien onder andere het ontbreken van een stabiele huisvesting en tevens de noodzaak tot een intensievere individuele behandeling dan in het verleden is aangeboden, in eerste aanleg een klinische opname geïndiceerd is. Deze dient gericht te zijn op het uitvoeren van de delictscenario procedure, het maken van een signaleringsplan, de start van een intensieve behandeling in de vorm van psychotherapie, dagstructuur creëren, medicamenteuze behandeling en zijn alcoholgebruik. Tevens dient deze gericht te zijn op resocialisatie, met het oog op toekomstig zelfstandig wonen, met daarbij aangeboden woonbegeleiding c.q. ambulante behandeling/begeleiding.

GGZ reclassering palier schat in dat TBS met voorwaarden een passend kader is voor betrokkene. Hij heeft aangegeven bereid te zijn om mee te werken met een eventueel toezicht in het kader van TBS met voorwaarden en de daarbij opgestelde voorwaarden, ook indien gestart zal worden met een klinisch verblijf. Een klinische start wordt noodzakelijk geacht door de reclassering om toezicht op de maatregel TBS met voorwaarden uit te oefenen. Hiervoor is betrokkene aangemeld bij het IFZ en is er een indicatiestelling afgegeven voor de FPA te Heiloo. FPA Heiloo heeft te kennen gegeven dat zij betrokkene zullen opnemen. Deze zal aansluitend zijn aan de detentieperiode van betrokkene.

Ter terechtzitting heeft mevrouw L. van Domburg het rapport nader toegelicht en heeft gepersisteerd bij het advies om verdachte een TBS-maatregel met voorwaarden op te leggen.

De verdachte heeft zich ter zitting bereid verklaard tot naleving van de algemene en bijzondere voorwaarden zoals opgenomen in het door Palier voormelde rapport, realisatiedatum 24 april 2014

De rechtbank zal voornoemde conclusies van de psycholoog, de psychiater, forensisch milieuonderzoeker en de reclassering overnemen. De rechtbank is, gelet op de bevindingen zoals neergelegd in voornoemde rapportages, van oordeel dat een klinische behandeling als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijk strafdeel ontoereikend is.

De rechtbank is van oordeel dat, gezien de bij verdachte aanwezige problematiek en het gevaar voor herhaling die dat mogelijk meebrengt, hij de best mogelijke behandeling moet ondergaan teneinde het recidivegevaar in te perken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat daarnaast, gelet op het feit dat het bewezen verklaarde misdrijven betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld, alsmede gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en de in de Pro Justitia en reclasseringsrapportages weergegeven adviezen, de algemene veiligheid van personen de oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden eist.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen zal de rechtbank voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte als nader in het dictum genoemd.

De rechtbank acht termen aanwezig toepassing te geven aan de wettelijk gegeven mogelijkheid om te bevelen dat de TBS met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

9 1.00 STK Mes Kl: zwart

Vlees

455367 en

10. 1.00 STK Mes

mes in hoes (foudraal)

455372,

13. 1.00 STK Mes

-

455369,

dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 subsidiair bewezen verklaarde feiten met behulp van dat voorwerp is begaan.

Teruggave aan verdachte

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten

1 1.00 STK Vest,

-

455381

1.00 STK PR Schoeisel Kl: zwart

LE COQ SPORTIF sneaker

455382

1.00 STK Vest Kl: grijs

-

455389

4. STK PR Sok Kl: grijs

-

455383

1.00 STK Ondergoed Kl: zwart

-

455385

1.00 STK Broek Kl: creme

-

455386

1.00 STK Shirt Kl: wit

-

455389

2.00 STK Lamp Kl: zwart

-

455390

11. 1.00 PR Handschoen Kl: bruin

Leer

455373 en

12. 1.00 STK Tas Kl: bruin

ALBER HEIJN jutte

455377,

dienen te worden teruggegeven aan verdachte, aangezien die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1

Vordering [slachtoffer 1]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 1], heeft de gemachtigde mr. M.A.M. de Vries - Meijer, advocaat te Alkmaar, een vordering tot schadevergoeding van € 156.778,90 ingediend wegens materiële en immateriële schade die de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De vordering is opgebouwd uit een bedrag van € 121.778,90 wegens materiële schade en een bedrag van € 35.000,- wegens immateriële schade.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 1] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 77.039,88,-, bestaande uit € 42.049,88,- aan materiële schade en € 35.000,-- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. Het onderdeel van de materiële schade dat ziet op de gekapitaliseerde loonschade bij blijvende arbeidsongeschiktheid vanaf 18/2/2015 tot pensioen komt niet voor vergoeding in aanmerking, nu dit onderdeel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en zich aldus niet leent voor behandeling in deze strafzaak.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht benadeelde [slachtoffer 1] een slechts een deel van de door haar gevorderde immateriële schade toe te kennen, te weten € 5.000,--, en haar voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat voor verdachte, binnen het strafgeding, onmogelijk is zich te verweren tegen de vordering nu hij niet in de gelegenheid is om bijvoorbeeld medische informatie te beoordelen. Daarenboven is er onvoldoende informatie voorhanden om het causaal verband te toetsen tussen het delict als schade veroorzakende gebeurtenis, en de opgevoerde schade.

De rechtbank overweegt dat vergoeding van de immateriële schade de rechtbank billijk voor komt, gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Deze schade kan worden gezien als rechtstreekse schade als gevolg van het onder feit 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering dan ook toewijzen tot een totaalbedrag van € 35.000,-- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Anders dan de raadsvrouw van benadeelde [slachtoffer 1] en de officier van justitie is de

rechtbank van oordeel dat - nu de raadsvrouw van verdachte dit onderdeel gemotiveerd

betwist heeft – de behandeling van het gedeelte van de vordering van benadeelde

[slachtoffer 1] dat betrekking heeft op de materiële schade een onevenredige belasting van het

strafgeding oplevert en zich bij uitstek leent voor een behandeling bij de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij kan de delen van de vordering, die tot niet-ontvankelijkheid zullen leiden, desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

7.2

Vordering [slachtoffer 4]

Namens de benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de gemachtigde M. Stroosnijder, Casemanager geweld & Schade politie Noord-Holland, een vordering tot schadevergoeding van 1250,-- ingediend tegen verdachte, bestaande uit immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van [slachtoffer 4]

in het geheel kan worden toegewezen.

De raadsvrouw van verdachte heeft verzocht de vordering van benadeelde [slachtoffer 4]

indachtig de uitspraak van het Gerechtshof te Den Bosch (ECLI:NL:DHSHE:BG4832) te

matigen tot een bedrag van € 750,--.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, door toedoen van verdachte, rechtstreeks schade heeft geleden.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich in zoverre leent voor behandeling in deze strafzaak.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van het toe te kennen bedrag in aanmerking genomen de aard en impact van het bewezenverklaarde voor de benadeelde. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder rekening gehouden met de ingetreden gevoelens van onrust bij de benadeelde ten gevolge van het noodgedwongen moeten schieten op verdachte.

De rechtbank komt de vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1250,- billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

7.3

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder 1 impliciet subsidiair en 3 subsidiair bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: poging tot doodslag en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14e, 33, 33a, 36f, 37a, 38, 38b, 45, 57, 285 en 287 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

 Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1. impliciet primair en 3. primair is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

 Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1. impliciet subsidiair, 2. en 3. subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

 Bepaalt dat de onder 3.5 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

 Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 [vijf] jaren.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld onder de na te noemen voorwaarden.

Stelt als algemene voorwaarden dat:

  1. Veroordeelde zich voor het einde van de terbeschikkingstelling niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. Veroordeelde toestemming verleent aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die zij relevant achten en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding in het kader. Tevens verleent hij ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

Stelt als bijzondere voorwaarden dat:

  1. Veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid;

  2. Veroordeelde toestemming verleent aan de reclassering en aan zijn begeleiders dat in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van de bijzondere voorwaarden, deze informatie aan derden kenbaar te maken en

  3. Tijdens de gehele TBS maatregel is het voor veroordeelde niet toegestaan om zich buiten het Europese gedeelte van het Koninkrijk der Nederlanden te begeven.

  4. Veroordeelde zich bij de reclassering meldt zo frequent en zolang de reclassering dit nodig acht, ook indien zulks inhoudt dat veroordeelde zich op het kantoor van de reclassering moet melden, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

  5. Veroordeelde, gedurende de maximale proeftijd, medewerking verleent aan de kennismaking c.q. intake en eveneens plaatsing in de FPA Heiloo van GGZ Noord-Holland Noord (of een soortgelijke forensische klinische setting, indien noodzakelijk nader te bepalen door het IFZ), direct aansluitend aan zijn detentie, ook als dit onder begeleid of beveiligd vervoer zal plaatsvinden. Veroordeelde zal zich houden aan de daar geldende huis- en leefregels c.q. voorwaarden die daar aan hem gesteld worden en stelt zich hierin begeleidbaar op;

  6. Veroordeelde niet van verblijfplaats zal veranderen anders dan na overleg met zijn behandelaren en de reclassering;

  7. Veroordeelde niet zonder toestemming van zijn begeleiders en de reclassering de afgesproken werkuren en/of werkinvulling c.q. dagbesteding verandert;

  8. Veroordeelde stelt zich open op inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft geen bezwaar dat deze op “gepaste en discrete” wijze door de reclassering worden gescreend;

  9. Veroordeelde zich houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens GGZ Reclassering Palier;

  10. Veroordeelde zich conformeert aan de behandeling van de FPA Heiloo of soortgelijke klinische setting;

  11. Veroordeelde alleen de voor hem voorgeschreven medicatie inneemt;

  12. Veroordeelde zich zal onthouden van alcohol- en druggebruik en zich niet zal onttrekken aan controles hierop;

  13. Veroordeelde inzicht geeft in zijn financiën als daarom wordt verzocht en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier en/of door behandelsetting aangewezen alternatief;

  14. Veroordeelde ervoor zorgt dat hij altijd bereikbaar is voor zijn begeleiders en behandelaren;

  15. Veroordeelde zich houden aan het verbod om zelfstandig zijn toenmalige bovenbuurvrouw [slachtoffer 1] te benaderen;

  16. Veroordeelde zich zal houden aan het locatieverbod en zich deswege niet zal begeven in en rondom restaurant[restaurant] te Alkmaar en

  17. Veroordeelde, in het geval van een door de reclassering en behandelaren geïndiceerde crisissituatie, medewerking verleent aan een tijdelijke terugplaatsing in de gesloten unit van de FPA of een soortgelijke setting.

 Beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is.

 Draagt GGZ Palier op veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1]

[slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 35.000,- (vijfendertigduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 35.000,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 210 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 4]

[slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 1.250,- (twaalfhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

 Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.250,- vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 22 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

 Gelast de teruggave aan verdachte van:

1 1.00 STK Vest,

-

455381

1.00 STK PR Schoeisel Kl: zwart

LE COQ SPORTIF sneaker

455382

1.00 STK Vest Kl: grijs

-

455389

4. STK PR Sok Kl: grijs

-

455383

5 1.00 STK Ondergoed Kl: zwart

-

455385

1.00 STK Broek Kl: creme

-

455386

1.00 STK Shirt Kl: wit

-

455389

2.00 STK Lamp Kl: zwart

-

455390

11 1.00 PR Handschoen Kl: bruin

Leer

455373 en

12. 1.00 STK Tas Kl: bruin

ALBER HEIJN jutte

455377.

 Verklaart verbeurd:

9 1.00 STK Mes Kl: zwart

Vlees

455367,

10. 1.00 STK Mes

mes in hoes (foudraal)

455372 en

13. 1.00 STK Mes

-

455369.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

Mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. A.F. van Hoorn en mr. L. Stevens, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D. Ince,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 mei 2014.

mr. L. Stevens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer 3], gedateerd 9 januari 2012 [de rechtbank begrijpt: 9 januari 2013], dossierpagina 138.

3 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], gedateerd 9 januari 2013, dossierpagina 133.

4 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], gedateerd 9 januari 2013, dossierpagina 133.

5 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer 3], gedateerd 9 januari 2012 [de rechtbank begrijpt: 9 januari 2013], dossierpagina 138.

6 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], gedateerd 9 januari 2013, dossierpagina 133.

7 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer 3], gedateerd 9 januari 2012 [de rechtbank begrijpt: 9 januari 2013], dossierpagina 138.

8 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], gedateerd 9 januari 2013, dossierpagina 133.

9 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer 3], gedateerd 9 januari 2012 [de rechtbank begrijpt: 9 januari 2013], dossierpagina 138.

10 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige [slachtoffer 2], gedateerd 9 januari 2013, dossierpagina’s 133 en 134.

11 Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van getuige[slachtoffer 3], gedateerd 9 januari 2012 [de rechtbank begrijpt: 9 januari 2013], dossierpagina 138.