Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5554

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
C/15/206080 / HA ZA 13-420
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leveringsvoorwaarden levering ‘Ex Works’ EXW. Internationale koop goederen. Goederen op transport. Verkoper failliet ttv transport.

Expediteur beroept zich op pandrecht goederen door FENEX-voorwaarden. Er is Ex Works en dus constitutum possessorium cp geleverd.

Het eigendom is overgegaan op koper. Verkoper regelt echter vervoer. Bij vervoer wordt door de fenexvoorwaarden een pandrecht gevestigd op de goederen.

Beschikkingsonbevoegd, niet beschikkingsbevoegd, voor vestigen pandrecht. Bescherming expediteur door goede trouw, te goeder trouw.

Geldige titel pandrecht ook voor voorgaande vorderingen op grond van FENEX voorwaarden.

Naar eisen van redelijkheid en billijkheid beroep op pandrecht niet onaanvaardbaar. Strenge toets redelijkheid en billijkheid in goederenrecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2015/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/206080 / HA ZA 13-420

Vonnis van 28 mei 2014

in de zaak van

vennootschap naar buitenlands recht

CHANG ZHOU TA TURBO POWER MACHINERY CO LTD,

gevestigd te Chang Zhou, China,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. M.E.J. Lengyel-Verresen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEST GLOBAL LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Leimuiden,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. R.A.M. Schram.

Partijen zullen hierna CZT en BGL genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 november 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 3 april 2014

  • -

    de akte van CZT van 19 maart 2014

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

CZT is een Chinese vennootschap die zich bezighoudt met onderzoek, ontwikkeling, productie, verkoop en onderhoud van turboladers.

2.2.

BGL voert een expeditiebedrijf, dat het doen vervoeren van handelsgoederen over weg, zee en door de lucht verzorgt alsmede de opslag en distributie daarvan.

2.3.

De inmiddels gefailleerde vennootschap TurboNed Service B.V. (hierna: TN) exploiteerde een groothandel in verbrandingsmotoren, pompen en compressoren, alsmede de handel in, het repareren van en het bewerken van turboladers en onderdelen daarvan.

2.4.

Op 22 november 2012 is tussen CZT als koper en TN als verkoper een koopovereenkomst gesloten met betrekking tot een aantal ‘Bearing Units’ (hierna: de producten). De kooprijs bedroeg EUR 105.159,75 en zou worden verrekend met een openstaande vordering van CTZ op TN.
In de opdrachtbevestiging staat onder meer het volgende geschreven.

“Packing: Included

Delivery terms: Ex Works

Payment terms: As agreed, against outstanding payment

Dispatch date: 23-11-12

Delivery address: Chang Zhou TA Turbo Power
Machinery Co. Ltd.
126 th,Hanjiang Road
Xin Bei District
Changzhou

(…)

All our quotations, all orders placed with us and all contracts concluded with us, are subject to the METAALUNIE CONDITIONS.”

2.5.

In de Metaalunie voorwaarden is onder meer het volgende bepaald:

“(…) Artikel 6: Risico-overgang

Bij koop vindt levering plaats af fabriek “ex Works”, conform Incoterms 2000; het risico van de zaak gaat over op het moment dat verkoper deze ter beschikking stelt aan koper. (…)”

2.6.

Op 23 november 2012 heeft TN met BGL een vervoersovereenkomst gesloten voor het vervoer van de producten vanaf TN te Zwijndrecht over zee naar de Container Freight Station te Shanghai tegen het bedrag van EUR 349,51.

2.7.

Op 26 november 2012 zijn de producten bij TN opgehaald door BGL. Op 5 december 2012 is het schip met de producten uitgevaren.

2.8.

BGL heeft voor het vervoer op 6 december 2012 een factuur van EUR 349,51 aan TN gezonden. Op de factuur wordt melding gemaakt van de toepasselijkheid van FENEX voorwaarden. In de FENEX voorwaarden staat in artikel 19 onder meer het volgende:

“1. De expediteur heeft jegens een ieder, die daarvan afgifte verlangt, een pandrecht en een retentierecht op alle zaken, documenten en gelden die de expediteur uit welke hoofde en met welke bestemming ook onder zich heeft of zal krijgen, voor alle vorderingen die hij ten laste van de opdrachtgever en of eigenaar heeft of mocht krijgen. Bij doorzending van de zaken is de expediteur gerechtigd het verschuldigde bedrag daarop na te nemen of daarvoor een wissel te trekken met aangehechte verladingsdocumenten.

2. De expediteur kan de hem in lid 1 toegekende rechten eveneens uitoefenen voor hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. (…)”

2.9.

Op 11 december 2012, terwijl het schip met de producten onderweg was naar China, is het faillissement van TN uitgesproken.

2.10.

BGL had ten tijde van het uitspreken van het faillissement van TN op TN op grond van eerdere vervoersovereenkomsten een vordering van in totaal EUR 85.943,41.

2.11.

In januari 2013 is het schip met de producten aangekomen in Shanghai. BGL heeft de producten niet afgegeven aan CZT. Kort daarop heeft BGL de producten naar Singapore verscheept, alwaar ze tot heden in een loods van BGL zijn opgeslagen.

2.12.

Bij e-mail op 7 februari 2013 heeft mr. Nuiten, curator in het faillissement van TN, onder meer het volgende aan mr. Lengyel-Verresen voornoemd bericht:

“(…) BGL heeft nog van gefailleerde te vorderen een bedrag van € 86.000,--. BGL heeft een beroep gedaan op het recht van retentie. Verder claimt zij een pandrecht op de goederen, zoals gehouden door BGL. (…) Op 21 januari jl. heb ik laten weten (…) dat de goederen reeds ruim vóór datum faillissement aan boord van een schip waren op weg naar een haven in China. Ik heb mij per mail van 21 januari jl. dientengevolge op het standpunt gesteld dat, nu de goederen tevens betaald zijn door Chang Zhou, zij geen onderdeel meer uitmaken van het eigendom van gefailleerde. (…) Als gezegd, meen ik dat curator hier geen rol meer in heeft, nu de goederen, zoals aangekocht door uw cliënte, vóór datum faillissement al buiten het eigendom van de gefailleerde vennootschappen zijn gebracht.”

2.13.

Op 29 mei 2013 heeft de rechtbank Noord-Holland kortgedingvonnis gewezen, waarin BGL is verboden de goederen te bezwaren, te koop aan te bieden, te veilen of anderszins te laten vervreemden zolang niet in een bodemprocedure definitief omtrent het geschil tussen partijen is beslist.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

CZT vordert samengevat:

I primair Verklaring voor recht dat geen geldig pandrecht is gevestigd op de producten ten gunste van BGL;

I subsidiair Verklaring voor recht dat BGL geen beroep kan doen op het pandrecht voor zover dit voor meer van EUR 349,51 is gevestigd;

II Verklaring voor recht dat BGL niet bevoegd is een retentierecht in te roepen;

III Veroordeling van BGL tot vervoeren van de goederen naar de haven in Shanghai af te leveren tegen betaling van EUR 349,51 door CZT;

IV primair Veroordeling van BGL in de kosten van de opslag in Singapore;

IV subsidiair Verklaring voor recht dat de kosten van opslag in Singapore voor rekening van BGL blijven;

V Veroordeling van BGL tot betaling van vermogensschade, bestaande uit de wettelijke handelsrente over EUR 196.648,73 vanaf 15 januari 2013 tot de dag van vrijgifte van de goederen, te vermeerderen met een bedrag P.M. aan waardevermindering;

VI Veroordeling van BGL tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad EUR 2.616,07 te vermeerderen met de handelsrente;

VII BGL te veroordelen in proceskosten.

3.2.

BGL voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

BGL vordert samengevat:

I Verklaring voor recht dat BGL een pandrecht heeft op de producten;

II Opheffing van de voorlopige maatregel inhoudende het verbod om de producten ten bezwaren, te koop aan te bieden, te veilen of anderszins te laten vervreemden, zoals opgelegd door de voorzieningenrechter;

III Opheffing van de voorlopige maatregel inhoudende de dwangsom, zoals opgelegd door de voorzieningenrechter;

IV CZT te veroordelen in proceskosten.

3.5.

CZT voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4.2.

De rechtbank gaat er evenals partijen vanuit dat het geschil beheerst wordt door Nederlands recht. Tussen partijen is in geschil of de producten bezwaard zijn met een pandrecht ten gunste van BGL. Ingevolge artikel 3:84 en artikel 3:98 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor het vestigen van een pandrecht vereist een levering krachtens geldige titel, verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken. Op grond van artikel 3:236 wordt het pandrecht vervolgens gevestigd door de zaak in de macht van de pandhouder te brengen.

4.3.

Vast staat dat de producten op 26 november 2012 in de macht van BGL zijn gebracht. De vraag is of voor het pandrecht een geldige titel bestond en of TN bevoegd was over de producten te beschikken. De rechtbank zal op deze vragen hierna ingaan.

Titel

4.4.

BGL stelt dat voor het pandrecht een geldige titel bestond, omdat de FENEX-voorwaarden op de vervoersovereenkomst van 23 november 2012 van toepassing zijn. CZT betwist dat de FENEX-voorwaarden een geldige titel opleveren, omdat het vestigen van een pandrecht een kernbeding is. Dat verweer faalt. Ingevolge artikel 6:231 BW is sprake van een kernbeding indien met een beding – naar objectieve maatstaven – de kern van de overeengekomen verplichtingen wordt weergegeven. Nu naar objectieve maatstaven de vervoersovereenkomst ook zonder de voorwaarde een pandrecht te vestigen tot stand zou zijn gekomen, kwalificeert de rechtbank deze voorwaarde niet als kernbeding. Daaraan doet niet af dat voor het vestigen van een pandrecht een separate wilsovereenstemming is vereist. Een overeenkomst kan immers uit verschillende deelovereenkomsten bestaan. In het onderhavige geval is de vervoersovereenkomst de hoofdovereenkomst en het vestigen van het pandrecht een (van de) deelovereenkomst(en).

4.5.

In de FENEX-voorwaarden bij de overeenkomst tussen TN en BGL is bepaald dat TN ten gunste van BGL een pandrecht zal vestigen op alle zaken die BGL onder zich heeft voor alle vorderingen die zij ten laste van TN heeft, ook voor het hetgeen hem door de opdrachtgever nog verschuldigd is in verband met voorgaande opdrachten. De rechtbank is van oordeel dat die bepaling een geldige titel oplevert voor het vestigen van het pandrecht tot het bedrag van EUR 85.943,41 (zijnde het bedrag dat TN BGL ten tijde van het sluiten van de vervoersovereenkomst nog verschuldigd was in verband met voorgaande opdrachten).

Beschikkingsbevoegdheid

4.6.

CZT betwist dat er een pandrecht is gevestigd, omdat de producten ‘Ex Works’ geleverd zijn, zodat de eigendom reeds voordat de goederen in de macht van BGL zijn gebracht is overgegaan op CZT. TN was ten tijde van het vestigen van het pandrecht derhalve niet beschikkingsbevoegd, aldus CZT. BGL stelt dat de goederen ten tijde van het vestigen van het pandrecht nog niet aan CZT geleverd waren, omdat geen sprake was van bezitsverschaffing aan CZT. Met de term ‘Ex Works’ is door partijen enkel beoogd het risico te laten overgaan, maar er is geen sprake van een juridische levering. Hetgeen ook blijkt uit het feit dat een afleveradres is opgenomen in de overeenkomst, aldus BGL. De rechtbank overweegt als volgt.

4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de overeenkomst tussen TN en CZT de Metaalunievoorwaarden en de Incoterms van toepassing zijn. Partijen verschillen van mening over de betekenis van de term ‘Ex Works’. BGL heeft zich op het standpunt gesteld dat de plaats van levering wordt bepaald door de plaats van de materiele overdracht en dat dat niet anders wordt door de aanduiding ‘Ex works’. Dat standpunt faalt. Ingevolge het Electrosteel-arrest van het Hof van Justitie (HvJ EG 9 juni 2011, C-87/10, NJ 2011, 389) dient de plaats van levering op basis van de bepalingen van de overeenkomst te worden bepaald. Daarin is overwogen: “23. Wat betreft de Incoterm ‘Ex Works’ (…) moet worden vastgesteld dat (…) deze clausule niet alleen de bepalingen van de punten A5 en B5 met als opschrift ‘Transfer of risks’ inzake de risico-overdracht en die van de punten A6 en B6 met als opschrift ‘Division of costs’ inzake de kostenverdeling bevat, maar tevens, afzonderlijk, de bepalingen van de punten A4 en B4 met als opschrift ‘Delivery’ respectievelijk ‘Taking delivery’, die naar dezelfde plaats verwijzen en op basis waarvan de plaats van levering van de koopwaar dus kan worden bepaald. (…)

26. (…) Om na te gaan of de plaats van levering is bepaald ‘volgens de overeenkomst’, moet de aangezochte nationale rechter alle voorwaarden en alle relevante clausules van deze overeenkomst op basis waarvan deze plaats duidelijk kan worden aangewezen in beschouwing nemen. Dit omvat de voorwaarden en clausules die algemeen erkend en in de internationale handel gebruikelijk zijn, zoals de door de Internationale Kamer van Koophandel opgestelde ‘Incoterms’ in de in 2000 gepubliceerde versie. Indien de plaats van levering niet aldus kan worden bepaald zonder toepassing van het op de overeenkomst toepasselijke materiële recht, is dit de plaats van de materiële overdracht van de goederen, waardoor de koper op de eindbestemming van de verkooptransactie de feitelijke beschikkingsmacht over deze goederen heeft verkregen of had moeten verkrijgen.” Nu in de onderhavige zaak de term ‘Ex works’ genoemd staat achter ‘delivery terms’, is de rechtbank van oordeel dat met die term de leveringsvoorwaarden worden aangeduid. De plaats van levering kan aldus aan de hand van de overeenkomst worden bepaald. Dat in de overeenkomst ook een afleveradres voor feitelijke levering (bezitsverschaffing) wordt genoemd, doet daaraan niet af. Anders dan BGL heeft betoogd, is bezitsverschaffing namelijk niet noodzakelijk voor juridische levering (bezitsoverdracht). Aan de bepaling achter ‘delivery terms’ komt in onderhavige zaak een grotere waarde toe dan aan het genoemde afleveradres.

4.8.

Ingevolge artikel 3:115 sub a BW, levering ‘constitutum possessorium’, is voor de overdracht van het bezit een tweezijdige verklaring zonder feitelijke handeling voldoende wanneer de vervreemder de zaak bezit en hij haar krachtens een bij de levering gemaakt beding voortaan voor de verkrijger houdt. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval sprake van een dergelijk beding. Met de bepaling ‘Delivery terms: Ex works’ hebben partijen namelijk de wil kenbaar gemaakt dat, zoals bij de ‘Incoterm Ex works’ staat beschreven onder ‘korte toelichting’: “de verkoper levert wanneer hij de goederen ter beschikking stelt van de koper in het bedrijfspand van de verkoper of op een andere overeengekomen plaats (bijvoorbeeld werkplaats, fabriek, opslagplaats, etc …).” TN heeft derhalve met die bepaling het bezit van de producten (per direct en dus in het bedrijfspand van TN) overgedragen aan CZT en is daarvan zelf houder geworden.

4.9.

De rechtbank komt tot de conclusie dat op het moment dat de overeenkomst is gesloten op 22 november 2012 de producten bij wederzijdse verklaring aan CZT zijn geleverd. De eigendom van de producten is op dat moment van TN op CZT overgegaan. Derhalve was TN ten tijde van het vestigen van het pandrecht op 26 november 2012 (het moment dat de producten in de macht van BGL zijn gebracht) ten aanzien van de producten niet beschikkingsbevoegd.

Bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid

4.10.

BGL heeft gesteld dat haar – indien TN niet beschikkingsbevoegd was – bescherming toekomt op grond van artikel 3:238 BW. De rechtbank overweegt als volgt.

4.11.

Ingevolge artikel 3:238 BW is de vestiging van een pandrecht op een zaak ondanks onbevoegdheid van de pandgever geldig, indien de pandhouder te goeder trouw is op het tijdstip waarop de zaak in zijn macht is gebracht. De goede trouw ontbreekt indien het feit of het recht waarop zij betrekking moet hebben (de beschikkingsonbevoegdheid van TN), hetzij aan BGL bekend was, hetzij aan haar bekend had behoren te zijn. Een en ander sluit een onderzoekplicht in, waarbij bovendien, ingevolge vaste rechtspraak, geldt dat onmogelijkheid van onderzoek niet belet dat degene die goede reden tot twijfel had, aangemerkt wordt als iemand die de werkelijke situatie had behoren te kennen.

4.12.

Als onvoldoende bestreden staat vast dat BGL niet wist dat TN beschikkingsonbevoegd was. De vraag is derhalve of BGL dit behoorde te weten. Die vraag wordt beantwoord aan de hand van de navolgende omstandigheden.

4.13.

Voorop staat dat BGL een professionele expediteur is, die bekend kan worden geacht met de in de handel gebruikte Incoterms. BGL heeft evenwel onweersproken gesteld dat op geen van de door haar ontvangen documenten (te weten de ‘Packing List’ en de ‘Proforma Invoice’, overgelegd als producties 4 en 5 bij de Conclusie van Antwoord) melding wordt gemaakt van de leveringsvoorwaarde ‘Ex works’, noch dat daar anderszins uit kan worden afgeleid dat de eigendom reeds op CZT was overgegaan. BGL heeft haar aangifte ten uitvoer (productie 23 bij de Conclusie van Antwoord) dan ook op basis van instructies van TN opgemaakt met vermelding van de Incoterm CFR (Cost and Freight, Rb.) Shanghai. Anders dan CZT stelt, is de rechtbank bovendien van oordeel dat het voor BGL niet duidelijk had behoren te zijn dat TN namens CZT het vervoer regelde. De overgelegde e-mail van 21 november 2012 waarin TN vraagt om een prijsopgave namens CZT is daarvoor onvoldoende, temeer omdat TN vervolgens zelf – en niet CZT of TN namens CZT – met BGL de vervoersovereenkomst heeft gesloten. Bij deze gang van zaken had BGL naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding te vermoeden dat ‘Ex works’ geleverd was, noch dat TN anderszins niet beschikkingsbevoegd was.

4.14.

Hoewel het gewicht van de verrichte handeling, te weten een pandrecht voor EUR 85.943,41 tegen de achtergrond van het kleine belang bij de vervoersovereenkomst, zijnde EUR 349,51 zeer zwaar is, is de rechtbank van oordeel dat daaraan in onderhavige zaak geen doorslaggevende betekenis toekomt. Bij gebrek aan een goede reden voor twijfel aan de beschikkingsbevoegdheid van TN is de enkele wanverhouding tussen het pandrecht en het bij de vervoersovereenkomst gemoeide bedrag namelijk onvoldoende om van BGL te verwachten dat zij nader onderzoek zou instellen. Die wanverhouding gold immers alleen ten opzichte van CTZ en niet ten opzichte van BGL’s opdrachtgever TN, op wie zij een aanzienlijke vordering had. Dat dergelijk onderzoek niet veel om handen hoeft te hebben, zoals CZT heeft gesteld, doet daar niet aan af, nu een aanleiding voor zo’n onderzoek niet bestond.

4.15.

De rechtbank komt tot de conclusie dat BGL te goeder trouw was ten aanzien van de beschikkingsbevoegdheid op het tijdstip waarop de producten in zijn macht zijn gebracht. Haar komt derhalve bescherming toe op grond van artikel 3:238 BW, zodat het pandrecht voor EUR 85.943,41 op de producten (ondanks de beschikkingsonbevoegdheid van TN) op 26 november 2012 ten gunste van BGL rechtsgeldig is gevestigd.

Redelijkheid en billijkheid

4.16.

CZT heeft voorts gesteld dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat BGL het pandrecht jegens haar uitoefent. Zij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat er een forse wanverhouding bestaat tussen de hoogte van het pandrecht en de geleverde dienst ten aanzien waarvan het pandrecht is gevestigd. Bovendien wordt CZT, die nota bene eigenaar is van de goederen, geconfronteerd met vorderingen van voorgaande vervoersovereenkomsten waarbij zij geen partij was. De rechtbank overweegt als volgt.

4.17.

Ten aanzien van de toetsing aan de eisen van redelijk en billijkheid dient een afweging gemaakt te worden van alle omstandigheden van het geval, waar persoonlijke en algemene belangen in aanmerking worden genomen. Een goederenrechtelijke verhouding zoals onderhavige leent zich minder voor dergelijke toetsing dan een verbintenisrechtelijke verhouding. Onderhavige verhouding is immers niet puur bilateraal en vraagt met het oog op de vereiste duidelijkheid en de rechtsgevolgen voor derden een strakkere, meer abstracte beoordeling. Die beoordeling leidt tot het navolgende.

4.18.

Zoals hiervoor in r.o. 4.14 overwogen staat op zich vast dat er een forse wanverhouding bestaat tussen de hoogte van het door BGL uitgeoefende pandrecht en het bedrag waarvoor de vervoersovereenkomst is gesloten. Bovendien staat tussen partijen vast dat de hoogte van het pandrecht voor CZT onvoorzienbaar was, omdat dat mede is gevestigd ten aanzien van vorderingen die BGL nog op TN had in verband met voorgaande opdrachten (waarvan CZT geen kennis had).

4.19.

Daar staat tegenover dat BGL onweersproken heeft gesteld dat gebruik van de FENEX-voorwaarden gebruikelijk is in de vervoersbranche. Bovendien heeft zij onweersproken gesteld dat het voor een vlot verloop van het handelsverkeer en transport van belang is dat een expediteur een pandrecht vestigt op de goederen die zij onder zich heeft, omdat zij in de regel eerst achteraf factureert.

4.20.

Nu levering van de producten bovendien ‘Ex works’ heeft plaatsgevonden is de rechtbank van oordeel dat het belang van het vlotte handelsverkeer in de onderhavige zaak prevaleert boven het belang van CZT. Daarbij is van groot belang dat de levering ‘Ex works’ in de Incoterms wordt aangeduid als de levering die ‘de minimale verplichting voor de verkoper’ behelst en waarbij ‘alle kosten en risico’s’ na levering voor de koper zijn. De omstandigheid dat zich vervolgens een risico verwezenlijkt, te weten dat door een beschikkingsonbevoegde een pandrecht op de producten is gevestigd, is een risico dat – hoewel ongetwijfeld niet door CZT voorzien – met de keuze voor levering ‘Ex works’ door CZT aanvaard is. Bovendien had CTZ, nu zij sinds 22 november 2012 eigenaar van de producten was, dit risico kunnen vermijden door zelf het vervoer van haar producten te organiseren.

4.21.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het beroep van BGL op het ten gunste van haar gevestigde pandrecht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, zodat het verweer faalt.

Conclusie

4.22.

De rechtbank komt tot de slotsom dat CZT de eigendom bezit van de producten, maar de producten bezwaard zijn met een pandrecht ten gunste van BGL ter hoogte van het bedrag van EUR 85.943,41. Reden waarom de rechtbank de vorderingen van CZT in conventie zal afwijzen en de vorderingen van BGL in reconventie zal toewijzen.

Kosten

4.23.

CZT zal als de in het ongelijk gestelde partij in zowel de conventie als de reconventie in de proceskosten worden veroordeeld. Wegens samenhang van de vorderingen worden de kosten aan de zijde van BGL begroot op:

- griffierecht € 589,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.377,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af;

in reconventie

5.2.

verklaart voor recht dat BGL een pandrecht heeft op de producten ter hoogte van het bedrag van EUR 85.943,41;

5.3.

heft op de voorlopige maatregel inhoudende het aan BGL opgelegde verbod om de producten ten bezwaren, te koop aan te bieden, te veilen of anderszins te laten vervreemden, zoals haar opgelegd door de voorzieningenrechter bij kortgedingvonnis van 29 mei 2013 van deze rechtbank;

5.4.

heft op de voorlopige maatregel inhoudende de dwangsom ad € 1.000,00 per dag met een maximum van € 100.000,00 in geval BGL overgaat tot bezwaring, verkoop, veiling of anderszins vervreemding van de producten, zoals haar opgelegd door de voorzieningenrechter bij kortgedingvonnis van 29 mei 2013 van deze rechtbank;

in conventie en reconventie

5.5.

veroordeelt CZT in de proceskosten, aan de zijde van BGL tot op heden begroot op € 2.377,00.

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Maarleveld en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2014.1

1 type: coll: