Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5339

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
15/820235-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol/binnen Nederland bewezen verklaard; medeplegen bewezen verklaard; strafoplegging; rekening houden met directe bekentenis en de persoonlijke omstandigheden gelet op reclasseringsrapportage; deels voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf; bijzondere voorwaarden.

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het door Reclassering Nederland in de persoon van [reclasseringswerker], reclasseringswerker, uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 25 april 2014, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2,14 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De rechtbank zal in beginsel aansluiting zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd.

Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat verdachte blijkens een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 27 februari 2014 niet eerder ter zake van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit dan wel enig ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte door haar directe bekentenis en houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van haar handelen in te zien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de zeer jeugdige, zeer naïeve en beïnvloedbare verdachte grond is gelegen af te wijken van de straf zoals die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd en welke (duur van de straf) tevens door de officier van justitie bij requisitoir is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met en begeleiding door Stichting Reclassering Nederland noodzakelijk. Een dergelijke voorwaarde met verplichtingen van die strekking zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Tevens acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren passend en geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820235-14

Uitspraakdatum: 28 mei 2014

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 mei 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. B. Schenk en van wat verdachte en haar raadsman, mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 26 februari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat het aan verdachte ten laste gelegde bestanddeel medeplegen niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken. Indien de rechtbank dit verweer zal volgen heeft de raadsman zich ten aanzien van de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 29 januari 2014 stuurt medeverdachte (hierna ook: [medeverdachte]) een aantal Whatsapp berichten naar [betrokkene 1] (hierna ook: [betrokkene 1]) waarin zij hem vraagt hem te appen als hij wakker is: “Om te vliegen met mij (…) ik wil geld make.” [betrokkene 1] vraagt haar: “die ding voor 9dage.” [medeverdachte] vraagt: “zo kort”, waarop [betrokkene 1] haar appt dat dit laatst toch ook zo was. [medeverdachte] antwoordt hem: “Jij zei 2 weke”. Hierop antwoordt [betrokkene 1]: “ik ga naam regele” en later: “Hb je app gegeve ze gaat je appe.” [medeverdachte] vraagt daarop aan [betrokkene 1] wie haar gaat appen. [betrokkene 1] antwoordt haar “die meid”. [medeverdachte] vraagt hem hoe ze heet en [betrokkene 1] geeft haar zeer kort daarna door: “leg haar alles uit” en de naam ‘[bijnaam verdachte]’. Hierop vraagt [medeverdachte] aan [betrokkene 1]: “ze weet ervan tog”. [betrokkene 1] zegt: “ja maar noe wie meegaat” en kort daarna: “zeg gewoon persoo.lijk” en “niet over tel”. [medeverdachte] geeft hem kort daarna door dat [bijnaam verdachte] haar net appt en dat zij voor morgen met haar afspreekt. Hierop geeft [betrokkene 1] haar mee: “Kijk wel met hotel.”2 Het eerste vastgestelde telefonisch contact tussen [medeverdachte] en verdachte vindt plaats op 30 januari 2014.3 Op 30 januari 2014 vindt er andermaal Whatsapp contact tussen [medeverdachte] en [betrokkene 1] plaats. [medeverdachte] vraagt hem: “wat moet ik uitleggen net als bij die gozer” en “ze weet wat ze doet tog.” [betrokkene 1] bevestigt dit en vraagt haar of ze haar nog gaat zien, waarop [medeverdachte] hem antwoordt dat ze op dat moment met haar kinderen thuis met reisgenoot [bijnaam verdachte] zit te praten. Hierop geeft [medeverdachte] aan [betrokkene 1] door dat alles is geregeld.4 [verdachte] heeft aangegeven dat zij weleens bij [medeverdachte] thuis is geweest om over Curaçao te praten.5

Op 3 februari 2014 wordt op de website van Arke op naam van [verdachte] - wonende te [adres], telefoonnummer [telefoonnummer] - een reis naar Curaçao voor de duur van 9 dagen geboekt met vertrekdatum 18 februari 2014, vluchtnummer OR 365, en retourdatum 26 februari 2014, vluchtnummer OR 366. Het opgegeven adres en telefoonnummer blijken echter van [medeverdachte] te zijn. Het betreft een boeking voor twee personen genaamd [verdachte] en [medeverdachte] inclusief verblijf op een tweepersoonskamer in het Trupial Inn te Willemstad (Curaçao)6 ten bedrage van € 1.900,50 welke is voldaan middels IDEAL met een rekeningnummer op naam gesteld van [medeverdachte].7 [verdachte] heeft haar deel van de reissom, die zij eerder had gekregen, weer aan [medeverdachte] gegeven.8

Op 18 februari 2014 worden [verdachte] en [medeverdachte] door [betrokkene 1] naar de luchthaven Schiphol gebracht.9 Op de camerabeelden van Schiphol wordt vervolgens om 07:37 uur waargenomen dat [verdachte] en [medeverdachte] Vertrekhal 3 van de luchthaven betreden waarna [medeverdachte] voor [verdachte] uitloopt richting incheckbalie 18 en/of 19. Om 08:05 uur wordt waargenomen dat [medeverdachte] weer voor [verdachte] uitloopt richting de paspoortcontrole in Vertrekhal 3.10 Een dag later op 19 februari 2014 vertrekt [betrokkene 1] zelf vanaf de luchthaven Schiphol ook naar Curaçao11 alwaar [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 1] elkaar hebben ontmoet.12

Op 21 februari 2014 hebben [medeverdachte] en [betrokkene 1] weer contact met elkaar via Whatsapp. [medeverdachte] vraagt hem: “Hoeveel geld mag ze bestede.” [betrokkene 1] antwoordt haar: “Ze heeft 500gulde totaal.”13 [medeverdachte] heeft [verdachte], vervolgens namens [betrokkene 1], 500 ANG gegeven.14

Naar aanleiding van de grote toevoer van verdovende middelen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, vanuit diverse risicolanden, waaronder Curaçao, werd op woensdag 26 februari 2014 door de Douane een verscherpte controle uitgevoerd op vlucht OR 366 komende vanuit Curaçao. Een selectie had tot gevolg dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte], voor verdere controle werden overgebracht naar een visitatieruimte. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] verklaarden tijdens de controle dat zij samen voor vakantie naar Curaçao zijn afgereisd.15 [medeverdachte] is vervolgens aan een lijfsvisitatie zonder ontkleding onderworpen en tevens is haar ruimbagage onderzocht. Hierbij werd niets ter zake dienende aangetroffen. Vervolgens is [verdachte] aan een lijfsvisitatie zonder ontkleding onderworpen. Daarbij werd gevoeld dat zij ter hoogte van haar middel een korset droeg. Vervolgens is haar gevraagd of er misschien iets in het korset zou zitten, waarop [verdachte] bevestigend antwoordde en haar de cautie is gegeven. Nadat het korset van haar lichaam is verwijderd is de hierin aangetroffen witte substantie getest, waarna werd aangenomen dat de geteste stof vermoedelijk cocaïne betrof. Hierop zijn [verdachte] en [medeverdachte] aanhouden.16 In het door [verdachte] gedragen korset zijn vier (4) sealbags aangetroffen met daarin een witkleurige pasta-achtige substantie waarna monsters hiervan ter analyse en ter bepaling van het nettogewicht naar het NFI zijn verzonden.17 Uit onderzoek van het NFI is gebleken dat de geteste stof cocaïne betrof en het netto drooggewicht 2,14 kilogram bedroeg.18

Na de aanhouding van [verdachte] en [medeverdachte] verklaarde laatstgenoemde dat zij en [verdachte] zouden worden opgehaald door een neef van haar vriend [betrokkene 1] die zich in de aankomsthal van de luchthaven zou bevinden. Hierop heeft zij een foto en het telefoonnummer van voornoemde neef verstrekt. Op de beelden van de CTR camera’s in aankomsthal 4 van de luchthaven waar de passagiers van vlucht OR 366 vanuit Curaçao zouden aankomen werd gezien dat een persoon - welke achteraf bleek te zijn genaamd (hierna: [betrokkene 2]) geboren op 10 september 1991 te Spijkenisse - telkens kortstondig een telefoon aan zijn oor hield waarop de telefoon van [medeverdachte] telkens overging. Op het scherm van de telefoon van [medeverdachte] was op dat moment de naam ‘[voornaam betrokkene 2]’ zichtbaar. Toen [betrokkene 2] de luchthaven wilde verlaten is hij aangehouden. [betrokkene 2] was in het bezit van autosleutels van het merk Volkswagen en een parkeerkaart van de luchthaven Schiphol. Tevens verklaarde hij bij zijn aanhouding dat hij een vriendin genaamd [medeverdachte] kwam ophalen, dat deze een ex van zijn neef is en dat zijn neef hem had gevraagd haar op te halen19 bij welke verklaring hij is gebleven.20 In de auto waarmee [betrokkene 2] naar de luchthaven was gekomen, welke feitelijk in gebruik is bij zijn neef [betrokkene 1]21, is een geldbedrag van € 5.000,- aangetroffen.22

Uit onderzoek naar de telecommunicatie(middelen) van [verdachte] en [medeverdachte] is gebleken dat het telefoonnummer van [medeverdachte] als contact staat opgeslagen in de telefoon van [verdachte].23 Voorts is in de telefoon van [verdachte] een foto gevonden welke is genomen in de periode dat zij zich op Curaçao bevond en waarop [verdachte], [medeverdachte] en [betrokkene 1] staan afgebeeld.24 Het nummer van [betrokkene 1] staat voorts in de telefoon van [medeverdachte] opslagen als ‘Kk lul’.25 Dat zelfde nummer staat als ‘Broer 2’ opgeslagen in de telefoon van [betrokkene 2]. Daarnaast hebben [medeverdachte] en [betrokkene 2] elkaars telefoonnummer ook in hun telefoon als contact opgeslagen.26 [betrokkene 2] heeft tussen 24 februari 2014 en 26 februari 2014 meerdere app-contacten met ‘Broer 2’, waarin zij spreken over het ophalen van het meisje ‘[afkorting voornaam medeverdachte]’ van ‘Broer 2’. Op de dag van aankomst hebben [medeverdachte] en [betrokkene 2] meerdere telefonische contacten.27

[medeverdachte] heeft verklaard dat zij met [verdachte], die zij ook ‘[bijnaam verdachte]’ noemt, op vakantie naar Curaçao is geweest. Zij hadden beiden een moeilijke tijd achter de rug en wilden er even tussenuit. Voorts was de ex vriend van [medeverdachte] genaamd [betrokkene 1] ook op Curaçao en wilde zij haar relatie proberen te redden. Eind januari 2014 besloten [medeverdachte] en [verdachte] samen om naar Curaçao te gaan. Het doel van hun reis was vakantie en het idee kwam van hen beiden. [verdachte] gaf haar € 900,- waarna [medeverdachte] op 3 februari 2014 via internet de reis heeft geboekt en via IDEAL met haar bankrekening heeft betaald. Zij heeft de naam van [verdachte] als eerste ingevuld waardoor de boeking op diens naam kwam te staan. Vervolgens zijn zij door [betrokkene 1] naar Schiphol gebracht. Op Curaçao heeft zij zowel met [betrokkene 1] alleen als met [betrokkene 1] en [verdachte] samen tijd doorgebracht. Volgens [medeverdachte] gaan de Whatsapp gesprekken met [betrokkene 1] waar men spreekt over ‘geld maken’ en ‘zaken’ over Curaçao en de muziekband van [betrokkene 1]. [verdachte] had op Curaçao niet voldoende geld en toen heeft [betrokkene 1] haar 500 Antilliaanse guldens geleend. Na terugkomst in Nederland zou een neef van [betrokkene 1] genaamd Rushmaine [betrokkene 2] hen beiden ophalen. [betrokkene 1] had namelijk aangeboden dat [verdachte] ook met hen mee kon rijden. [medeverdachte] zegt niets te weten van de onder [verdachte] aangetroffen cocaïne.28

[verdachte] heeft verklaard dat zij in Nederland naar aanleiding van haar persoonlijke problemen door een neger genaamd ‘Junes’ is benaderd om drugs vanuit Curaçao naar Nederland te smokkelen en daarmee kon zij € 5.000,- verdienen. Het werd haar als een paradijs voorgesteld en het zou niet mis kunnen gaan. Zij zou voor 9 dagen op vakantie gaan waarna zij de drugs mee zou nemen en zij op Schiphol zou worden opgehaald en direct haar geld zou krijgen. Hierop heeft zij haar telefoonnummer aan ‘Junes’ afgegeven en daarna ging het heel snel. Ook had ‘Junes’ haar verteld dat zij met [medeverdachte] zou reizen, welke zij nog niet kende en tevens ook haar tickets had. Van Junes had zij geld voor een paspoort en voor het ticket gekregen. Dit geld heeft zij aan [medeverdachte] gegeven die de reis heeft geboekt. Volgens [verdachte] is zij weleens bij [medeverdachte] thuis geweest om over Curaçao te praten. Op Schiphol liep zij achter [medeverdachte] aan en hebben zij ingecheckt. Op Curaçao zijn zij samen naar het hotel gegaan en hebben zij weleens wat samen gedaan. Ook heeft zij aldaar de vriend van [medeverdachte] genaamd [betrokkene 1] ontmoet. Deze heeft hen op Curaçao ook weer naar het vliegveld gebracht voor de terugvlucht. Op de dag van vertrek vanuit Curaçao naar Nederland heeft zij een korset gehad welke zij in de wc van het hotel heeft omgedaan. Haar was verteld dat er drugs in het korset zou zitten. Zij weet niet of [medeverdachte] wist dat zij cocaïne bij zich had.29 Zowel ten overstaan van de rechter-commissaris als ter terechtzitting is [verdachte] bij die verklaring gebleven.3031

3.4. Bewijsoverweging

Door de raadsman van verdachte is vrijspraak van het bestanddeel “medeplegen” van de invoer van cocaïne bepleit nu uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daaromtrent dat voor de bewezenverklaring van medeplegen sprake dient te zijn van wettig en overtuigend bewijs met betrekking tot opzet op de invoer van cocaïne en opzet op een nauwe en bewuste samenwerking daartoe. Dat in het onderhavige geval sprake is van ‘dubbel’ opzet leidt de rechtbank af uit het volgende.

Uit de verklaringen van [verdachte] volgt dat [medeverdachte] een begeleidende rol heeft gehad bij de onderhavige reis. Echter anders dan de raadsman betoogt, is de rechtbank van oordeel dat deze rol zich niet beperkt tot het begeleiden van [verdachte] tijdens een vakantiereis. Uit het samenstel van feiten en omstandigheden volgt dat [medeverdachte] de opzet had om [verdachte] te begeleiden tijdens het maken een drugsreis.

Uit de Whatsapp gesprekken tussen [medeverdachte] en [betrokkene 1] blijkt dat het initiatief voor de reis bij hem ligt en [medeverdachte] geld wil verdienen. Op instructie van [betrokkene 1] moet [medeverdachte] de reis regelen waarop zij hem naar haar reisgenoot vraagt en [betrokkene 1] haar doorgeeft dat hij een naam zal regelen hetgeen hij ook doet nu hij [medeverdachte] de naam ‘[bijnaam verdachte]’ doorgeeft. Dit strookt naar het oordeel van de rechtbank met de verklaring van [verdachte] dat zij in Nederland is benaderd om vanuit Curaçao drugs naar Nederland te gaan smokkelen en zij daar een beloning van € 5.000,- voor zou krijgen. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben verklaard dat [verdachte] door hen ‘[bijnaam verdachte]’ wordt genoemd. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] op het moment dat zij de instructies krijgt om de reis te gaan regelen nog geen frequent contact heeft met [verdachte], hetgeen bevestigd wordt door de analyse van de telecomgegevens. Een en ander strookt niet met de verklaring van [medeverdachte] over haar reisdoel, namelijk dat zij samen met [verdachte] zou hebben besloten om op vakantie te gaan. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verklaringen die [medeverdachte] over haar reisdoel heeft afgelegd wisselend zijn en niet consistent – naast vakantie ook werken aan haar relatie met [betrokkene 1] –, en de rechtbank acht deze verklaringen van [medeverdachte] dan ook ongeloofwaardig. Nu [verdachte] heeft verklaard dat het enkel om een drugsreis ging en dat zij hiervan al in Nederland op de hoogte was, kan het naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet anders zijn dat beide verdachten al voorafgaand aan de reis in Nederland het doel hadden om door middel van [verdachte] als koerier drugs naar Nederland te gaan smokkelen vanuit Curaçao. Dit wordt ook bevestigd door het feit dat er tijdens het verblijf op Curaçao een Whatsapp gesprek tussen [medeverdachte] en [betrokkene 1] plaatsvindt waarbij [medeverdachte] aan [betrokkene 1] vraagt hoeveel geld [verdachte] heeft te besteden. [betrokkene 1] zegt hierop tegen haar: “Ze heeft 500gulde totaal.” Kennelijk krijgt [medeverdachte] hiermee weer een instructie van [betrokkene 1]. Zowel [verdachte] als [medeverdachte] hebben hierover verklaard dat [verdachte] op Curaçao weliswaar 500 Antilliaanse guldens van [medeverdachte] heeft gekregen, maar dat dit een lening betrof. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de inhoud van de Whatsapp berichten echter in ieder geval af te leiden dat van een ‘normale’ vriendinnenrelatie geen sprake is, nu in een dergelijk geval niet valt te verklaren waarom [medeverdachte] aan [betrokkene 1] zou moeten vragen hoeveel geld zij aan [verdachte] mocht uitlenen. Vervolgens komen [verdachte] en [medeverdachte] op de luchthaven Schiphol aan, wordt bij [verdachte] een hoeveelheid cocaïne aangetroffen en blijkt dat zij zouden worden opgehaald door een neef van [betrokkene 1], genaamd [betrokkene 2]. Zowel [medeverdachte] als [betrokkene 1] hebben vooraf telefonisch contact met [betrokkene 2]. [betrokkene 2] bevestigt dit ook en blijkt naar de luchthaven te zijn gekomen met een auto die normaliter in gebruik is bij [betrokkene 1] en waarin een envelop met € 5.000,- is aangetroffen, hetgeen strookt met de verklaring van [verdachte] dat zij in Nederland zou worden opgehaald en direct na aankomst de haar beloofde € 5.000,- overhandigd zou krijgen.

Aldus acht de rechtbank gelet op het samenstel van feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd wettig en overtuigend bewezen dat de door [verdachte] en [medeverdachte] tezamen en in vereniging verrichte handelingen betrekking hebben gehad op de invoer in Nederland van 2,14 kilogram cocaïne op 26 februari 2014 via de luchthaven Schiphol. Blijkens de hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden zijn [verdachte] en [medeverdachte] op instructies van [betrokkene 1] samen op reis zijn gegaan om ‘geld te maken’ waarbij [verdachte] als koerier een korset voorzien van cocaïne mee zou gaan nemen en [medeverdachte] haar daarbij zou gaan begeleiden dan wel als haar oppasser op zou gaan treden waarbij de reis door [medeverdachte] en [betrokkene 1] zijn voorbereid en de neef van [betrokkene 1] hen bij terugkomst op Schiphol zou ophalen en [verdachte] direct haar beloning van € 5.000,- zou gaan ontvangen.

3.5. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 26 februari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden, waarvan een gedeelte groot tien (10) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, met aftrek van tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, onder de bijzondere voorwaarde dat zij zich zal houden aan een meldplicht bij de reclassering.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich in het kader van de strafoplegging op het standpunt gesteld, dat aan verdachte een fors lagere straf dient te worden opgelegd dan zoals die door de officier van justitie is geëist. Volgens de raadsman zijn in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat zij een ‘first offender’ betreft grond gelegen om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel de duur van vier (4) maanden niet te boven zal gaan, onder de bijzondere voorwaarde van een meldplicht, zodat verdachte zich kan bewijzen. Tevens heeft de raadsman, hoewel hij zich beseft dat een taakstraf wellicht niet op zijn plaats is, verzocht om daarnaast een taakstraf in de vorm van het verrichten van onbetaalde arbeid op te leggen, nu uit het reclasseringsadvies blijkt dat verdachte gemotiveerd is om een werkstraf uit te voeren.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het door Reclassering Nederland in de persoon van [reclasseringswerker], reclasseringswerker, uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 25 april 2014, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 2,14 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De rechtbank zal in beginsel aansluiting zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd.

Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank allereerst in aanmerking dat verdachte blijkens een haar betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 27 februari 2014 niet eerder ter zake van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit dan wel enig ander strafbaar feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest. Daarnaast heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte door haar directe bekentenis en houding ter terechtzitting ervan blijk heeft gegeven het laakbare van haar handelen in te zien.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat in de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de zeer jeugdige, zeer naïeve en beïnvloedbare verdachte grond is gelegen af te wijken van de straf zoals die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd en welke (duur van de straf) tevens door de officier van justitie bij requisitoir is geëist.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met en begeleiding door Stichting Reclassering Nederland noodzakelijk. Een dergelijke voorwaarde met verplichtingen van die strekking zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Tevens acht de rechtbank de oplegging van een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren passend en geboden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot ZES (6) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van DRIE (3) JAREN;

stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd van drie (3) jaren bij Reclassering Nederland zal melden en zich zal blijven melden bij de reclassering zo frequent en zolang als deze dit noodzakelijk acht;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Haarlem noodzakelijk oordeelt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van TWEEHONDERDVEERTIG (240) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door HONDERDTWINTIG (120) DAGEN hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. S.M. Christiaan en mr. D.G.M. van den Hoogen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van woensdag 28 mei 2014.

Mr. D.G.M. van den Hoogen en mr. S.V. Ramdharie zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 22 april 2014 (dossierparagraaf 4.2.4).

3 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 14 april 2014 (dossierparagraaf 4.4.0)

4 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 22 april 2014 (dossierparagraaf 4.2.4).

5 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6).

6 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 maart 2014 (dossierparagraaf 2.2.5).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 maart 2014 (dossierparagraaf 2.2.4).

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 1.2.6).

9 Het proces-verbaal analyse historische gegevens telecom d.d. 14 april 2014 (dossierparagraaf 4.4.0) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

10 Het proces-verbaal onderzoek camerabeelden 18 februari 2014 d.d. 6 maart 2014 (dossierparagraaf 2.2.3).

11 Het proces-verbaal analyse historische gegevens telecom d.d. 14 april 2014 en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

13 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 22 april 2014 (dossierparagraaf 4.2.4).

14 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

15 Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 26 februari 2014 (dossierparagraaf 1.1.1) en het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte] d.d. 26 februari 2014 (dossierparagraaf 1.2.1).

16 Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] d.d. 26 februari 2014 (dossierparagraaf 1.1.1) en het proces-verbaal van aanhouding verdachte [medeverdachte] d.d. 26 februari 2014 (dossierparagraaf 1.2.1).

17 Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 2.1.3).

18 Een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het NFI d.d. 12 maart 2014, zaaknummer 2014.03.03.002 (los opgenomen).

19 Het proces-verbaal d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 1.2.2), het proces-verbaal van aanhouding van verdachte [betrokkene 2] d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 1.3.1) en het proces-verbaal onderzoek camerabeelden 26 februari 2014 d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 2.3.5).

20 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 2] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.3.7).

21 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [betrokkene 2] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.3.7) en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] d.d. 10 maart 2014 (dossierparagraaf 3.0).

22 Het proces-verbaal d.d. 26 februari 2014 (dossierparagraaf 2.3.1) en het proces-verbaal afhandeling inbeslagname [betrokkene 2] d.d. 26 april 2014 (dossierparagraaf 2.3.6).

23 Het proces-verbaal onderzoek GSM-telefoon d.d. 6 maart 2014 (dossierparagraaf 4.1.1).

24 Het proces-verbaal d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 4.1.2) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6).

25 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 22 april 2014 (dossierparagraaf 4.2.4) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

26 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 4.2.1).

27 Het proces-verbaal analyse telecom d.d. 22 april 2014 (dossierparagraaf 4.2.4) en het proces-verbaal van analyse telecom d.d. 9 maart 2014 (dossierparagraaf 4.2.3.).

28 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 1.2.6) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.2.7).

29 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 27 februari 2014 (dossierparagraaf 1.1.5) en het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 7 maart 2014 (dossierparagraaf 1.1.6).

30 Het verhoor van verdachte [verdachte] ten overstaan van de RC op 28 februari 2014 (los opgenomen).

31 De verklaring van verdachte [verdachte] afgelegd ter terechtzitting van 16 mei 2014.