Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5338

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
15/743503-13 + 15/703217-13 (ttz gev.) + 14/810158-12 (tul) (P)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling terzake mishandeling minderjarig stiefkind door het toebrengen van brandwonden. Daarnaast veroordeling voor een reeks vermogensdelicten (woninginbraken, heling en verduistering)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/743503-13 + 15/703217-13 (ttz gev.) + 14/810158-12 (tul) (P)

Uitspraakdatum: 10 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 februari 2014 en 27 mei 2014 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] ( Marokko),

zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in PI Noord Holland Noord - HvB Zwaag.

De politierechter heeft de zaak met het parketnummer 15/703217-13 op 9 januari 2014 naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht op de zitting van 28 februari 2014 gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. A.N. Verlinden, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van hetgeen door gemachtigde namens de benadeelde partijen J. [benadeelde 1] en[benadeelde 2], mr. L.J.P. Mentink, naar voren is gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 15/703217-13 en in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder feit 4 en 10 ten laste gelegd dat:

15/703217-13

Primair

hij op of omstreeks 12 juni 2013 te Heerhugowaard ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [benadeelde 1] , verdachtes levensgezel, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde 1] (met kracht) met haar hoofd tegen de muur heeft geslagen en/of meermalen de keel heeft dichtgeknepen en/of een kussen op/tegen haar hoofd heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 12 juni 2013 te Heerhugowaard opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1] , verdachtes levensgezel), (met kracht) met haar hoofd tegen de muur heeft geslagen en/of meermalen de keel heeft dichtgeknepen en/of een kussen op/tegen haar hoofd heeft gehouden en/of meermalen tegen het lichaam heeft geschopt en/of het stevig en met kracht vastgrijpen van de armen van die [benadeelde 1], waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

15/743503-13

Feit 1:

Primair

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 13 september 2013 tot en met 14 september 2013 te Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 1]) heeft weggenomen een (flatscreen)televisie (merk (JVC) en/of meerdere althans een siera(a)d(en te weten een (gouden) ketting (met ingegraveerde foto van kinderen) en/of een (gouden) hanger (Hugenoten kruis) en/of een (zilveren) armband (zilveren centenarmband) en/of een (zilveren) hanger (roos), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 2:

hij op of omstreeks 03 oktober 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de[adres 2]) heeft weggenomen meerdere althans een siera(a)d(en) te weten oorbellen en/of horloges en/of ketting(en) en/of (trouw)ring(en) en/of armband(en) en/of hanger(s) en/of dasspeld(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 3:

hij op of omstreeks 29 oktober 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de[adres 3]) heeft weggenomen meerdere althans een (spel)computer(s) (wii/ Nintendo 3DS) en/of film/fotocamera(s) en/of zonnebril(len)(merk Prada/ Ralph Lauren/ Roberto Cavallie/Armani) en/of een geldbedrag (454,55 euro (uit onder andere de spaarpotten van de kinderen) en/of Ipod(s)(mini) en/of (mobiele) telefoon(s) (Samsung/Nokia) en/of siera(a)d(en) en/of een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan[benadeelde 5] en/of Woonwaard, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij

verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 4:

Primair

dat hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 9 augustus 2013 in de gemeente

Heerhugowaard aan een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin,

althans een persoon, te weten[benadeelde 2] (geboren op [geboortedatum 2]), (telkens)

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten tweedegraads brandwonden in de

schaamstreek en/of op het bovenbeen heeft toegebracht, door (telkens) opzettelijk niet de

vereiste zorgvuldigheid en/of zorgplicht te betrachten jegens die [benadeelde 1], en/of op één of

meerdere momenten een heet voorwerp tegen de schaamstreek en/of het bovenbeen van

die [benadeelde 1] te brengen en/of te houden dan wel in elk geval de schaamstreek en/of het

bovenbeen van die [benadeelde 1] in contact te brengen met een heet voorwerp, zodat door zijn toedoen op één of meerdere momenten (telkens) (vergelijkbaar) zwaar lichamelijk letsel is ontstaan;

Subsidiair

dat hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 9 augustus 2013 in de gemeente

Heerhugowaard (telkens) opzettelijk mishandelend een kind dat hij verzorgde of

opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans een persoon, te weten[benadeelde 2]

(geboren op [geboortedatum 2]), tweedegraads brandwonden in de schaamstreek en/of op het

bovenbeen heeft toegebracht, door (telkens) opzettelijk niet de vereiste zorgvuldigheid en/of zorgplicht te betrachten jegens die [benadeelde 1], en/of op één of meerdere momenten een heet voorwerp tegen de schaamstreek en/of het bovenbeen van die [benadeelde 1] te brengen en/of te houden dan wel in elk geval de schaamstreek en/of het bovenbeen van die [benadeelde 1] in contact te brengen met een heet voorwerp, zodat door zijn toedoen op één of meerdere momenten (telkens) (vergelijkbaar) lichamelijk letsel is ontstaan;

Meer subsidiair

dat hij op één of meerdere tijdstippen op of omstreeks 9 augustus 2013 in de gemeente

Heerhugowaard (telkens) grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig is geweest door (telkens) niet de vereiste zorgvuldigheid en/of zorgplicht te betrachten jegens die [benadeelde 1], en/of op één of meerdere momenten een heet voorwerp tegen de schaamstreek en/of het bovenbeen van die [benadeelde 1] te brengen en/of te houden dan wel in elk geval de schaamstreek en/of het bovenbeen van die [benadeelde 1] in contact te brengen met een heet voorwerp, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat op één of meerdere momenten die [benadeelde 1] (telkens) (vergelijkbaar) zwaar lichamelijk letsel, te weten tweedegraads brandwonden in de schaamstreek en/of op het bovenbeen, heeft bekomen;

Feit 5:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode 8 november 2013 tot en met 27 november 2013 te Heerhugowaard (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in/uit een woning (gelegen aan de [adres 4]) heeft weggenomen onder andere een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of

de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming

en/of

in/uit een woning (gelegen aan de[adres 5]) heeft weggenomen onder andere sieraden en/of een fles parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Feit 6:

Primair

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan [adres 6]) heeft weggenomen onder andere een mobiele telefoon (Samsung Galaxy) en/of een laptop en/of een fotocamera, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn

bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 26 oktober 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, (een) telefoon (Samsung Galaxy) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij (telkens) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 7:

Primair

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 2 november 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 7]) heeft weggenomen onder andere (sport)schoenen (merk Nike) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 9], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, een paar schoenen (merk Nike) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde schoenen wist, althans redelijkerwijze had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 8

Primair

hij op of omstreeks 2 november 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 8]) heeft weggenomen onder andere een mobiele telefoon (merk HTC), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 10], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 2 november 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, een telefoon (merk HTC) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde telefoon wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 9:

Primair

hij op of omstreeks 30 september 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de [adres 9]) heeft weggenomen onder andere een auto (merk Volvo en/of kenteken [kenteken]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 11], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode 30 september 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, een auto (merk Volvo en/of kenteken [kenteken]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die auto wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Feit 10:

Primair

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 13 september 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard opzettelijk een laptop, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 12], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als ontvanger/verkrijger van een postpakket (met daarop de geadresseerde [benadeelde 12]), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair

dat hij in of omstreeks de periode van 18 oktober 2013 tot en met 16 november 2013 in

de gemeente Heerhugowaard, althans in Nederland, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een laptop, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 12], althans aan een ander dan aan verdachte.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 15/703217-13 primair ten laste gelegde feit en van de in de zaak met parketnummer 15/743503-13 ten laste gelegde feiten onder 4 primair, 8 primair en subsidiair, 9 primair en subsidiair en 10 primair.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 15/703217-13 subsidiair ten laste gelegde en van het in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 1 primair, 2, 3, 4 subsidiair, 5, 6 primair, 7 primair en 10 subsidiair ten laste gelegde.

3.2

Standpunt van de verdediging

15/703217-13:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De verklaring van de aangeefster [benadeelde 1] stemt niet overeen met de bij haar geconstateerde verwondingen. Volgens de raadsman is er een worsteling geweest tussen de verdachte en de aangeefster, waarbij de verdachte de aangeefster stevig bij de armen heeft vastgepakt. Van opzettelijke mishandeling is volgens de raadsman geen sprake.

15/743503-13, feit 1:

De raadsman stelt zich op standpunt dat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, nu uit de stukken niet het wettig bewijs kan worden geput. De getuige [getuige 2] heeft een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd en deze verklaring is niet in overeenstemming met de verklaring van de juwelier, de getuige [getuige 1]. Daarnaast voert de raadsman aan dat het signalement dat is gegeven door de getuige[getuige 3] niet overeenstemt met de fotoprints van de verdachte, afkomstig van de beveiligingscamera van juwelier [getuige 1].

15/743503-13, feit 2 en 3:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat deze feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

15/743503-13, feit 4:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft aangevoerd dat voor alle bij [benadeelde 2] [benadeelde 1] vastgestelde letsels geldt dat nauwkeurige datering van het moment van het ontstaan van deze verwondingen niet mogelijk is. De aangeefster [benadeelde 1] heeft steeds wisselende verklaringen afgelegd.

15/743503-13, feit 5:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van zowel de inbraak in de woning aan de [adres 4] te Heerhugowaard als de inbraak in de woning aan de[adres 5] in Heerhugowaard, nu het bewijs niet is geleverd.

Hiertoe voert hij aan dat het in de woning aan de [adres 4] aangetroffen schoenspoor niet heeft geleid tot de conclusie dat dit spoor is veroorzaakt met de schoenen die de verdachte bij zijn aanhouding aan had. Bovendien heeft de verdachte deze schoenen een paar dagen voor zijn aanhouding had gekregen van ene Jonathan, aldus de raadsman.

Ten aanzien van de inbraak aan de[adres 5] in Heerhugowaard stelt de raadsman zich op het standpunt dat het aantreffen van het DNA van de verdachte op een fles in de tuin van de[adres 5] niet het wettig en overtuigend bewijs oplevert dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de inbraak aldaar in de woning.

15/743503-13, feit 6:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde inbraak, nu het wettig en overtuigend bewijs voor deze inbraak niet is geleverd. De raadsman voert aan dat een op de plaats van het delict aangetroffen schoenspoor de verdachte niet linkt aan deze zaak., aangezien de verklaring van de getuige [getuige 4], inhoudende dat de in zijn woning aangetroffen Nike schoenen van verdachte zouden zijn, niet betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De getuige [getuige 4] is de afgelopen vijf jaar meermalen veroordeeld voor diefstallen en niet uitgesloten kan worden dat [getuige 4] deze inbraak zelf heeft gepleegd. Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat niet geconcludeerd kan worden dat de simkaart van de verdachte een minuut na het ontdekken van de inbraak op 26 oktober 2013 in de gestolen mobiele telefoon is gegaan, omdat in de aangifte wordt vermeld dat de inbraak tussen een bepaalde periode van enkele uren heeft plaatsgevonden.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling van de telefoon.

15/743503-13, feit 7:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman stelt hiertoe dat het wettig bewijs zou moeten volgen uit de verklaring van de getuige A. [getuige 4]. De raadsman voert aan dat de verklaring van de getuige [getuige 4], dat de in zijn woning aangetroffen Nike schoenen van verdachte zouden zijn, niet betrouwbaar is en niet voor het bewijs kan worden gebezigd. De getuige [getuige 4] is zelf de afgelopen vijf jaar meermalen veroordeeld voor diefstallen.

15/743503-13, feit 8:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde inbraak. De raadsman voert in zijn pleitnota aan dat de bij deze inbraak weggenomen HTC telefoon aangetroffen is in de hotelkamer waar de verdachte aanwezig was. De raadsman stelt dat naast de verdachte drie andere personen in deze motelkamer aanwezig waren en dat naar deze personen geen nader onderzoek is verricht. Het onderzoek heeft zich te zeer toegespitst op de persoon van verdachte.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde heling van de telefoon.

15/743503-13, feit 9:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde nu de aangifte niet wordt ondersteund door overig bewijs.

15/743503-13, feit 10:

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verduistering, nu het poststuk niet voor hem was bestemd en dat niet gezegd kan worden dat hij dit poststuk rechtmatig onder zich had.

De verdachte heeft de subsidiair ten laste gelegde diefstal bekend, aldus de raadsman.

3.3.

Vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte in de zaak met het parketnummer 15/703217-13 primair ten laste is gelegd. Er is naast de aangifte geen bewijs van poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van de feiten in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 6 primair, 8 primair en subsidiair, 9 primair en subsidiair en onder 5 voorzover betreffend de inbraak in het perceel [adres 4] te Heerhugowaard is de rechtbank van oordeel dat de aangiften onvoldoende worden ondersteund door overige bewijsmiddelen.

Met betrekking tot feit 4 primair is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, als bedoeld in de wet, bij [benadeelde 2] [benadeelde 1]. Uit de rapportage van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 24 december 2013 volgt dat de brandwonden van [benadeelde 2] snel genezen en dat geen littekenvorming is te verwachten.

Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van deze feiten.

3.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 2, 3 en 10 primair ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

Ten aanzien van feit 2:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [benadeelde 13] d.d. 5 oktober 2013 + goederenbijlage (dossierpagina 114 tot en met 120);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch sporenonderzoek door verbalisant S. van de Kraat d.d. 3 oktober 2013 (dossierpagina 121 en 122);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van dactyloscopisch onderzoek door verbalisant E.D.L. de Jong d.d. 9 oktober 2013 (dossierpagina 124 en 125);

  • -

    een schriftelijk bescheid, te weten het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 28 oktober 2013 (dossierpagina 127 t/m 129).

Ten aanzien van feit 3:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van[benadeelde 5] d.d. 11 november 2013 + goederenbijlage (dossierpagina 130 t/m 134);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van forensisch opsporingsonderzoek door verbalisant P.C.G. Denneman d.d. 30 oktober 2013 (dossierpagina 135 en 136);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van dactyloscopisch onderzoek door verbalisant E.D.L. de Jong d.d. 9 oktober 2013 (dossierpagina 137).

Ten aanzien van feit 10 primair:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [benadeelde 12] d.d. 16 november 2013 (blz. 237 en 238)

In een nadere bewijsoverweging zal de rechtbank ingaan op het standpunt van de raadsman ten aanzien van de kwalificatie.

3.5.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt voorts tot bewezenverklaring van de in de zaak met parketnummer 15/703217-13 subsidiair en de in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 1, 4 subsidiair, 5 (inbraak[adres 5] te Heerhugowaard), 6 subsidiair en 7 primair ten laste gelegde feiten op grond van het volgende:

Ten aanzien van parketnummer 15/703217-13 subsidiair:

Op 13 juni 2013 heeft mevrouw [benadeelde 1] aangifte gedaan van mishandeling, gepleegd door de verdachte op 12 juni 2013 in de slaapkamer van haar woning aan de [adres 10] in Heerhugowaard. De aangeefster heeft verklaard dat de verdachte boos op haar werd nadat hij een oud emailbericht in haar telefoon had gelezen1.

De aangeefster is op 13 juni 2013 op het politiebureau onderzocht door de Forensisch Geneeskundige G.C.J. Vogel. Deze heeft bij de aangeefster onder meer bloeduitstortingen op haar rechter bovenarm, rechter schouder geconstateerd2.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat hij met [benadeelde 1] heeft liggen stoeien in haar bed. Hij heeft verklaard dat hij teleurgesteld was na het lezen van het bericht in haar telefoon antwoord van haar wilde en dat niet kreeg. Hij was teleurgesteld en heeft haar tijdens het stoeien bij de armen vastgegrepen3.

Op de terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat de blauwe plekken bij [benadeelde 1] door het stoeien zijn veroorzaakt4.

Ten aanzien van parketnummer 15/743503-13 feit 1:

Op 15 september 2013 doet [benadeelde 14] namens zijn ouders aangifte van inbraak in hun woning aan de [adres 1] te Heerhugowaard. Tijdens de aanwezigheid van de bewoners heeft de buurvrouw de woning in de gaten gehouden. Op 14 september 2013, tijdens het ontbijt, zag de buurvrouw dat de achterdeur van de woning aan de [adres 1] open stond. De buurvrouw is gaan kijken en zij zag dat het onderste raam van de voordeur was ingegooid.

[benadeelde 14] is ter plaatse gekomen en zag ook dat het onderste raam van de voordeur was ingegooid. In de woning lag een stuk border uit de voortuin. Hij zag dat in de woonkamer de televisie was weggenomen. De aangever [benadeelde 14] heeft gezien dat op de eerste en tweede verdieping van de woning alles overhoop lag en dat daar diverse sieraden zijn weggenomen, zoals een ketting met een gouden hartje met daarin geëtst drie kinderhoofden, een gouden hanger met Hugenotenkruisje, een zilveren centenarmband en een zilveren hanger met roos5.

De forensisch opsporingsambtenaar J. Borst heeft een onderzoek naar sporen verricht in en om de woning aan de [adres 1] te Heerhugowaard. Zij zag dat de onderste ruit van de voordeur was vernield en dat er scherven glas in de hal lagen. In de hal trof zij op de glasscherven een schoenspoor aan die gezet was door een persoon die door de opening in de ruit was geklommen6.

Op 8 oktober 2013 werd S. [getuige 1], juwelier aan de Middenweg in Heerhugowaard, als getuige gehoord. Hij verklaarde dat op vrijdagavond 13 september 2013 twee mannen bij hem in de winkel kwamen, één man met baard en één man zonder baard. De man met het baardje leverde de volgende gouden sieraden in:

  • -

    Een gouden 17-karaats zegelring

  • -

    Een gouden 14 karaats halssieraad in de vorm van een hartje, met daarop drie kinderhoofden geëtst;

  • -

    Een holle gouden armband zonder slot;

  • -

    Twee gouden halskettinkjes;

  • -

    Een gouden hugenotenkruisje.

De man met het baardje legitimeerde zich als [getuige 2] en heeft € 310,- voor de sieraden ontvangen. Bij deze man was nog een man van rond de 22 jaar oud met een licht getinte huidskleur. Aan de getuige zijn politiefoto’s getoond van [getuige 2] en [verdachte], verdachte. De getuige herkende beide personen. Ze kwamen samen binnen7.

Bij de inwisseling van de sieraden bij juwelier [getuige 1] zijn beide personen door de beveiligingscamera van de juwelier vastgelegd. De verbalisant M. Roskam heeft de prints van de beveiligingscamera bekeken en kreeg daarbij het vermoeden dat de persoon die zich niet had gelegitimeerd bij de juwelier betrof [verdachte], verdachte. De desbetreffende sieraden werden door de juwelier afgestaan ten behoeve van het onderzoek8.

Op 9 oktober 2013 werden de desbetreffende sieraden getoond aan de aangever [benadeelde 3]. Hij herkende het gouden hartje, het Hugenotenkruisje en de zegelring als eigendom van zijn ouders9.

[getuige 2] heeft verklaard dat op de dag dat hij met [verdachte] naar de juwelier is geweest, [verdachte] rond 19.00 uur bij hem thuis kwam. [verdachte] vroeg aan hem of hij even mee kon gaan en zei dat hij naar de Middenweg wilde. Volgens [getuige 2] waren zij niet met zijn auto omdat de benzine op was. Onderweg vroeg [verdachte] aan [getuige 2] of hij zijn paspoort mee had. Op ongeveer tweehonderd meter vanaf de goudwinkel zei [verdachte] dat hij daar naar binnen moest. [getuige 2] moest van [verdachte] zijn paspoort geven. [getuige 2] zag dat zij ongeveer 280 euro tot 300 euro kregen voor het goud kregen. [getuige 2] zag dat [verdachte] het geld pakte, naar buiten ging en wegrende10.

Nadat de verdachte werd geconfronteerd met de beelden van de beveiligingscamera van juwelier [getuige 1] heeft hij tegenover de politie verklaard dat hij met Dejan bij de juwelier mee naar binnen is gegaan en dat Dejan bij de juwelier sieraden heeft ingeleverd11.

De rechtbank komt op basis van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden tot de conclusie dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak en inklimming in de woning aan de [adres 1] in Heerhugowaard. De rechtbank acht niet bewezen dat de verdachte dit samen met een ander heeft gedaan.

Op vrijdagavond 13 september 2013, kort na de inbraak, werden de bij deze inbraak weggenomen sieraden ingeleverd door de verdachte en [getuige 2] bij juwelier [getuige 1] in Heerhugowaard.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte, dat hij niets te maken heeft met deze inbraak en dat hij tien minuten na [getuige 2] bij de juwelier naar binnen kwam, een leugenachtige verklaring is, die slechts ten doel had om de waarheid te bemantelen.

De verklaring van de verdachte komt niet overeen met de verklaring van de getuige [getuige 1], die beide mannen tegelijkertijd zijn zaak binnen ziet komen, waarvan ook beelden zijn vastgelegd door de beveiligingscamera.

Ten aanzien van parketnummer 15/743503-13 feit 4 subsidiair:

Op 10 augustus 2013 zijn de verbalisanten Hartman en Hobo naar het Rode Kruis Ziekenhuis in Beverwijk gegaan, nadat zij een melding had gekregen van een eerstehulparts van het ziekenhuis dat een tweejarig kind, genaamd [benadeelde 2] [benadeelde 1], was opgenomen met onverklaarbare brandwonden aan zijn genitaliën. In het ziekenhuis hebben de verbalisanten een gesprek gevoerd met de moeder van [benadeelde 2], [benadeelde 1] . Zij vertelde dat zij op 9 augustus 2013 omstreeks 08.30 uur van huis was gegaan en dat de stiefvader van [benadeelde 2], verdachte, op [benadeelde 2] zou passen. Diezelfde dag had zij telefonisch contact met verdachte die vertelde dat [benadeelde 2] zijn bed had ondergepoept en dat er een ongelukje was gebeurd, namelijk dat de balzak van [benadeelde 2] was weggeschroeid omdat de douchestraal te hard was geweest. Rond 13.15 uur is [benadeelde 1] thuisgekomen en zij schrok van de wonden die zij tussen de benen van [benadeelde 2] zag zitten.

De verbalisant Hobo heeft vervolgens telefonisch contact gehad met de dienstdoende kinderarts die de verbalisant meedeelde dat een deel van het scrotum van [benadeelde 2] tweedegraads brandwonden had opgelopen en dat er een kleine brandplek op het linkerbeen van [benadeelde 2] zat12.

Op 11 augustus 2013 doet [benadeelde 1] aangifte van zware mishandeling van haar zoon [benadeelde 2] [benadeelde 1], geboren op 18 juni 2011, gepleegd op 9 augustus 2013 tussen 08.30 uur en 13.50 uur in haar woning aan de [adres 10] in Heerhugowaard. De aangeefster is op 9 augustus 2013 om 08.30 uur uit haar woning vertrokken. Op weg naar huis, rond 13.24 uur, werd zij gebeld door verdachte die haar meedeelde dat de huid van [benadeelde 2] een beetje stuk was omdat de douchestraal te hard had gestaan. Nadat de aangeefster was thuis gekomen heeft zij de broek van [benadeelde 2] naar beneden gedaan en zag zij dat de balzak van [benadeelde 2] was weg geschrompeld en dat hij een plek had op zijn bovenbeen. De aangeefster heeft aangegeven dat bij haar doorvragen [benadeelde 2] heeft gezegd dat het met de douche gebeurd was. Diezelfde avond en de volgende ochtend heeft de aangeefster zelf foto’s gemaakt van het letsel van [benadeelde 2]. Toen [benadeelde 2] 6 maanden oud was kreeg aangeefster een relatie met verdachte. [benadeelde 2] weet niet beter dan dat verdachte zijn vader is13.

De verdachte heeft verklaard dat hij een relatie heeft met [benadeelde 1] en dat zij samen een kind hebben, [betrokkene]. [benadeelde 2] is een kind uit een eerdere relatie van [benadeelde 1]. Verdachte was thuis met de kinderen op de [adres 10] omdat [benadeelde 1] om 08.30 uur naar haar taakstraf ging. Verdachte heeft [benadeelde 2] in zijn badje gedaan. Daarna heeft verdachte gezien dat [benadeelde 2] verbrand was.[benadeelde 2] had een puntje op zijn been, het was rood bij zijn lies. Later, toen [benadeelde 1] er was zagen ze dat de balzak van [benadeelde 2] verschroeid was. Verdachte heeft [benadeelde 2] afgedroogd, een pamper aangedaan en [benadeelde 1] gebeld.14.

Op 11 augustus 2013 is[benadeelde 2] [benadeelde 1] onderzocht door de forensisch arts S. de Vries. Zij zag dat er bij [benadeelde 2] huidbeschadigingen zichtbaar waren links in de schaamstreek, op de penis, op het scrotum en aan de binnenzijde van het linker bovenbeen en dat er huidverkleuringen zichtbaar waren in de schaamstreek, op beide liezen en aan de binnenzijde van beide bovenbeen, alle passend bij brandwonden. Bij het ontbreken van een passend accidentele verklaring voor het ontstaan van de brandwonden en op basis van de plaats op het lichaam, het aantal en de vorm van de brandwonden, zijn die volgens de arts zeer verdacht voor een niet accidentele oorzaak15.

Op onderzoeksvragen van de rechter-commissaris heeft de forensisch arts S. de Vries geconcludeerd dat bij [benadeelde 2] brandwonden zijn vastgesteld links naast de penis (beginnend op de schaamheuvel en vanaf de voorzijde van de basis van de penis doorlopend over de gehele linker voorzijde van de balzak, scrotum, tot net over de middellijn op een gedeelte van de rechter voorzijde van de balzak), halverwege op de linkerzijde van de penis, halverwege op de achterzijde van de penis, aan de binnenzijde van het linker bovenbeen, in de rechter schaamtreek, alsmede meest waarschijnlijk ter hoogte van de linker lies, in de linker lies en aan de binnenzijde van het rechter bovenbeen. De brandwond rechts in de schaamstreek (en de huidverkleuringen ter hoogte van de linker lies) betreffen een verbranding met een heet voorwerp (contactverbranding).

De tweedegraads brandwond in het (ano-)genitaal gebied, de tweedegraads brandwond aan de binnenzijde van het linker bovenbeen en de brandwond rechts in de schaamstreek kunnen volgens de arts niet tijdens één moment van verbranding zijn ontstaan. Gelet op de grotendeels scherp begrensde brandwonden en de locaties van de brandwonden, waarbij tussenliggende huiddelen niet zijn aangedaan, moet tenminste sprake zijn geweest van drie momenten van verbranding.

Verbranding met de doucheslang kan volgens de forensisch arts mogelijk passend zijn bij de brandwond aan de binnenzijde van het linker bovenbeen. Geen van de door moeder en stiefvader gemelde toedrachten – te harde douchestraal, een hete douche, heet water uit de douche, een kop hete thee op de blote huid van [benadeelde 2], de doucheslang op de huid van het been – is echter passend bij het geheel van de bij [benadeelde 2] vastgestelde brandwonden.

Enkel een heetwaterverbranding vormt geen passende verklaring voor het geheel van de bij [benadeelde 2] vastgestelde brandwonden. Bij het ontbreken van een passende accidentele oorzaak is het geheel van de bij [benadeelde 2] geconstateerde brandwonden slechts te verklaren door een niet-accidentele oorzaak16.



Nadere bewijsoverweging:

Anders dan de raadsman van verdachte, die heeft bepleit dat een nauwkeurige datering van het moment van het ontstaan van de verwondingen bij [benadeelde 2] [benadeelde 1] niet is vast te stellen en dat wat de verdachte betreft de schuldvraag zal moeten worden neergelegd bij de moeder, is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde mishandeling van [benadeelde 2] [benadeelde 1] wettig en overtuigend is bewezen. Het staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de brandwonden van [benadeelde 2] zijn ontstaan op 9 augustus 2013 tussen 08.30 uur en 13.50 uur. In die tijd was de verdachte alleen thuis met zijn stiefkind [benadeelde 2] en zijn dochtertje [betrokkene], geboren op 17 oktober 2012. De rechtbank komt tot die conclusie omdat verdachte in zijn verklaring over brandwonden en letsel bij [benadeelde 2] spreekt na het moment waarop hij [benadeelde 2] in bad had gedaan in de periode waarin hij alleen met de kinderen thuis was. Bovendien blijkt uit voornoemde redengevende feiten en omstandigheden dat verdachte zijn toenmalige partner [benadeelde 1] rond 13.30 telefonisch heeft gesproken en heeft medegedeeld dat [benadeelde 2] letsel had opgelopen. Op het moment dat [benadeelde 1] terug kwam in de woning heeft zij vervolgens letsel bij haar zoontje geconstateerd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de verdachte, inhoudende dat de brandwonden zijn ontstaan als gevolg van een ongelukje met heet badwater doordat hij in de keuken de koude kraan heeft aangezet waardoor het water in het badje van [benadeelde 2] per ongeluk heet is geworden, niet overeenstemt met de bevindingen van het forensisch onderzoek. Op 15 januari 2014 werd door de forensisch opsporingsambtenaar P.C.G. Denneman een nader onderzoek ingesteld naar de temperatuur van het douchewater in het perceel [adres 10] in Heerhugowaard. Door hem werd via de mengkraan het uitstromende douchewater afgesteld op een temperatuur van 32 graden. Door een collega van Denneman werd vervolgens de koudwaterkraan in de keuken aangezet waarbij Denneman constateerde dat de kracht en de temperatuur van het uitstromende douchewater niet veranderde17. De rechtbank heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden voor de conclusie dat de warmwaterinstallatie in de woning tussen het moment van het ontstaan van de verwondingen en het moment van het forensisch onderzoek zou zijn aangepast.

De verklaring van de verdachte komt bovendien niet overeen met de bevindingen van de forensisch arts S. de Vries. In voornoemde rapportage concludeert dr. De Vries dat het geheel van de brandverwondingen bij [benadeelde 2] niet past bij contact met heet water, maar dat het letsel op drie momenten moet zijn ontstaan na contact met een heet voorwerp. De arts heeft de diverse in het dossier door verdachte en [benadeelde 1] genoemde scenario’s onderzocht en geconcludeerd dat geen van die toedrachten passen bij het totaal aan bij [benadeelde 2] geconstateerde brandwonden. Daarom wordt geconcludeerd dat deze brandwonden slechts zijn te verklaren door een niet-accidentele oorzaak. De rechtbank neemt deze conclusies over en is van oordeel dat, nu de verklaring van verdachte over een mogelijke toedracht niet met de bevindingen van de arts overeenkomt, het niet anders zijn dan dat de verdachte degene is geweest die op 9 augustus 2013 opzettelijk letsel aan de schaamstreek en het bovenbeen van [benadeelde 2] heeft toegebracht.

Ten aanzien van parketnummer 15/743503-13 feit 5 ([adres 5] Heerhugowaard):

Op 11 november 2013 heeft [benadeelde 7] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning aan de[adres 5] in Heerhugowaard. Op 8 november 2013 te 14.00 uur heeft de aangever samen met zijn vrouw de woning verlaten. De buurman zou op de woning letten. Op 9 november 2013 omstreeks 18.00 uur zag een buurjongen aan de voorzijde van de woning op de eerste etage een raam open staan. De buurman is gaan kijken en zag dat op de bovenverdieping alle kasten open stonden. De schuur is opengebroken en daaruit is de heggenschaar gebruikt om het raam open te breken. De heggenschaar was volgens de aangever op de schuur achtergebleven en hij zag dat de punten van de schaar helemaal krom waren. De aangever heeft verklaard dat er gouden sieraden en een flesje parfum zijn weggenomen18.

Door de forensisch opsporingsambtenaar R. de Graaff is een forensisch onderzoek naar sporen verricht in en om de woning aan de[adres 5] in Heerhugowaard. Door hem werd geconstateerd dat de schuur bij de woning een doorzochte indruk maakte en was betreden via een openstaand raam door inklimming. Via het raamkozijn van de schuur kon het platte dak ter hoogte van de eerste etage worden betreden. Door een raam van een naaikamer werd toegang tot de woning verkregen. Door de verbalisant werden beschadigingen gezien in de sluitnaad van het raam en op de vensterbank van voornoemd raam werden door hem twee beitels aangetroffen. De sporen in de sluitnaad kwamen overeen met de breedte van de beitels. Door aangever werd verklaard dat de beitels oorspronkelijk in de schuur zouden hebben gelegen. Op de tafel in de achtertuin werd een fles sinaasappelsap aangetroffen die volgens de aangever waarschijnlijk afkomstig was uit de koelkast in de schuur. De drinkopening van de fles is door de verbalisant bemonsterd. De bemonstering is door hem veiliggesteld en voorzien van het SIN AAGC4219NL19. Door het NFI is vastgesteld dat het DNA in deze bemonstering matcht, met de hoogst mogelijke bewijswaarde, met het DNA van de verdachte20.

Conclusie:

De rechtbank komt op basis van voornoemde redengevende feiten en omstandigheden tot de conclusie dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak en inklimming uit de woning gelegen aan de[adres 5] te Heerhugowaard tussen 8 en 9 november 2013. De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de verklaring die verdachte ter terechtzitting over dit feit heeft afgelegd, nu zij deze verklaring, inhoudende dat verdachte in een park lopend een bekende tegenkwam die hem een pak drinken aanbood waarna deze terug ging naar een woning omdat die persoon daar aan het inbreken was, volstrekt ongeloofwaardig acht.

Ten aanzien van parketnummer 15/743503-13 feit 6 subsidiair:

Op 27 oktober 2013 heeft [benadeelde 8] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning aan de [adres 6] te Heerhugowaard, gepleegd op 26 oktober 2013 tussen 17.45 uur en 23.55 uur waarbij onder meer werd ontvreemd een HTC telefoon21.

Door de verbalisant A. Jaarsma is nader onderzoek verricht naar de weggenomen telefoon die was voorzien van het IMEI nummer 358398043547617. Uit de verkeersgegevens van deze telefoon is gebleken dat bovengenoemde telefoon op 26 oktober 2013 te 23.56:08 uur werd gebruikt met het telefoonnummer [telefoonnummer]. Voorts is gebleken dat de telefoon voor het laatst op 29 oktober 2013 te 15.37 uur is gebruikt met het telefoonnummer [telefoonnummer 2]. Uit een onderzoek van het woninginbrakenteam met de naam 10 Well is gebleken dat voornoemde telefoonnummers werden gebruikt door de verdachte22.

Op 4 november 2013 werd door de verbalisant C.G. Jansen, ter aanhouding van de verdachte, binnengetreden in het perceel [adres 11] te Heerhugowaard. De aanwezige bewoner A. [getuige 4] deelde Jansen mee dat [verdachte] wel bij eens bij hem op visite komt en dat [verdachte] gebruikt maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer 2]23.

Op 8 november 2013 zijn de verbalisanten B.J. Tesselaar en B.H. Smit naar A. [getuige 4] gegaan om een nader gesprek met hem te voeren. [getuige 4] heeft de verbalisanten meegedeeld dat [verdachte] sinds 7 november 2013 gebruik zou maken van het telefoonnummer [telefoonnummer]. Middels whatts app zagen de verbalisanten de profielfoto behorende bij dit nummer. Op deze foto was [verdachte] te zien24.

De verdachte heeft op 2 december 2013 tegen de politie verklaard dat hij de afgelopen weken heel veel van telefoon wisselde om de politie te misleiden25.

Nadere bewijsoverweging/conclusie:

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de telefoon van iemand heeft gekregen wiens naam hij niet wil noemen. De telefoon was volgens verdachte voor gebruik gereed, inclusief simkaart. Verdachte is de telefoon vervolgens gaan gebruiken. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder de omstandigheid dat hij een telefoon inclusief simkaart van iemand heeft gekregen, kennelijk zonder dat hij daar een vergoeding voor heeft hoeven betalen, redelijkerwijs had moeten vermoeden dat deze telefoon een door misdrijf verkregen goed betrof. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan schuldheling.

Ten aanzien van parketnummer 15/743503-13 feit 7 primair:

Op 2 november 2013 heeft [benadeelde 9] aangifte gedaan van inbraak in zijn woning aan de [adres 7] te Heerhugowaard, gepleegd tussen 1 november 2013 te 14.45 uur en 2 november 2013 te 00.45 uur. Bij thuiskomst zag de aangever dat alle laden en kasten in de woonkamer open stonden en waren doorzocht. Hij zag dat er uit één van de keukenkastjes een aantal computerspellen weg waren. Hij zag voorts dat er aan de achterzijde van de woning een raam was geforceerd. Ook op de eerste verdieping waren alle kasten en laden open en doorzocht. In de goederenbijlage bij de aangifte is onder meer als gestolen goed opgegeven een paar schoenen, merk Nike Air Max, maat 42,5, kleur blauw/grijs26.

Bij een forensisch onderzoek naar sporen in de woning aan de [adres 7] te Heerhugowaard werd geconstateerd dat door wrikken met een breekijzer een draairaam aan de achterzijde van de woning werd geopend en dat via dit raam de woning werd betreden27.

Op 4 november 2013 werd door de verbalisant C.G. Jansen, ter aanhouding van de verdachte, binnengetreden in het perceel [adres 11] te Heerhugowaard. Op een vraag van de verbalisant of er goederen van de verdachte [verdachte] in de woning aanwezig waren wees [getuige 4] de verbalisant op een paar Nike schoenen in een Pradadoos28.

De Nike schoenen zijn aan de aangever getoond. De aangever heeft zijn schoenen herkend en gepast29.

De verdachte heeft tegenover de politie verklaard dat de Pradadoos, waarin de Nike schoenen werden aangetroffen, van hem was30.

Nadere bewijsoverweging:

De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging, inhoudende dat de verklaring van getuige [getuige 4] onbetrouwbaar moet worden geacht en om die reden niet tot het bewijs kan worden gebezigd. De rechtbank acht van belang dat uit het proces-verbaal van verbalisant Jansen volgt dat slechts in algemene bewoordingen aan getuige [getuige 4] is gevraagd of er goederen van verdachte in de woning aanwezig waren. Het is de getuige zelf die daarop vervolgens de Nike-schoenen aanwijst, zonder dat de politie de getuige specifiek over die schoenen heeft bevraagd. De rechtbank heeft mede daarom geen reden aan de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring te twijfelen. Daarbij komt dat de schoenen zijn aangetroffen in een doos waarvan verdachte zelf heeft verklaard dat die aan hem toebehoort. Voorts acht de rechtbank van belang dat de schoenen in een relatief kort tijdsbestek na de inbraak in deze schoenendoos in de woning waar ook verdachte verbleef zijn aangetroffen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het verdachte is geweest die zich heeft schuldig gemaakt aan de woninginbraak aan de [adres 7] te Heerhugowaard in de periode van 1 tot 2 november 2013.

3.6.

Nadere overweging

Ten aanzien van de hiervoor bewezen verklaarde vermogensdelicten, voor zover niet door de verdachte bekend, overweegt de rechtbank als volgt:

De verdachte heeft op de terechtzitting verklaard dat hij vanaf 9 augustus 2013 nadat de verwondingen bij [benadeelde 2] zijn geconstateerd, op de vlucht is geslagen omdat hij bang was dat hij voor niets vast kwam te zitten. In de tijd tot zijn aanhouding op 2 december 2013 is de verdachte steeds op de vlucht geweest. Hij heeft op de terechtzitting verklaard dat hij in die periode ook weer domme dingen heeft gedaan, zoals inbreken.
Wat betreft feit 10 heeft de verdachte het hem verweten feitelijk handelen bekend. Zijn raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie, inhoudende dat dit handelen geen verduistering oplevert maar diefstal. De rechtbank deelt dit standpunt niet, aangezien de verdachte het goed niet heeft weggenomen van degene aan wie het voor aangifte ter beschikking was gesteld maar het van deze ([benadeelde 1] ) had ontvangen.

3.7.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15/703217-13 subsidiair ten laste gelegde feit en de in de zaak met parketnummer15/743503-13, onder 1, 2, 3, 4 subsidiair, 5 ([adres 5] te Heerhugowaard), 6 subsidiair, 7 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

15/703217-13

Subsidiair

hij op 12 juni 2013 te Heerhugowaard opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde 1] , verdachtes levensgezel), stevig en met kracht de armen van die [benadeelde 1] heeft vastgegrepen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

15/743503-13

Feit 1:

Primair

hij op 13 september 2013 te Heerhugowaard, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (gelegen aan de [adres 1]) heeft weggenomen een flatscreentelevisie en sieraden, te weten een gouden ketting met ingegraveerde foto van kinderen en een gouden hanger (Hugenoten kruis) en een zilveren centenarmband en een zilveren hanger (roos), toebehorende aan G.[benadeelde 14], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 2:

hij op 3 oktober 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning, gelegen aan de[adres 2], heeft weggenomen meerdere sieraden te weten oorbellen en horloges en kettingen en (trouw)ringen en armbanden en hanger en dasspelden, toebehorende aan [benadeelde 4], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 3:

hij op 29 oktober 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de[adres 3] heeft weggenomen meerdere spelcomputers (Wii/ Nintendo 3DS) en fotocamera en zonnebrillen (merk Prada/ Ralph Lauren/ Roberto Cavallie/Armani) en een geldbedrag van 454,55 euro (uit onder andere de spaarpotten van de kinderen) en/ Ipods (mini) en mobiele telefoons (Samsung/Nokia) en sieraden en een laptop, toebehorende aan[benadeelde 5], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4:

Subsidiair

dat hij op tijdstippen op 9 augustus 2013 in de gemeente Heerhugowaard telkens opzettelijk mishandelend een kind dat hij verzorgde als behorend tot zijn gezin, te weten[benadeelde 2]

(geboren op 18 juni 2011), tweedegraads brandwonden in de schaamstreek en op het

bovenbeen heeft toegebracht, door telkens opzettelijk een heet voorwerp tegen de schaamstreek en het bovenbeen van die [benadeelde 1] te brengen en te houden , zodat door zijn toedoen (telkens) lichamelijk letsel is ontstaan;

Feit 5:

hij op een tijdstip gelegen in de periode 8 november 2013 tot en met 9 november 2013 te Heerhugowaard, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de[adres 5] heeft weggenomen sieraden en een fles parfum, toebehorende aan [benadeelde 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 6:

Subsidiair

hij op een tijdstip gelegen in de periode van 26 oktober 2013 tot en met 29 oktober 2013 te Heerhugowaard, in elk geval in Nederland, een telefoon (Samsung Galaxy) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die telefoon redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

Feit 7:

Primair

hij op een tijdstip in de periode van 1 november 2013 tot en met 2 november 2013 te Heerhugowaard met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres 7] heeft weggenomen onder andere sportschoenen (merk Nike), toebehorende aan [benadeelde 9], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

Feit 10:

Primair

hij op een tijdstip gelegen in of omstreeks de periode van 18 oktober 2013 tot en met 2 december 2013 te Heerhugowaard opzettelijk een laptop, toebehorende aan [benadeelde 12], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als ontvanger van een postpakket (met daarop de geadresseerde [benadeelde 12]), onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

15/703217-13:

Mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

15/743503-13:

Feit 1 primair, feit 2, feit 5, feit 7 primair telkens:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Feit 4 subsidiair:

Mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

Feit 6 subsidiair:

schuldheling.

Feit 10 primair:

Verduistering.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

In haar rapport komt de psycholoog mevr. drs. S.H. van Schagen tot de conclusie dat de verdachte ten aanzien van de vermogensdelicten en de mishandeling van zijn levensgezel, indien bewezen verklaard, verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd. Ten aanzien van de tenlastegelegde mishandeling van [benadeelde 2] [benadeelde 1] wordt door haar geen uitspraak gedaan over de aanwezigheid van een verband tussen het tenlastegelegde en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van de tijd die door de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

De officier heeft voorts gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf zullen worden gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door GGZ reclassering Palier in het rapport van 21 mei 2014 en dat daarnaast aan het voorwaardelijk strafdeel als bijzondere voorwaarde zal worden gekoppeld een contactverbod met [benadeelde 2] [benadeelde 1].

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd, waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, en dat daarnaast een langdurige voorwaardelijke straf moet worden opgelegd met daaraan te koppelen de bijzondere voorwaarden zoals genoemd door de psycholoog en GGZ reclassering Palier.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich twee maal schuldig gemaakt aan geweld binnen de huiselijke kring. Hij heeft zonder noemenswaardige aanleiding ruzie gekregen met zijn partner J. [benadeelde 1] waarbij verdachte haar hard in haar armen heeft geknepen. Deze mishandeling heeft plaatsgevonden in de slaapkamer van de woning van [benadeelde 1], een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan kindermishandeling met lichamelijk letsel tot gevolg, door zijn stiefzoontje van toen twee jaar oud en daarmee een hulpeloos en kwetsbaar kind, voor wie verdachte op dat moment bovendien de zorg had, in aanraking te brengen met een heet voorwerp. Dit moet voor [benadeelde 2] een bijzonder pijnlijke ervaring zijn geweest, getuige de foto’s van het letsel in het dossier. Het is bekend dat een feit als dit (in de toekomst) de nodige psychische gevolgen zou kunnen hebben, hetgeen de rechtbank de verdachte zwaar aanrekent.

Na de mishandeling van [benadeelde 2] is de verdachte op de vlucht geslagen en heeft hij zich schuldig gemaakt aan een serie vermogensdelicten waaronder een aantal woninginbraken. Woninginbraken leveren een grote inbreuk op de privacy van de bewoners op. De verdachte heeft onder meer goederen weggenomen met een aanzienlijke emotionele waarde voor de eigenaars van die goederen.

Uit de voegingsformulieren van de slachtoffers van deze woninginbraken, met name uit de toelichting van één van de slachtoffers op de terechtzitting, komt naar voren dat zij nog dagelijks de financiële en psychische gevolgen van deze feiten ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 22 april 2014, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder terzake van vermogens- en geweldsdelicten onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen is veroordeeld. De verdachte liep nog in een proeftijd van een voorwaardelijke straf opgelegd door de rechtbank in Alkmaar op 31 juli 2012.

Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte reclasseringsadvies gedateerd 21 mei 2014 van L. Kok als reclasseringswerker verbonden aan GGZ reclassering Palier;

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 4 mei 2014 van mevr. drs. S.H. van Schagen, GZ psycholoog.

Het rapport van de psycholoog houdt onder meer in als beantwoording van de vraagstelling:

“Betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, in de zin van een lichte verstandelijke beperking.

Ten tijde van het tenlastegelegde was ook sprake van bovenstaande problematiek, indien bewezen geacht. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde onderzochtes gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de ten laste gelegde inbraken en verduistering en de ten laste gelegde huiselijk geweld, althans ten dele.

Met betrekking tot de tenlastegelegde mishandeling onder feit 4 wordt geen uitspraak gedaan over de aanwezigheid van een verband tussen het tenlastegelegde en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens.

Wanneer de tenlastegelegde feiten (feiten 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8 en 9) bewezen geacht worden, is het aannemelijk dat betrokkene vooral op basis van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (lichte verstandelijke beperking) en door oplopende spanningen in de relatie en frustraties voorafgaand aan het tenlastegelegde, gerelateerd aan een gebrek aan financiële middelen, verminderd in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen. Daarbij werd hij niet afgeremd in zijn gedrag door een goed regulerende functie van het

geweten. Op grond hiervan wordt uw College in overweging gegeven hem de ten laste

gelegde feiten verminderd toe te rekenen.

Indien het tenlastegelegde feit (feit 10) bewezen geacht wordt, is het aannemelijk dat betrokkene is overgegaan tot het tenlastegelegde als manier om uiting te geven aan de voor hem moeilijk te hanteren gevoelens van frustratie en boosheid. Zijn verstandelijke beperking maakt dat hij moeite heeft om de emoties op te vangen en te reguleren. Hij heeft zich vervolgens laten leiden door zijn impulsen met het tenlastegelegde als resultaat. Betrokkene werd hierbij niet afgeremd door een adequaat regulerende functie van het geweten. Op grond hiervan wordt uw College in overweging gegeven hem het tenlastegelegde feit verminderd toe te rekenen.

Met betrekking tot de hierbij gevoegde zaak 15-703217-13:

Wanneer het tenlastegelegde feit bewezen geacht wordt, is het aannemelijk dat betrokkene vooral op basis van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens (lichte verstandelijke beperking) verminderd in staat was zijn wil in vrijheid te bepalen. Betrokkene werd geconfronteerd met gevoelens van jaloezie, angst en boosheid nadat hij een bericht onder ogen kreeg van een ex-vriend van zijn vriendin, dat gericht was aan haar. Hij is op zo’n moment sterk geneigd te handelen op geleide van zijn impulsen, zonder dat hij de consequenties van zijn gedrag in voldoende mate kan overzien. Betrokkene werd hierbij niet afgeremd door een goed ontwikkeld geweten. Dit heeft vervolgens geleid tot agressief handelen, met het tenlastegelegde ten gevolge. Op grond hiervan wordt uw College in overweging gegeven hem het tenlastegelegde feit verminderd toe te rekenen.

De lichte verstandelijke beperking is chronisch van aard. Als betrokkene niet op een andere manier leert omgaan met zijn beperkingen en de daarmee gepaard gaande problemen, dan is de kans op herhaling van soortgelijke feiten als de huidige, indien bewezen, groot.

Betrokkene zal mogelijk structurele begeleiding en ondersteuning behoeven om zich staande te houden in de maatschappij. Begeleiding gericht op de praktische problemen die samenhangen met de lichte verstandelijke beperking en daarmee een verlaging van het recidive gevaar, is wenselijk. Geadviseerd wordt om betrokkene, als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke straf, een begeleidingscontact bij MEE op te leggen (in verband met de noodzakelijke hulp op het gebeid van huisvesting (begeleid wonen), financiën en dagbesteding). Verplicht toezicht door reclassering op het begeleidingstraject wordt wenselijk geacht.”

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundige met betrekking tot de verminderde toerekeningsvatbaarheid voor de genoemde feiten over.

In het rapport van GGZ reclassering Palier, gedateerd 21 mei 2014, wordt geadviseerd om de verdachte te veroordelen tot een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf waarbij de volgende voorwaarden worden geadviseerd:
-meldplicht bij de reclassering,
-een intake en hieruit voortvloeiend aanbod voor een behandeling bij de Forensische Polikliniek van Palier of een soortgelijke instelling, een kortdurende klinische opname van maximaal 7 weken en
-het meewerken aan intake, plaatsing en behandelaanbod van een begeleid wonen traject.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplichte begeleiding door GGZ reclassering Palier noodzakelijk. Een dergelijke verplichting inclusief de overige in voornoemd advies van GGZ Reclassering Palier genoemde verplichtingen, zullen als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd ziet de rechtbank geen aanleiding om als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [benadeelde 2] [benadeelde 1] op te leggen. Dit contactverbod is niet onderzocht of geadviseerd door de reclassering en daarmee is onvoldoende onderbouwd dat een voorwaarde van die strekking zou moeten worden opgelegd.

7 Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

7.1

De benadeelde partij J. [benadeelde 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 750,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/703217-13 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie heeft gevorderd deze vordering toe te wijzen.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen in verband met de door hem bepleitte vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit en de benadeelde partij daarom niet in de vordering zal kunnen worden ontvangen. Uit de onderbouwing bij het voegingsformulier blijkt dat de immateriële schade voornamelijk ziet op de gevolgen van het dichtknijpen van de keel en het tegen de muur slaan van het hoofd van de benadeelde. De rechtbank heeft dit deel van de tenlastelegging echter niet bewezenverklaard.

7.2.

De benadeelde partij [benadeelde 15] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 900,- ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen in verband met de door hem bepleite vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade van € 600,- rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 bewezen verklaarde feit. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank is echter van oordeel dat de gestelde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt, aangezien dit deel van de schade onvoldoende is onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de immateriële schade niet ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 1 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: inbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.3.

De benadeelde partij [benadeelde 4] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.307,99 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 2 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde rechtstreeks voortvloeit uit het onder 2 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 2 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: inbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.4.

. De wettelijk vertegenwoordigster van de benadeelde partij [benadeelde 2] [benadeelde 1], mevr. J. [benadeelde 1] heeft via de gemachtigde raadsvrouw mr. L.J.P. Mentink een vordering tot schadevergoeding van € 4.000,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 4 zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen in verband met de door hem bepleite vrijspraak.

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor een deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Bij de begroting van deze immateriële schade houdt de rechtbank rekening met de volgende factoren:

-Het slachtoffer [benadeelde 2] was twee jaar oud, toen verdachte bij hem brandwonden aanbracht.

-Het slachtoffer heeft tweedegraads brandwonden opgelopen, waarvoor hij is behandeld in het brandwondencentrum in Beverwijk.

-Het slachtoffer was aan de zorg van verdachte toevertrouwd.

De rechtbank begroot de immateriële schade op grond van de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 1.000,-.

De gemachtigde van de benadeelde partij heeft de vordering van € 4.000,- op dit punt onderbouwd door te stellen dat [benadeelde 2] psychische schade (slaapstoornissen en angst) lijdt als gevolg van het incident op 9 augustus 2013. De onderbouwing bestaat uit een verklaring van de huisarts van 13 mei 2014, waarbij [benadeelde 2] wordt verwezen naar “basis GGZ” voor een te houden intake. Beschreven wordt dat [benadeelde 2] “in zijn korte leven al heel veel traumatische zaken heeft meegemaakt.” Niet duidelijk wordt hierdoor in hoeverre de gestelde psychische schade geheel een gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Om tot een goed gemotiveerd oordeel op dit punt te komen, zou een nader (psychologisch of psychiatrisch) onderzoek van het slachtoffer noodzakelijk zijn. Dat zou echter een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij zal daarom in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 1.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de datum van het schadetoebrengende feit, 9 augustus 2013.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 4 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: mishandeling] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.5.

. De benadeelde partij [benadeelde 7] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.359,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 5 ten laste gelegde feit zou hebben geleden.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij in zijn geheel kan worden toegewezen.

De raadsman stelt zich op het standpunt dat de vordering van de benadeelde partij dient te worden afgewezen in verband met de door hem bepleite vrijspraak.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 5 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

De verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes onder feit 5 bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: inbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van 31 juli 2012 in de zaak met parketnummer 14/810158-12 heeft de rechtbank te Alkmaar verdachte ter zake van diefstal, opzetheling en poging inbraak veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder meer onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is aan de verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 5 september 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 300, 304, 311, 321, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank:

-Verklaart niet bewezen wat aan verdachte in de zaak met parketnummer 15/703217-13 primair is ten laste gelegd en wat in de zaak met parketnummer 15/743503-13 onder 4 primair, 6 primair, 8 primair en subsidiair, 9 primair en subsidiair en onder 5 met betrekking tot de inbraak in het perceel [adres 4] te Heerhugowaard is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

-Verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 15/703217-13 subsidiair ten laste gelegde feit de in de zaak met parketnummer15/743503-13, onder 1, 2, 3, 4 subsidiair, 5 ([adres 5] te Heerhugowaard), 6 subsidiair, 7 primair en 10 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

-Bepaalt dat de onder 3.6 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

-Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

-Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 27 (zevenentwintig) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 3 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich zal houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Daartoe moet hij zich binnen vijf dagen volgend op zijn einddatum detentie melden bij GGZ reclassering Palier op het adres Stationsplein 21 te Heerhugowaard. Hierna moet hij zich gedurende door de rechtbank bepaalde periode blijven melden zo frequent als GGZ reclassering Palier dit gedurende deze periode nodig acht;

  • -

    zal meewerken aan een intake en hieruit voortvloeiend aanbod bij de Forensische Polikliniek van Palier of een soortgelijke instelling, ook indien dit zal inhouden een kortdurende klinische opname ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek. Deze kortdurende klinische opname kan plaatsvinden binnen een ambulant behandeltraject;

  • -

    zal meewerken aan een intake, plaatsing en behandelaanbod van een begeleid wonen traject van nader te bepalen instelling;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Haarlem noodzakelijk oordeelt.

-Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 15] geleden schade tot een bedrag van € 600,- (zeshonderd euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde 15], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 15] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 600,- (zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

-Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 4] geleden schade tot een bedrag van € 1.307,99 (eenduizend driehonderd zeven euro en negenennegentig cent), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde 4], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.307,99 (eenduizend driehonderd zeven euro en negenennegentig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

-Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] [benadeelde 1] geleden schade tot een bedrag van € 1.000,- (éénduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de wettelijk vertegenwoordigster van [benadeelde 2] [benadeelde 1] voornoemd, mevr. [benadeelde 1] tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 2] [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.000,- (éénduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 augustus 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

-Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 7] geleden schade tot een bedrag van € 1.359,- (eenduizend driehonderd negenenvijftig euro), bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [benadeelde 7], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde 7] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.359,- (eenduizend driehonderd negenenvijftig euro), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 23 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

-Verklaart de benadeelde partij [benadeelde 1] niet ontvankelijk in haar vordering.

-Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14/810158-12 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Alkmaar d.d. 31 juli 2012.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

Mr. P.H.B. Littooy, voorzitter,

Mrs. L.J. Saarloos en E.M. ten Bos, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier G.A.M. Delis,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 juni 2014.

1 Het proces-verbaal met het nummer PL10FR 2013060418-1, gedateerd 13 juni 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar I.M.M. Verbraeken, houdende de aangifte van [benadeelde 1] , doorgenummerde blz. 6 en 7.

2 Een geschrift, zijnde de geneeskundige verklaring – letselbeschrijving d.d. 13 juni 2013, opgemaakt door de forensisch geneeskundige G.C.J. Vogel (los opgenomen)

3 Het proces-verbaal me het nummer PL10AL 2013060418-9, gedateerd 13 juni 2013, , in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. Khalis, houdende de verklaring van verdachte, doorgenummerde blz. 18.

4 De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 27 mei 2014 afgelegd.

5 Het proces-verbaal met het nummer PL10FR-2013097582-1, gedateerd 15 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar C.[benadeelde 1] Burghart, houdende de verklaring van de aangever [benadeelde 14], doorgenummerde blz. 81 en 82.

6 Het proces-verbaal van sporenonderzoek met het nummer PL10RO-2013097582-3, gedateerd 16 september 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar J. Borst, doorgenummerde blz. 91 en 92.

7 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013097582-8, gedateerd 12 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. Roskam, houdende de verklaring van de getuige B.P.J. [getuige 1], doorgenummerde blz. 97 en 98.

8 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RR-2013097582-48, gedateerd 2 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. Roskam, doorgenummerde blz. 5.

9 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013097582-6, gedateerd 9 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. Roskam, doorgenummerde blz. 104.

10 Het proces-verbaal met het nummer PL10RR-2013097582-39, gedateerd 11 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar A. Jaarsma, houdende de verklaring van de verdachte D. [getuige 2], doorgenummerde blz. 78 en 79.

11 Het proces-verbaal met het nummer 201311 10:00 4050 2092, gedateerd 2 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. Olij en A. Jaarsma, houdende de verklaring van verdachte, doorgenummerde blz. 41 en 42.

12 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL1256 2013081855-2, gedateerd 11 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren L. Hartman en H.A. Hobo, doorgenummerde blz. 56 t/m 57.

13 Het proces-verbaal met het nummer PL10RR 2013083874-1, gedateerd 11 augustus 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren C.F. Fokkens en K.J.A. Slaman, houdende de aangifte van [benadeelde 1] namens de benadeelde[benadeelde 2], inclusief foto’s, doorgenummerde blz. 72 t/m 86.

14 Het proces-verbaal met het nummer PL10RR-2013083874-33, gedateerd 23 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren M. Smit en M.H. Bos, houdende de verklaring van verdachte, doorgenummerde blz. 28, 31, 35 t/m 36, 38 t/m 39.

15 Een geschrift, zijnde het rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 20 augustus 2013 van de hand van de forensisch arts mevr. dr. S. de Vries, doorgenummerde blz. 97 t/m 99.

16 Een geschrift, zijnde het rapport van de Forensische Polikliniek Kindermishandeling d.d. 8 april 2014 van de hand van de forensisch arts S. de Vries (los opgenomen).

17 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RO-2013083874-9, gedateerd 15 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar P.C.G. Denneman (los opgenomen)

18 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013118274-1, gedateerd 11 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M.A.T. Bresser, houdende de aangifte van [benadeelde 7], doorgenummerde blz. 227 en 228

19 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RO-2013118274-3, gedateerd 20 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar R. de Graaf, doorgenummerde blz. 229 t/m 231.

20 Een geschrift, zijn het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, gedateerd 2 januari 2014, doorgenummerde blz. 234 en 235.

21 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013113292-1, gedateerd 27 oktober 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar W.[benadeelde 1] Smit, houdende de aangifte van [benadeelde 8], doorgenummerde blz. 157 en 158.

22 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RR-2013113292-6, gedateerd 19 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar A. Jaarsma, doorgenummerde blz. 170 en 171.

23 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RR-2013097582-15, gedateerd 4 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar C.G. Jansen, doorgenummerde blz. 175.

24 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10HW-2013097582-22, gedateerd 11 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren B.J. Tesselaar en B.H. Smit, doorgenummerde blz. 176.

25 Het proces-verbaal met het nummer 201311 10.00 4050 2092, gedateerd 2 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. Olij en A. Jaarsma, houdende het eerste verhoor van verdachte, doorgenummerde blz. 37.

26 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013115470-1, inclusief goederenbijlage, gedateerd 2 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar M. van den Idsert, houdende de aangifte van [benadeelde 9], doorgenummerde blz. 178 t/m 183

27 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RO-2013115470-3, gedateerd 7 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar P.M. Sminia, doorgenummerde blz. 184 en 185.

28 Het proces-verbaal van bevindingen met het nummer PL10RR-2013097582-15, gedateerd 4 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar C.G. Jansen, doorgenummerde blz. 175.

29 Het proces-verbaal met het nummer PL10HW-2013115470-6, gedateerd 15 november 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar B.J. Tesselaar, houdende het nader verhoor van de aangever [benadeelde 9], doorgenummerde blz. 192.

30 Het proces-verbaal met het nummer 20131218 10:00 4050 2092, gedateerd 18 december 2013, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren J. Olij en M. Roskam, houdende de 5e verklaring van verdachte, doorgenummerde blz. 56.