Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5125

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
C/14/147185 / HA ZA 13-204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Essentie: Aanrijding met heftruck op de werkvloer. Eigen schuld. Verhaalsrecht van de werkgever voor doorbetaald loon (art. 6:107a lid 2 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/499
AR-Updates.nl 2014-0622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Alkmaar

FV/HvE

zaaknummer / rolnummer: C/14/147185 / HA ZA 13-204

Vonnis van 4 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PYXIS DISTRIBUTION B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoor houdende te Beverwijk,

eiseres,

advocaat mr. N. Bakker te Velsen-Zuid, gemeente Velsen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DE PERSGROEP DISTRIBUTIE B.V.,

statutair gevestigd te Amsterdam, kantoor houdende te Duivendrecht,

gemeente Ouder-Amstel,

gedaagde,

advocaat mr. Chr. H. van Dijk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Pyxis en De Persgroep genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 25 juni 2013

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Pyxis

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    het B13 formulier Deponeren stukken/voorwerpen, met bijlage, van Pyxis

  • -

    het tussenvonnis van 4 september 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 6 maart 2014 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Pyxis is een full service logistieke onderneming, De Persgroep is een uitgever.

2.2.

De Persgroep hanteert gedragsregels die blijkens de tekst zijn opgemaakt ten behoeve van vervoerders van producten van onder meer De Persgroep. De inhoud van deze regels luidt – voor zover in deze procedure relevant – als volgt:

“(…)

Aankomsttijden;

U dient minimaal 15 minuten voor beladingtijd aanwezig te zijn.

Bij aankomst meldt u zich op de 1e etage bij de afdeling Distributie Coördinatie.

(…)

Beladen en lossen van de wagen;

In de laadhal, waar u zich alleen bevindt tijdens belading houdt u zich aan de aanwijzingen van de distributiecoördinator.

(…)

Vaste plek

U zult van de afdelingsmanager of een van de distributiecoördinatoren een vaste plak toegewezen krijgen in de laadhal. U dient vanaf dat moment u auto bij binnenkomst altijd op de plek neer te zetten die u is toegewezen. Ook dient u bij uw auto te staan tot dat deze is beladen.

(…)

Betreding laadhal;

Indien u niet aan de beurt bent om te beladen of geen toestemming hebt gekregen van één van de distributiecoördinator verzoeken wij u de laadhal niet te betreden.

(…)”

2.3. [

chauffeur 1] (hierna: [chauffeur 1]) is als chauffeur in dienst geweest bij Pyxis tot 12 maart 2013.

2.4.

Op 6 juli 2012 moest [chauffeur 1] bij De Persgroep, aan de Van Madeweg 40 in Amsterdam, goederen laden. Hierbij is [chauffeur 1] in de laadhal van De Persgroep aangereden door een vorkheftruck die op dat moment bestuurd werd door

[chauffeur 2]. [chauffeur 2] is een werknemer van De Persgroep.

2.5.

Over het ongeval heeft [chauffeur 1] onder meer het volgende verklaard: “Op 6 juli ’s avonds was ik voor mijn rit naar Breda aan het laden. Ik moest alleen nog de Volkskrant maar er was storing. Als er storing is praten we met collega’s, de 1 rookt buiten, de ander gaat naar toilet. Ik moest naar toilet. de laadklep was al naar beneden en ik ging richting toilet. Voordat ik wist wat er gebeurde lag ik op de grond onder de vorkheftruck. ”

2.6. [

chauffeur 2] heeft over het ongeval onder meer het volgende verklaard: “(…) De pallets waarachter het slachtoffer vandaan kwam ontnamen mij het zicht waardoor ik het slachtoffer niet heb gezien. De heftruck waarop ik reed kan volgens de fabrieksnorm niet harder rijden dan maximaal 16 km per uur. Op het moment dat ik het slachtoffer aanreed, reed de heftruck in ieder geval niet op maximale snelheid.”

2.7.

Het ongeval is geregistreerd door 2 camera’s die zich elk op een andere positie in de laadhal bevonden.

2.8.

Als gevolg van het ongeval is [chauffeur 1] arbeidsongeschikt geraakt.

2.9.

De Inspectie SZW heeft naar aanleiding van het ongeval een onderzoek gedaan en op 28 november 2012 een ongevalsrapport uitgebracht. In het rapport staat - voor zover voor de beslissing van belang - onder meer het volgende: “Toen het slachtoffer (rb: [chauffeur 1]) achter de pallet met kranten vandaan kwam was de heftruck het slachtoffer al zo dicht genaderd dat een ongeval niet te voorkomen was. De opname van het ongeval is door mij rapporteur later teruggezien. Hieruit bleek mij dat er geen sprake was van onvoorzichtig handelen van de heftruckchauffeur.”

2.10.

Pyxis heeft De Persgroep aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden en nog lijdt. De Persgroep heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3 Het geschil

3.1.

Pyxis vordert samengevat - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

I. te verklaren voor recht dat De Persgroep volledig aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van Pyxis, welke schade nog nader dient te worden opgemaakt bij staat,

II. De Persgroep te veroordelen om bij wege van voorschot te betalen een bedrag van € 30.273,40, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2012, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,

III. De Persgroep te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad

€ 1.321,32,

IV. De Persgroep te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De Persgroep voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Vooropgesteld wordt dat het ongeval zich heeft voorgedaan in het distributiecentrum van De Persgroep, meer in het bijzonder in de laadhal. Doorgaans bevinden zich in de laadhal twee vorkheftrucks die af en aan rijden. Als onweersproken staat vast dat [chauffeur 1], destijds werknemer van Pyxis, zich met zijn vrachtwagen in de laadhal bevond, ten einde de vrachtwagen te (doen) laden. Tevens staat vast dat [chauffeur 2], werknemer van De Persgroep, zich ook in de laadhal bevond en daar een vorkheftruckchauffeur bestuurde. Wat tussen partijen evenmin in geschil is, is dat [chauffeur 1] op enig moment zijn vrachtwagen heeft verlaten, tussen pallets door richting de laadvloer is gelopen en dat hij, toen hij achter een van die pallets vandaan kwam, is aangereden door een vorkheftruck die op dat moment bestuurd werd door [chauffeur 2].

4.2.

Pyxis legt - verkort weergegeven - aan haar vorderingen ten grondslag dat het ongeval te wijten is aan onzorgvuldig handelen van [chauffeur 2]. Hij had [chauffeur 1] kunnen zien, nu de pallets waarachter [chauffeur 1] vandaan kwam lopen, bij [chauffeur 1] tot schouderhoogte kwam. Bovendien is duidelijk geworden dat de vorkheftruck een hoge snelheid had en zelfs net voor het ongeval iets harder is gaan rijden. Omdat [chauffeur 2] zijn werkzaamheden verrichte in een drukke laadhal waar constant wordt geladen en gelost, had hij extra zorgvuldigheid moeten betrachten, alles aldus Pyxis.

4.3.

De Persgroep betwist dat [chauffeur 2] onzorgvuldig gehandeld heeft en voert daartoe het volgende aan. [chauffeur 1] is plotseling, zonder op of om te kijken, achter de pallets vandaan gestapt. [chauffeur 2] kon hem daar niet zien omdat de pallets hem het zicht op [chauffeur 1] ontnamen en kon hem niet meer ontwijken. [chauffeur 2] behoefde ook niet te verwachten dat [chauffeur 1] achter die pallets vandaan zou komen, ook als hij wel te zien zou zijn geweest. Op de laadvloer bevinden zich in de praktijk geen voetgangers, behalve de drie medewerkers van De Persgroep die de laadwerkzaamheden coördineren. Vervoerders mogen zich niet op de laadvloer begeven tenzij met toestemming van de distributiecoördinator.

Over de snelheid van de vorkheftruck betoogt De Persgroep dat de door [chauffeur 2] bestuurde vorkheftruck een maximale snelheid van 16 km/u heeft, dat [chauffeur 2] weliswaar niet meer precies weet hoe hard hij heeft gereden maar dat hij zich nog wel weet te herinneren dat hij niet de maximale snelheid reed, alsmede dat de leverancier van de vorkheftruck heeft aangegeven dat de vorkheftruck op het moment van het ongeval ook niet de maximale snelheid gereden kon hebben, omdat daarvoor de door de vorkheftruck afgelegde afstand te kort was.

4.4.

Ten aanzien van de vraag of [chauffeur 2] onzorgvuldig gehandeld heeft, overweegt de rechtbank het volgende. Een vorkheftruck is een potentieel gevaarlijk werktuig, in die zin dat het een snel wendbaar voertuig is waar vanaf het zicht niet altijd even goed is. Dit geldt te meer wanneer de heftruck gebruikt wordt in een ruimte waarin het zicht verminderd is door de aanwezigheid van pallets. Dat betekent dat van een bestuurder van een vorkheftruck extra zorgvuldigheid mag worden gevergd ten opzichte van personen die zich in de nabijheid van de vorkheftruck bevinden of kunnen bevinden. De rechtbank volgt De Persgroep niet in haar betoog dat [chauffeur 2] [chauffeur 1] niet op die plek, te weten als voetganger op de laadvloer, hoefde te verwachten. Vast staat dat, zo volgt uit de eigen stelling van De Persgroep, zich in de laadhal doorgaans drie distributie coördinatoren te voet bevinden. Dit betekent dat zich in de laadhal, behalve vorkheftrucks en vrachtwagens, ook voetgangers bevinden. [chauffeur 2] diende dus in beginsel rekening te houden met de aanwezigheid van voetgangers in de laadhal. De Persgroep heeft zich er evenwel op beroepen dat het [chauffeur 1], anders dan de distributie-coördinatoren, op grond van de gedragsregels (hiervoor onder 2.2. genoemd) niet was toegestaan zich te voet op de laadvloer te begeven. Al aangenomen dat de gedragsregels waarop De Persgroep zich beroept bij het sluiten van het contract met Pyxis aan haar zijn overhandigd – hetgeen De Persgroep heeft gesteld, maar Pyxis heeft ontkend – dan volgt uit deze regels nog niet dat het [chauffeur 1] verboden was de laadhal te betreden. Immers, vaststaat dat [chauffeur 1] op het moment van het ongeval werd beladen, zodat hij zich op grond van de gedragsregels in de laadhal mocht bevinden. [chauffeur 1] was klaarblijkelijk ook aan de beurt om te worden beladen, zodat het verzoek om de laadhal niet te betreden (zie kopje “Betreding laadhal”) evenmin op hem van toepassing was. Anders dan De Persgroep heeft betoogd, kan uit tekst van de gedragsregels niet worden opgemaakt dat ook als de betreffende chauffeur aan de beurt is om beladen te worden, toestemming van de distributiecoördinator noodzakelijk is om de laadhal te mogen betreden. Weliswaar is onder het kopje “Vaste plek” opgenomen dat de chauffeur bij de auto moet staan tot dat deze is beladen, maar ook hieruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat het niet is toegestaan om de laadhal te betreden. Dat leidt tot de conclusie dat de gedragsregels geen uitdrukkelijk en ondubbelzinnig verbod bevatten om de laadhal te betreden. Dat er onder de chauffeurs een ongeschreven regel gold om de laadhal niet te betreden is door De Persgroep, in het licht van de verklaring van [chauffeur 1] (hiervoor onder 2.5. genoemd), onvoldoende onderbouwd. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat op de ter zitting getoonde opnames van het ongeval is te zien dat [chauffeur 1] linea recta beweegt in de richting van de nooddeur in de laadhal die leidt naar het buiten de laadhal gelegen toilet. Als er een ongeschreven regel gold dat de laadhal niet mocht worden betreden en toiletbezoek vanuit de laadhal niet is toegestaan, is niet verklaarbaar dat [chauffeur 1] de route naar deze nooddeur kende. Bovendien geldt dat als een dergelijk verbod in een gevaar zettende omgeving als een laadvloer moet worden afgeleid uit een ongeschreven regel, er juist ter degen rekening mee moet worden gehouden dat er mensen zullen zijn die zich niet aan die regel zullen houden. Nu een duidelijk kenbaar verbod om de laadhal te betreden ontbrak, diende [chauffeur 2] rekening te houden met de mogelijkheid dat [chauffeur 1] zich op de laadvloer zou kunnen begeven.

4.5.

Ten aanzien van het verweer van De Persgroep dat [chauffeur 2] [chauffeur 1] niet heeft gezien en niet kon zien, geldt het volgende. Tussen partijen staat op zichzelf vast dat [chauffeur 2] [chauffeur 1] niet heeft gezien. Waar het in het kader van de hiervoor onder 4.4. weergegeven norm om gaat, is de vraag of [chauffeur 2] voldoende maatregelen heeft genomen om er voor te zorgen dat hij, in aanmerking genomen de mogelijkheid dat er zich personen op de laadvloer kunnen begeven, een zo goed mogelijk zicht had op wat zich rondom de stapel pallets afspeelde om zodoende de kansen op een ongeval tot een minimum te beperken. Daarbij kan gedacht worden aan het passeren van de pallets met gereduceerde snelheid, het met een ruime bocht langs de pallets rijden en/of het nemen van maatregelen om het zicht op de situatie ter plekke zo goed mogelijk te doen zijn. Gesteld noch gebleken is dat [chauffeur 2] dergelijke maatregelen genomen heeft.

4.6.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat [chauffeur 2] niet die zorgvuldigheid in acht heeft genomen die van hem mocht worden verlangd en wel in die mate dat er sprake is van een fout aan de zijde van [chauffeur 2] die hem als onrechtmatigde daad kan worden toegerekend. Omdat [chauffeur 2] een werknemer van De Persgroep was, moet hij als ondergeschikte van De Persgroep worden beschouwd, hetgeen meebrengt dat op De Persgroep uit hoofde van artikel 6:170 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aansprakelijkheid rust voor de door [chauffeur 1] als gevolg van het ongeval geleden schade. Nu [chauffeur 1] ten tijde van het ongeval in dienst was van Pyxis betekent het voorgaande dat De Persgroep op grond van artikel 6:107a lid 2 BW het door haar aan [chauffeur 1] tijdens diens arbeidsongeschiktheid ten gevolge van het ongeval doorbetaalde loon als schade op De Persgroep kan verhalen.

4.7.

Gelet op het subsidiaire verweer van De Persgroep is evenwel niet alleen de handelwijze van [chauffeur 2], maar ook het gedrag van [chauffeur 1] voorafgaand aan het ongeval van belang. In het kader van de causale verdeling van artikel 6:101 lid 1 BW dient te worden bezien of en zo ja, in welke mate de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan [chauffeur 1] kan worden toegerekend. Vast staat dat [chauffeur 1] gedurende een langere periode diverse nachten in de laadhal van De Persgroep aanwezig was om zijn vrachtwagen te (doen) laden. [chauffeur 1] mocht daardoor bekend verondersteld worden met de dagelijkse gang van zaken in en rondom de laadhal. Aangenomen kan worden dat hij er mee bekend was dat in de laadhal vorkheftrucks af en aan reden. Daarop diende hij gedurende zijn aanwezigheid in de laadhal acht te slaan en voor zover mogelijk in zijn gedrag rekening mee te houden.

Uit de ter zitting getoonde en besproken opnames van het ongeval blijkt dat [chauffeur 1], komende vanachter een stapel pallets, zonder op of om te kijken en zonder zijn pas in te houden de laadvloer op loopt. Door zonder zich ervan te vergewissen dat de laadvloer, waarvan hij wist dat daar vorkheftruks reden, vrij was alvorens deze te betreden is het ongeval en de daaruit voortvloeiende schade naar het oordeel van de rechtbank mede het gevolg van de eigen gedragingen van [chauffeur 1] en wel in die mate dat 40 % daarvan aan [chauffeur 1] zelf toegeschreven moet worden.

4.8.

Pyxis heeft een voorschot op de schadevergoeding gevorderd, alsmede verwijzing naar de schadestaatprocedure. Ter zitting heeft Pyxis verklaard naast de in de dagvaarding genoemde schade geen verdere schade te hebben geleden. Dit brengt mee dat verwijzing naar de schadestaatprocedure niet aan de orde is en dat de schade in de onderhavige procedure begroot kan worden.

4.9.

Pyxis heeft als schadeposten opgevoerd ‘netto loonkosten’ en ‘diverse kosten in en kort na de nacht van het ongeval’. Deze laatste categorie beloopt een bedrag van € 1.022,50 en bestaat uit a) € 200,00 voor de inhuur van een extra chauffeur in de nacht van 6 juli 2012, b) € 160,00 voor extra werkzaamheden van de planner in de nacht van 6 juli 2012,

c) € 112,50 wegens kilometervergoeding Beverwijk-Amsterdam-Beverwijk en d) € 550,00 voor onkosten bezoek ziekenhuis. Pyxis stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden van [chauffeur 1] nog afgemaakt moesten worden en dat zij om die reden een extra chauffeur heeft moeten inschakelen (ad a), dat die nieuwe chauffeur kilometers heeft moeten maken op de route Beverwijk-Amsterdam-Beverwijk (ad c) en dat de planner extra werkzaamheden heeft moeten verrichten om ervoor te zorgen dat de opdracht alsnog werd uitgevoerd (ad b). Daarnaast stelt Pyxis dat zij aan [chauffeur 1] onkosten heeft vergoed ten behoeve van zijn bezoek aan het ziekenhuis. Ter onderbouwing van de bedragen verwijst Pyxis naar een door haar zelf opgestelde excel-sheet.

De Persgroep betwist dat de sub a t/m d genoemde posten onder het regresrecht van Pyxis als werkgever vallen en voert daarnaast aan dat de posten onvoldoende onderbouwd zijn.

4.10.

De rechtbank overweegt ter zake de gevorderde ‘diverse kosten in en kort na de nacht van het ongeval’ het volgende. Op zichzelf voert De Persgroep terecht aan dat deze posten niet vallen onder het regresrecht van de werkgever, zoals bedoeld in artikel

6:107a BW. Artikel 6:107 BW biedt echter de mogelijkheid voor Pyxis – kort gezegd – tot vergoeding van kosten die zij als derde heeft gemaakt ten behoeve van [chauffeur 1]. Vereist daarbij is onder meer dat het gaat om kosten die de derde, [chauffeur 1], zelf had kunnen vorderen. De rechtbank is van oordeel dat de kosten voor de inhuur van een extra chauffeur, de extra werkzaamheden van de planner en de vergoeding van de kilometers die de extra chauffeur heeft moeten maken, niet aan dit vereiste voldoen. Ten aanzien van de onkosten die Pyxis aan [chauffeur 1] vergoed heeft ten behoeve van zijn verblijf in het ziekenhuis, valt niet uit te sluiten dat dit kosten zijn die [chauffeur 1] zelf had kunnen vorderen van De Persgroep. Daaromtrent heeft Pyxis echter onvoldoende gesteld. Het beroep van Pyxis op de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen, omdat het enkele feit dat Pyxis deze kosten heeft moeten maken daarvoor onvoldoende is. De post ‘diverse kosten in en kort na de nacht van het ongeval’ komt dan ook niet voor vergoeding in aanmerking.

4.11.

In verband met ‘netto loonkosten’ Pyxis vordert een bedrag van € 29.250,90. Dit betreft salarisbetalingen in de periode van 6 juli 2012 tot 12 maart 2013, alsmede vakantie-uren en een beëindigingsvergoeding. Pyxis stelt dat [chauffeur 1] als direct gevolg van het ongeval volledig arbeidsongeschikt is geraakt en niet in staat was om werkzaamheden te verrichten. Pyxis was daarom wettelijk verplicht om het salaris van [chauffeur 1] door te betalen. Aan de arbeidsovereenkomst is een einde gekomen via een vaststelllingsovereenkomst, waarbij Pyxis gehouden was om aan [chauffeur 1] een beëindigingsvergoeding te betalen. Pyxis heeft aan De Persgroep meerdere facturen verzonden over de netto loonkosten en die facturen heeft De Persgroep zonder protest behouden, alles aldus Pyxis.

4.12.

Over de arbeidsongeschiktheid overweegt de rechtbank als volgt. Bij antwoord heeft De Persgroep niet bestreden dat [chauffeur 1] als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt en is gebleven. Eerst ter zitting heeft De Persgroep betwist dat de arbeidsongeschiktheid van [chauffeur 1] heeft voortgeduurd tot het moment van beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, nu de betwisting onvoldoende gemotiveerd en tardief is. In het navolgende wordt er daarom vanuit gegaan dat [chauffeur 1] als gevolg van het ongeval arbeidsongeschikt is geraakt en gebleven tot het moment van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.13.

De Persgroep heeft daarnaast bestreden dat de beëindigingsvergoeding onder het regresrecht van Pyxis valt. De beëindigingsvergoeding is niet aan te merken als het netto doorbetalen van loon, aldus De Persgroep. De rechtbank volgt De Persgroep niet in haar betoog. Pyxis heeft onweersproken gesteld dat [chauffeur 1] bij Pyxis in dienst was op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en dat de loonkosten zonder de beëindiging waren opgelopen, omdat het opzegverbod ook geldt voor werknemers boven 65 jaar. De beëindigingsvergoeding moet daarom worden aangemerkt als kosten ter beperking van schade en komt daardoor wel voor vergoeding door De Persgroep in aanmerking. Pyxis heeft tot op heden nagelaten de hoogte van de beëindigingsvergoeding inzichtelijk te maken. Zij zal, overeenkomstig het door haar ter zitting gedane aanbod, in de gelegenheid worden gesteld die hoogte bij akte nader te onderbouwen.

4.14.

Pyxis heeft ter onderbouwing van de netto loonkosten als productie 11 een overzicht in het geding gebracht. Ter zitting heeft Pyxis desgevraagd aangegeven dat het door haar gevorderde bedrag van € 29.250,90 is gebaseerd op het bruto loon maar dat het netto loon daar uit te herleiden is door de sociale lasten in mindering te brengen op het bruto loon.

De Persgroep heeft hiertegen aangevoerd dat iedere onderbouwing dat de kosten die in het overzicht staan daadwerkelijk door Pyxis aan [chauffeur 1] zijn betaald, ontbreekt, zodat niet is aangetoond dat en welke netto loonkosten Pyxis heeft gemaakt.

4.15.

De rechtbank overweegt dat productie 11 van Pyxis een overzicht betreft dat onder meer bestaat uit de kolommen ‘brutoloon’, ‘vak.geld’, ‘vak-uren’, ‘soc.lst’, en ‘reiskst’. Hieruit valt niet zonder meer te destilleren welke kosten als nettoloon moeten worden beschouwd en welke niet. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van Pyxis ligt om de hoogte van haar vordering te onderbouwen en genoegzaam te specificeren. Pyxis zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte een dergelijke specificatie in het geding te brengen, waarop De Persgroep zal mogen reageren.

4.16.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 juli 2014 voor het nemen van een akte door Pyxis ter nadere specificatie van de beëindigingsvergoeding en de netto loonkosten, waarna De Persgroep een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.E. van Erp-van Harten en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.