Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:5101

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
C-15-195849 - HA ZA 12-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is lange tijd directeur geweest van de vennootschap waarvan gedaagden in 2006 de aandeelhouders zijn geworden. Hij stelt dat de voorgaande aandeelhouder hem 7% van de verkoopopbrengst van de aandelen heeft toegezegd. Gedaagden verkopen de aandelen in 2009. Anders dan eiser stelt, kan geen sprake zijn van een hem toekomend kwalitatief recht op 7% van de verkoopopbrengst van de aandelen, omdat hij niet de aandeelhouder is. Van een kwalitatieve verplichting is ook geen sprake omdat geen sprake is van een in een openbaar register ingeschreven registergoed en de gestelde verplichting niet ziet op een dulden of niet doen. Aan de vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking is ook niet voldaan.

In verband met de verkoop van de aandelen in 2009 heeft eiser van de vennootschap een vergoeding ontvangen. De aandeelhouders vorderen in de gevoegde zaak die vergoeding terug van de voormalig directeur op grond van dwaling omdat de voormalig directeur de 7% regeling en een voor hem geldende inkomstenregeling bij de totstandkoming van de afspraak over de vergoeding in 2009 niet heeft gemeld. De rechtbank wijst die vordering af omdat niet gebleken is van een overeenkomst tussen de aandeelhouders en de voormalig directeur. Bovendien is geen sprake van een omstandigheid waaromtrent de directeur de aandeelhouders in 2009 had moeten inlichten, omdat zij geacht kun worden op de hoogte te zijn geweest van de inkomstenregeling tussen hun vennootschap en de voormalig directeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0248
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Vonnis in gevoegde zaken van 4 juni 2014

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/15/195849 / HA ZA 12-421 van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. E. van der Hoeden te Amsterdam,

tegen

1. de rechtspersoon naar het recht van Malta

WOODY`S HOLDING LTD.,

gevestigd te Birkirkara, Malta,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROLAS B.V., voorheen genaamd INTERVESTMENT B.V.,

gevestigd te Aerdenhout,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPAARNHOLD B.V.,

gevestigd te Haarlem,

gedaagden,

advocaat mr. S.J.H.M. Berendsen te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/15/205913 / HA ZA 13-412 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ROLAS B.V.,

gevestigd te Aerdenhout,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPAARNHOLD B.V.,

gevestigd te Haarlem,

3. de rechtspersoon naar het recht van Malta

WOODY'S HOLDING LTD.,

gevestigd te Birkirkara, Malta,

eiseressen,

advocaat mr. S.J.H.M. Berendsen te Amsterdam,

tegen

[A] ,

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde,

advocaat mr. E. van der Hoeden te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en Woody's c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure in zaak 12-421 blijkt uit het tussenvonnis van 29 mei 2013 en de daarin genoemde stukken. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat eiser voor dat tussenvonnis twee akten had genomen: een akte domiciliekeuze en een akte houdende aanvulling gronden van eis.

1.2.

Het verloop van de procedure 13-412 blijkt uit het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 17 juli 2013, waarbij de zaak is verwezen naar deze rechtbank en is gevoegd met zaak 12-421, en het tussenvonnis van 4 september 2013.

1.3.

In de gevoegde zaken is een comparitie van partijen gehouden op 26 september 2013 waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Na die zitting hebben partijen nader overleg gepleegd.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A] is in 1982 in dienst getreden van HG International B.V. (hierna: HG). [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) hield alle aandelen HG. In 1987 is [A] benoemd tot statutair directeur van HG.

2.2.

In de notulen van de vergadering van de raad van commissarissen van HG van 17 december 1992 is vermeld dat [betrokkene] het redelijk vindt dat [A] bij een eventuele verkoop van de onderneming 7% van de opbrengst krijgt.

2.3.

In 1999 is een nieuwe inkomstenregeling voor [A] vastgesteld. In die regeling wordt aan [A] bij pensionering op 65-jarige leeftijd een vergoeding van € 500.000 toegekend.

2.4.

In maart 2005 is [A] 65 jaar geworden en is hij teruggetreden als statutair directeur van HG. Hij is toen benoemd tot gedelegeerd commissaris en is in dienst van HG getreden als adviseur.

2.5.

In 2006 heeft [betrokkene] zijn aandelen in HG overgedragen aan Woody's c.s. Woody’s Holding Ltd, Rolas B.V. en Spaarnhold B.V. zijn de persoonlijke vennootschapen van de drie kinderen van [betrokkene].

2.6.

In 2009 heeft Woody's c.s. de aandelen in HG verkocht voor € 61.000.000. [A] is toen teruggetreden als commissaris en uit dienst gegaan als adviseur van HG. Hij heeft toen een bedrag van € 1.000.000 bruto ontvangen waarop HG loonbelasting heeft ingehouden. Netto is € 480.000 uitbetaald. In verband met de betaling heeft [A] op 28 augustus 2009 een door HG opgestelde, aan HG gerichte, brief ondertekend waarin hij zijn terugtreden als commissaris meedeelt, bevestigt dat hij recht heeft op een bruto bonus van € 1.000.000, dat hij aan HG finale kwijting verleent en dat hij verzoekt hem decharge te verlenen.

2.7.

[A] heeft voor de in de zaak 12-421 door hem aan de orde gestelde vordering conservatoir beslag gelegd. In kort geding heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam dat beslag opgeheven. Het gerechtshof Amsterdam heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bij arrest van 7 mei 2013 bekrachtigd.

3 Het geschil

in de zaak 12-421

3.1.

[A] vordert samengevat - veroordeling van Woody's c.s., bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 3.770.000, vermeerderd met rente vanaf september 2009 en proceskosten.

3.2.

Woody's c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de zaak 13-412

3.4.

Woody's c.s. vordert samengevat - veroordeling van [A], bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, tot betaling van € 1.000.000 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2009 en tot betaling van de proceskosten en nakosten, ook te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

[A] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de zaak 12-421

4.1.

[A] voert ter onderbouwing van zijn vordering twee gronden aan. Op de eerste plaats voert hij aan dat hij in 1992 jegens [betrokkene] als aandeelhouder het recht heeft gekregen op 7% van de verkoopprijs van de aandelen HG en dat hij zijn vorderingsrecht na de overdacht van de aandelen aan Woody`s c.s. tegen hen geldend kan maken, zodat hij recht heeft op betaling door Woody`s c.s. van 7% van de prijs waarvoor zij de aandelen in 2009 heeft verkocht. Op de tweede plaats beroept hij zich op ongerechtvaardigde verrijking.

4.2.

De eerste grond kan toewijzing van de vordering niet rechtvaardigen. Partijen verschillen reeds van mening over het antwoord op de vraag tussen welke partijen in 1992 een overeenkomst zou zijn gesloten over een 7% aanspraak met betrekking tot de verkoopprijs van de aandelen HG en over het antwoord op de vraag of die afspraak na het vaststellen van de inkomstenregeling tussen [A] en HG in 1999 (ongewijzigd) is blijven bestaan. De rechtbank zal echter veronderstellenderwijze uitgaan van de juistheid van de stelling van [A], die er op neerkomt dat hij met [betrokkene] als aandeelhouder van HG de afspraak heeft gemaakt dat hij bij verkoop van de aandelen van de aandeelhouder 7% van de verkoopopbrengst zou ontvangen. Voor zijn standpunt dat hij die aanspraak jegens Woody`s c.s., die opvolgend aandeelhouder is, geldend kan maken, beroept hij zich op de overgang van een kwalitatief recht. Daarvan is echter geen sprake. Op grond van artikel 6:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) gaat een uit een overeenkomst voortvloeiend – voor overgang vatbaar - recht over op degene die een goed onder bijzondere titel verkrijgt, als dat recht in zodanig verband staat met een aan de schuldeiser toebehorend goed dat hij bij dat recht slechts belang heeft, zolang hij dat goed behoudt. In onderhavige, veronderstelde, situatie is [A] niet de rechthebbende op de aandelen waarmee het door hem bedoelde recht in verband zou staan. Als aan de aandelen dus al een dergelijk kwalitatief recht op 7% van de verkoopopbrengst zou zijn verbonden, komt dat hem niet toe. Voor zover [A] bedoelt dat sprake zou zijn van een aan de aandelen verbonden kwalitatieve verplichting jegens hem tot betaling van 7% van de verkoopopbrengst van de aandelen, faalt dit standpunt eveneens. De regeling van de aan een goed verbonden kwalitatieve verplichtingen in artikel 6:252 BW ziet uitsluitend op aan een registergoed, zoals een onroerende zaak, verbonden en in de openbare registers ingeschreven verplichtingen van de rechthebbende op dat registergoed. Van een dergelijk, in artikel 6:252 BW bedoeld, registergoed is bij de aandelen geen sprake, laat staan dat van inschrijving van de in een notariële akte opgenomen verplichting in een openbaar register is gebleken. Daarbij komt dat in geval van kwalitatieve verplichtingen sprake is van een verplichting om iets te dulden of niet te doen, terwijl [A] juist stelt dat sprake is van een verplichting om iets te doen.

4.3.

De tweede aangevoerde grondslag kan [A] ook niet baten. Zoals het gerechtshof Amsterdam in zijn arrest van 7 mei 2013 reeds heeft overwogen, valt niet in te zien dat [A] door de verkoop door Woody`s c.s. van de aandelen HG is verarmd, reeds omdat hiervoor reeds is vastgesteld dat hij in 2009 geen aanspraak jegens Woody`s c.s. geldend kon maken. Bovendien valt niet in te zien dat Woody`s c.s. door de verkoop van de aandelen in 2009 in de zin van artikel 6:212 BW ongerechtvaardigd is verrijkt. Nu niet is gebleken dat [A] enige aanspraken had jegens Woody's c.s., kan niet worden geconcludeerd dat enige verrijking ongerechtvaardigd zou zijn, terwijl voorts niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van een verrijking aan de zijde van Woody's c.s., nu [A] niet heeft gesteld dat de bij de verkoop ontvangen prijs voor de aandelen hoger was dan de waarde van de aandelen.

4.4.

De vordering van [A] moet dan ook worden afgewezen.

4.5.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Woody`s c.s. worden begroot op:

- griffierecht 3.715,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.137,00.

De vordering van Woody's c.s. tot veroordeling van [A] tot vergoeding van nakosten heeft [A] niet bestreden en komt als volgt met de gebruikelijk door de rechtbank gehanteerde termijn voor toewijzing in aanmerking. Woody's c.s. heeft in deze zaak voorts verzocht om veroordeling van [A] tot vergoeding van wettelijke rente over de proceskosten en nakosten. Ook die vordering is onbestreden en komt als volgt met de gebruikelijk door de rechtbank gehanteerde termijnen voor toewijzing in aanmerking.

in de zaak 13-412

4.6.

Woody's c.s. legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in 2009 bij de verkoop van de aandelen (indirect) € 1.000.000 aan [A] heeft betaald. Zij stelt dat zij daarbij heeft gedwaald, omdat zij niet op de hoogte was van de volgende feiten:

  1. de afspraak die in de zaak 12-421 aan de orde is en de daarop gebaseerde vordering van [A] die in de zaak 12-421 aan de orde is;

  2. de inkomstenregeling tussen [A] en HG uit 1999 en de op grond daarvan aan [A] verrichte betalingen.

De aan hun betaling ten grondslag liggende overeenkomst vernietigen zij – voor zover nog nodig – bij de dagvaarding in deze zaak.

4.7.

De vordering van Woody's c.s. kan niet slagen. Zij heeft onvoldoende onderbouwd dat er een overeenkomst tussen haar en [A] is tot stand gekomen die voor vernietiging in aanmerking zou kunnen komen. Zij beroept zich voor het bestaan van een overeenkomst op de brief van 28 augustus 2009 waarin [A] jegens HG in verband met de betaling van € 1.000.000 bruto finale kwijting verleent. In die brief bevestigt [A] jegens HG, tot wie hij in een rechtsbetrekking stond als commissaris, zijn terugtreden als commissaris, bevestigt hij jegens HG de afspraak over de betaling van € 1.000.000 bruto bonus, verleent hij finale kwijting jegens HG na betaling van dat bedrag na inhouding van loonbelasting zijnde € 480.000 netto en verzoekt hij HG om decharge. Die brief bevat verklaringen van [A] jegens HG en niet jegens Woody's c.s. Dat bewijsstuk is dan ook onvoldoende om daar het bestaan van een overeenkomst tussen [A] en Woody's c.s. aan te ontlenen. Bovendien kunnen de aangevoerde gronden, als er wel een overeenkomst tussen Woody's c.s. en [A] zou bestaan in verband met de betaling van het bedrag van € 480.000 netto, vernietiging wegens dwaling niet rechtvaardigen. De onder 4.6 onder a bedoelde stelling is in zaak 13-412 immers onjuist gebleken en Woody's c.s. heeft die stelling in deze zaak ook niet nader onderbouwd. En voor zover Woody's c.s. zich beroept op de inkomstenregeling tussen HG en [A] uit 1999 is geen sprake van een omstandigheid waaromtrent [A] Woody's c.s. in 2009 – expliciet – had behoren in te lichten, omdat Woody's c.s. als aandeelhouders van HG van die omstandigheid geacht kan worden op de hoogte te zijn geweest. Bij de verkoop van de aandelen in 2009 kon zij immers beschikken over de gehele administratie van HG.

4.8.

Woody's c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A], inclusief de kosten in het incident tot verwijzing en voeging, worden begroot op:

- griffierecht 1.474,00

- salaris advocaat 9.633,00 (3,0 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 11.107,00

5 De beslissing

De rechtbank

in de zaak 12-421

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van Woody`s c.s. tot op heden begroot op € 10.137,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [A] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [A] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de zaak 13-412

5.5.

wijst de vordering af,

5.6.

veroordeelt Woody's c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 11.107,00,

5.7.

verklaart dit vonnis in deze zaak wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.M. Bruin, mr. E. Jochem en mr. J.I. de Vreese-Rood en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.1

1 type: 196 coll: