Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4903

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-05-2014
Datum publicatie
27-05-2014
Zaaknummer
15/740211-13 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming bij 15/740211-13, toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740211-13 (ontneming)

Uitspraakdatum : 26 mei 2014

Promisvonnis ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 17 april 2014 ten aanzien van de feiten in de zaak onder bovenstaand parketnummer, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. De vordering

De officier van justitie heeft bij vordering van 17 april 2014 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag als bedoeld in artikel 36e lid 5 van het Wetboek van Strafrecht zal vaststellen op € 171.344 en dat aan veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De officier van justitie baseert deze vordering op de feiten die – in eerste aanleg – bij vonnis van deze rechtbank van 26 mei 2014 bewezen zijn verklaard en waarvoor veroordeelde bij genoemd vonnis is veroordeeld.

2. Het verloop van de procedure

De officier van justitie heeft bovengenoemde vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van veroordeelde om te verschijnen op de terechtzitting van deze rechtbank op 12 mei 2014.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier.

De vordering is behandeld op de openbare terechtzitting van 12 mei 2014. Daarbij zijn gehoord de veroordeelde, zijn raadsman, mr. H. Blaauw, advocaat te Haarlem, en de officier van justitie.

Vervolgens is het onderzoek gesloten en is de uitspraak bepaald op 26 mei 2014.

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting de vordering voorgedragen en deze naar beneden bijgesteld tot een bedrag van € 136.288. Zij heeft dit bedrag gebaseerd op het aanvullende proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 3 maart 2014, waarin het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 146.288. Op dit bedrag is door de officier van justitie een bedrag ad € 10.000 in mindering gebracht in verband met betalingen door [slachtoffer 1] voor zendapparatuur die hij bij [verdachte] zou hebben aangeschaft. Indien (een deel van) de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen, moet dit bedrag op het te ontnemen bedrag in mindering worden gebracht. Daarnaast heeft zij gevorderd de hoofdelijkheidsclausule toe te passen.

4. Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman

De raadsman stelt zich op het standpunt dat het te ontnemen bedrag gematigd dient te worden tot een bedrag van € 40.000. Veroordeelde heeft immers verklaard dat dit de hoogte is geweest van het bedrag van de oplichting.

Met betrekking tot de overige bedragen valt niet vast te stellen of deze uit misdrijf afkomstig zijn omdat het slachtoffer [slachtoffer 1] ook veel zendapparatuur bij veroordeelde heeft aangekocht.

Daarbij dient de in rechte toegekende vordering aan de benadeelde partij, overeenkomstig artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht als kosten in mindering te worden gebracht op eventueel wederrechtelijk verkregen voordeel. In dit geval betekent dit dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel geschat kan worden op hetzelfde bedrag als toegewezen aan de benadeelde partij, zodat het te ontnemen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil gesteld dient te worden.

Subsidiair is de raadsman van oordeel dat als de rechtbank tot de schatting van enig bedrag komt, dit gematigd dient te worden met het oog op het in de toekomst ontbreken van draagkracht aan de zijde van cliënt.

5. De gronden voor de schatting van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel1

5.1 Veroordeling

Bij vonnis van deze rechtbank van 26 mei 2014 is betrokkene veroordeeld tot een werkstraf van tweehonderdveertig uur, subsidiair honderdtwintig dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaar ter zake van oplichting en het medeplegen van gewoontewitwassen.

Op grond van deze veroordeling kan aan veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, verkregen door middel van of uit de baten van de ingevolge dat vonnis bewezenverklaarde strafbare feiten.

5.2 De ontnemingsrapportage

Op 21 mei 2013 heeft verbalisant A.F.M. Blokker-Woudenberg, financieel rechercheur bij Bureau Financiële Recherche Eenheid Noord-Holland, District Kennemerland, een proces-verbaal opgesteld betreffende het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel. Op 3 maart 2014 is door deze verbalisant een aanvullend proces-verbaal aangaande de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgebracht. Deze rapportages zullen hierna worden aangehaald als de ontnemingsrapportages.

Bij het rapport zijn diverse bijlagen gevoegd, ontleend aan het dossier met betrekking tot de onderliggende strafzaak tegen veroordeelde. De rechtbank heeft bovendien de beschikking gehad over het volledige dossier van de strafzaak.

5.3 De beoordeling

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de stukken uit het strafdossier en op basis van het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 mei 2013 (dossierpagina 483 tot en met 494) kan worden vastgesteld dat veroordeelde door de oplichting een bedrag van tenminste € 94.888 afhandig heeft gemaakt. Dienaangaande wordt als volgt (overeenkomstig het strafvonnis d.d. 26 mei 2014) overwogen.

Overschrijvingen

In de periode van 25 februari 2012 tot en met 24 juni 2012 is een bedrag van € 56.149 overgeschreven van de rekeningen van de benadeelden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] naar de rekeningen van veroordeelde en [medeverdachte 1]. Van dit bedrag zal een bedrag van € 1.081 worden afgetrokken. Gelet op de verklaring van [slachtoffer 1] dat hij één maal een zender heeft gekocht voor € 1.000 euro, valt niet uit te sluiten dat de overschrijving van 25 februari 2012 hierop betrekking heeft.2 Veroordeelde heeft gesteld dat [slachtoffer 1] veel meer zenders heeft gekocht en dat er derhalve een hoger bedrag zou moeten worden afgetrokken, doch dit is verder niet uit het onderzoek gebleken noch nader feitelijk onderbouwd. [slachtoffer 1] zelf heeft weliswaar verklaard dat hij mogelijk wel eens vaker een zender van verdachte heeft gekocht, doch in dat geval ging hij naar zijn zeggen “naar de bank”3, zodat vast staat dat – voor zover al sprake is geweest van verdere verschuldigde betalingen voor dergelijke zenders – dit niet is gebeurd door middel van overschrijvingen. De stelling dat [slachtoffer 1] in de hiervoor genoemde relatief korte periode nog meer bedragen heeft overgeschreven voor door hem gekochte zenders, wordt dan ook verworpen. Het bedrag dat door oplichting via overschrijvingen is verkregen wordt derhalve vastgesteld op (56.149 min € 1.081) € 55.068.

Contanten

Uit onderzoek is gebleken dat met behulp van geldautomaten van rekeningen van benadeelden in een periode van drie jaar tijd (januari 2010-januari 2013) een bedrag van € 115.195 is opgenomen.

Uit vergelijking van de bankrekeningen van benadeelden met de rekeningen van veroordeelde en zijn echtgenote, medeveroordeelde, blijkt dat van 15 december 2010 tot en met 30 januari 2012 contante stortingen op de rekeningen van veroordeelden tot een bedrag van € 24.320 opmerkelijk overeenkomen met geldopnames van de hiervoor bedoelde rekeningen van benadeelden. Ook ten aanzien van dit bedrag wordt als vaststaand aangenomen dat het valselijk van aangevers is verkregen.

Voorts heeft veroordeelde in november 2012 twee auto’s gekocht voor een bedrag van € 15.500, welk bedrag toen contant door hem is betaald. Veroordeelde heeft hierover verklaard dat hij dit geld had van zijn “[naam-tijd]”.4 De contante aankoop van de auto’s ligt in tijd (november 2012) ruim na de periode van de overschrijvingen (tot en met eind juni 2012) en de hiervoor omschreven contante stortingen (tot en met januari 2012), zodat kan worden aangenomen dat ook dit bedrag valselijk is verkregen, terwijl van dubbeltelling geen sprake is.5 Bij dit oordeel wordt nog betrokken het feit dat uit de analyse van de Rabobank van 29 april 20146 blijkt dat de hiervoor genoemde contante opnames van totaal € 115.195, die allen liggen in de bewezenverklaarde periode, tot een bedrag van € 93.271 niet te verklaren zijn uit het normale uitgavenpatroon van de benadeelden.

Er is dan ook geen enkele contra-indicatie voor de aanname dat veroordeelde tenminste (€ 24.320 + € 15.500) € 39.820 aan contante gelden van benadeelden afhandig heeft gemaakt door middel van oplichting.

De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat [slachtoffer 1] en zijn moeder [slachtoffer 2] door veroordeelde zijn opgelicht voor een totaal bedrag van minimaal (€ 55.068 + € 39.820) € 94.888. Veroordeelde heeft dit bedrag dan ook wederrechtelijk verkregen. De rechtbank heeft kennis genomen van de aanvullende ontnemingsrapportage van 3 maart 2014, doch heeft hieraan niet de conclusie verbonden dat het wederrechtelijke verkregen voordeel op een hoger bedrag moet worden vastgesteld.

6. Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is op grond van het bovenstaande van oordeel dat de maatregel ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel moet worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat vooralsnog niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde nu en in de toekomst over onvoldoende financiële draagkracht zal beschikken om aan een hem op te leggen betalingsverplichting te voldoen.

Veroordeelde is bij het hiervoor vermelde strafvonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag aan de benadeelde partij, welk bedrag gelijk is aan het hiervoor vastgestelde bedrag ter zake van wederrechtelijk verkregen voordeel. Desalniettemin ziet de rechtbank geen aanleiding deze bedragen reeds thans met elkaar te verrekenen overeenkomstig artikel 36e lid 8 van het Wetboek van Strafrecht, aangezien de in het strafvonnis gehonoreerde vordering van de benadeelde partij nog niet een onherroepelijk oordeel inhoudt. Bedragen die worden voldaan aan de benadeelde partij strekken in mindering op de onderhavige veroordeling. Dit geldt ook voor bedragen die zijn of worden verkregen uit de verkoop van in beslag genomen goederen, voor zover zij aan de benadeelde partij zijn uitgekeerd.

Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan het door veroordeelde te betalen bedrag lager zou moeten worden vastgesteld dan op het bedrag van het geschatte voordeel.

De rechtbank zal gelet op het vorenstaande het door veroordeelde te betalen bedrag vaststellen op € 94.888.

7. Toepasselijke wettelijke bepaling

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Legt aan veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat van € 94.888 ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat;

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Boom, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. M. Daalmeijer, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier B.H.E. Zuidam,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 26 mei 2014.

Mr. C.A. Boom is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De hierna door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 16 maart 2013, dossierpagina 28.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 24 maart 2013, dossierpagina 35.

4 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d.20 maart 2013, dossierpagina 347.

5 Rapport wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 21 mei 2013, dossierpagina 494.

6 Bijlage 2 bij het voegingsformulier benadeelde partij, ter terechtzitting gevoegd.