Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4803

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_954
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:642, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak. Vervolg op tussenuitspraak ECLI:NL:RBNHO:2014:1043. Omgevingsvergunning voor het in strijd met de geldende bestemmingsplannen gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor detailhandel, als winkel en als showroom en voor het in gebruik nemen van een bestaande dienstwoning. Parkeren.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het project voorziet in een behoefte aan 23 parkeerplaatsen, zodat het project met 15 parkeerplaatsen in te weinig parkeerplaatsen voorziet. De rechtbank heeft overwogen dat indien de door verweerder bij brief van 7 augustus 2013 ingestuurde tekening van 31 juli 2013 - waarop in totaal 37 parkeerplaatsen ten noorden en zuiden van het pand op de locatie zijn ingetekend - tot onderdeel van de omgevingsvergunning van 9 april 2013 wordt gemaakt, het project in voldoende parkeerplaatsen voorziet.

Verweerder heeft bij besluit van 17 februari 2014 de tekening van 31 juli 2013 tot onderdeel van de omgevingsvergunning gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het besluit van 17 februari 2014 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: ALK 13/954 en 13/1074

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2014 in de zaken tussen

1.

[naam 1], te [woonplaats],

2.

[naam 2], te [vestigingsplaats] (gemachtigde: mr. H.Y.L. Goddijn),

eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Langedijk, verweerder

(gemachtigden: mr. W. Oude Lohuis en mr. K. Verspui).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

1.

[naam 3], te [plaats] (gemachtigden: mr. J.C. Ellerman en [naam 4]);

2.

de besloten vennootschap Bouwfonds Ontwikkeling B.V.

Procesverloop

Bij besluit van 9 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan derde-partij sub 1 een omgevingsvergunning verleend die ziet op de locatie [locatie] (hierna: de locatie). Vergunning is onder meer verleend voor het in strijd met de geldende bestemmingsplannen gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor detailhandel, als winkel en als showroom en voor het in gebruik nemen van een bestaande dienstwoning ten behoeve van deze functies.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser sub 1 heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek bij uitspraak van 4 juli 2013 in de zaak met het nummer AWB 13/957 toegewezen en het bestreden besluit geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak op het beroep.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2013. Eiser sub 1 is verschenen, bijgestaan door [naam 5]. Eiser sub 2 is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Derde-partij sub 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigden en [naam 3]. Voor derde-partij sub 2 is verschenen [naam 4].

Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde nadere inlichtingen in te winnen bij verweerder. Verweerder heeft bij brieven van 6 november 2013 en 13 november 2013 een reactie ingezonden. Eiser sub 1 heeft daarop bij brief van 20 november 2013 gereageerd en derde-partij sub 1 bij brief van 28 november 2013.

Bij tussenuitspraak van 11 februari 2014 heeft de rechtbank verweerder in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak op 17 februari 2014 een nieuw besluit genomen. Daarbij heeft verweerder een tekening van 31 juli 2013 waarop in totaal 37 parkeerplaatsen ten noorden en zuiden van het pand op de locatie zijn ingetekend tot onderdeel van de omgevingsvergunning gemaakt.

Eiser sub 1 heeft hierop een schriftelijke zienswijze gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.

Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 15 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.

2.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het project voorziet in een behoefte aan 23 parkeerplaatsen, zodat het project met 15 parkeerplaatsen in te weinig parkeerplaatsen voorziet. De rechtbank heeft overwogen dat indien de door verweerder bij brief van 7 augustus 2013 ingestuurde tekening van 31 juli 2013 - waarop in totaal 37 parkeerplaatsen ten noorden en zuiden van het pand op de locatie zijn ingetekend - tot onderdeel van de omgevingsvergunning van 9 april 2013 wordt gemaakt, het project in voldoende parkeerplaatsen voorziet. De rechtbank is er daarbij onder meer van uitgegaan dat in ieder geval 23 van de 37 ingetekende parkeerplaatsen bestemd zullen zijn voor bezoekers van het bedrijf van derde-partij sub 1. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

3.

Verweerder heeft bij besluit van 17 februari 2014 de tekening van 31 juli 2013 tot onderdeel van de omgevingsvergunning gemaakt en daarmee de situatietekening “Parkeerplaatsen” van 30 november 2012 vervangen. Voorts heeft verweerder een gewijzigd vergunningvoorschrift aan de omgevingsvergunning verbonden onder 1 van onderdeel 2 van de bijlage behorende bij de omgevingsvergunning. In dit voorschrift is voor derde-partij sub 1 de verplichting opgenomen om binnen de kaders van de tekening van 31 juli 2013 minimaal 23 parkeerplaatsen gerealiseerd te hebben op het moment dat het pand in gebruik wordt genomen.

4.

Indien hangende een beroepsprocedure met betrekking tot een omgevingsvergunning, bij nader besluit omgevingsvergunning wordt verleend voor een wijziging van het project waarvoor de eerdere omgevingsvergunning is verleend, is op dat nadere besluit artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing, mits die wijziging van ondergeschikte aard is.

De rechtbank is van oordeel dat de wijziging die met het besluit van 17 februari 2014 met betrekking tot het project is doorgevoerd zowel op zichzelf beschouwd als afgezet tegen het totale project van ondergeschikte aard is.

Nu eisers voldoende belang hebben bij een beoordeling van het besluit van 17 februari 2014, hebben hun beroepen, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege mede betrekking op dat besluit.

5.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder met het besluit van 17 februari 2014 het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek in het bestreden besluit heeft hersteld. De rechtbank ziet geen aanleiding te oordelen dat het project niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet zodanig onevenredig in hun belangen worden geraakt ten gevolge van het project dat niet in redelijkheid omgevingsvergunning voor de activiteit gebruiken in strijd met het bestemmingsplan kon worden verleend.

6.

De rechtbank stelt vast dat eiser sub 1 in zijn schriftelijke zienswijze in feite heeft herhaald wat hij al eerder in deze procedure naar voren heeft gebracht. Hierover heeft de rechtbank zich al eerder uitgelaten in de tussenuitspraak. De rechtbank kan, zoals onder 1 is overwogen en anders dan eiser sub 1 kennelijk meent, behalve in zeer uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van in de tussenuitspraak gegeven oordelen. Uit wat eiser sub 1 in zijn zienswijze heeft opgemerkt volgt niet dat zich hier zo een zeer uitzonderlijk geval voordoet dat rechtvaardigt dat de rechtbank terugkomt van haar oordelen hierover in de tussenuitspraak. Hetgeen eiser in zijn schriftelijke zienswijze naar voren heeft gebracht kan dan ook niet leiden tot een ander oordeel dan onder 5 is weergegeven.

7.

De beroepen gericht tegen het bestreden besluit zijn gelet op de tussenuitspraak gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover het de situatietekening “Parkeerplaatsen” van 30 november 2012 en vergunningvoorschrift onder 1 van onderdeel 2 van de bijlage behorende bij de omgevingsvergunning van 9 april 2013 betreft.

8.

De beroepen gericht tegen het besluit van 17 februari 2014 zijn gelet op het onder 5 overwogene ongegrond.

9.

Voor zover eiser sub 1 heeft bedoeld een verzoek om schadevergoeding te doen op grond van artikel 8:73 van de Awb, wijst de rechtbank dat verzoek af. Niet is gebleken dat eiser sub 1 schade heeft geleden als gevolg van het vernietigde deel van het bestreden besluit.

10.

Omdat de rechtbank de beroepen gericht tegen het bestreden besluit gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

11.1

De rechtbank veroordeelt verweerder op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voorts in door eisers gemaakte proceskosten.

11.2

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat reizen per openbaar vervoer in het geval van eiser sub 1 niet of niet voldoende mogelijk is. De rechtbank overweegt daartoe dat aan het reizen per openbaar vervoer in dit geval weliswaar een lange duur is verbonden, maar dat niet kan worden gezegd dat het reizen per openbaar vervoer voor eiser sub 1 nagenoeg onmogelijk was. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX5255.

Dit betekent dat de rechtbank het verzoek van eiser sub 1 om een kilometervergoeding afwijst en de kosten begroot op € 41,74 aan reiskosten (openbaar vervoer per trein (2e klasse) en bus van [woonplaats] naar Alkmaar en terug).

11.3

De rechtbank stelt de kosten in geval van eiser sub 2 voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487,00 en een wegingsfactor 1).

Voorts begroot de rechtbank de kosten in geval van eiser sub 2 op € 6,44 aan reiskosten (openbaar vervoer per bus van[plaatsnaam] naar Alkmaar en terug).

11.4

De totale door verweerder te vergoeden kosten bedragen aldus € 1.022,18 (€ 41,74 + € 974,00 + € 6,44), waarvan € 41,74 te betalen aan eiser sub 1 en € 980,44 aan eiser sub 2.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart de beroepen gericht tegen het bestreden besluit gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het de situatietekening “Parkeerplaatsen” van 30 november 2012 en vergunningvoorschrift onder 1 van onderdeel 2 van de bijlage behorende bij de omgevingsvergunning van 9 april 2013 betreft;

- verklaart de beroepen gericht tegen het besluit van 17 februari 2014 ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding van eiser sub 1 af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 320,00 (2 x € 160,00) aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.022,18.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Liefting-Voogd, voorzitter, mr. D.M. de Feijter en
mr. S.M. Auwerda, leden, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hoger beroepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.