Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4740

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
28-04-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
AWB 13/5174
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sopropé. Oorsprong en beroep op bindende inlichtingen betreffende de oorsprong.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-05-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/5174

Uitspraakdatum: 28 april 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

gemachtigden: mr. N.J. Helder en mr. C.C. Klaui,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor [P], verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

Verweerder heeft met dagtekening 23 november 2012 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) opgelegd ten bedrage van € 3.716.341,30 (€ 1.563.914,89 aan antidumpingrechten en € 2.152.426,42 aan compenserende rechten).

1.1.2.

Verweerder heeft met dagtekening 13 december 2012 aan eiseres een utb opgelegd ten bedrage van € 21.737.651,30 (€ 9.147.662,64 aan antidumpingrechten en € 12.589.988,66 aan compenserende rechten).

1.2.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 15 november 2013 beide utb’s gehandhaafd.

1.3.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2014. Namens eiseres zijn daar verschenen de gemachtigden, bijgestaan door[A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. B.C. Brouwer en mr. M.U.B. Willemsen.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

In de thans in geding zijnde jaren was de [C] B.V. (hierna:[C]) gevestigd te [D]. [E] B.V. te [D] was een dochtermaatschappij van[C]. In 2009 is de dochtermaatschappij[F]. (hierna:[F]) opgericht.

2.2.

In november en december 2009 en in januari en maart 2010 heeft eiseres voor importeur[C] aangiften voor het brengen in het vrije verkeer gedaan van biodiesel. De biodiesel is aangegeven onder GN-code 3824 90 91 en als land van oorsprong is Canada aangegeven.

2.3.

In februari 2010 ontvangt het Europese Anti-Fraude Bureau (hierna: OLAF) informatie van de European Diesel Board dat bij de invoer in het vrije verkeer van biodiesel uit de Verenigde Staten van Amerika (hierna: VS) de compenserende heffing en de antidumpingheffing zouden worden ontdoken. Vermoed wordt dat biodiesel met oorsprong VS valselijk werd aangegeven als biodiesel met oorsprong Canada.

2.4.

De OLAF heeft een onderzoek ingesteld naar de mogelijke ontduiking van antidumpingheffing bij de invoer van biodiesel met oorsprong VS. Het daarvan opgemaakte rapport van 15 oktober 2012 met nummer OF/2012/0986 houdt onder meer in:

“(…)

2. Investigative activities carried out and evidence collected

2.1.

Analysis of the information and the documents obtained

(…)

Based on the information and documentation supplied by the Canadian authorities, it was established that the majority of the biodiesel in question, exported tot the EU (namely the Netherlands), had initially been imported from the US and declared for free circulation in Canada by[C][C]. The US biodiesel was stored either in storage tanks in [..], which had been leased from the compagny [G] (hereafter: [G]) or in storage tanks in [..], which had been leased from the company [H] (hereafter: [H]).

In addition,[C][C] had brought some quantities of biodiesel from Canadian companies, mainly from [I] and from [J]. Both companies are known as genuine producers of biodiesel. The biodiesel brought from Canadian suppliers was stored in the same tanks as the biodiesel imported from the US; that is either in [G] or in [H].

(…)

Based on the explanations received by [K] from[C][C] (Annex 1.6), the description of the goods, and available certificates of properties, it has been established that the biodiesel imported from the US was soy methyl ester and that the biodiesel brought from Canadian suppliers was tallow methyl ester. (…)

Both types of biodiesel, that is the Canadian tallow methyl ester and the US soy methyl ester, were mixed in the [H] and [G] tanks. As a result of this, the average content of Canadian biodiesel in the final mixture was below 30%. (…)

It has been established that in the storage companies, other than the simple mixing of the US and Canadian biodiesel, no processing took place.

(…)”

2.5.

Op 23 november 2012 heeft verweerder eiseres telefonisch en tussen 14:19 en 14:33 uur per fax op de hoogte gesteld van het voornemen de onder 1.1.1 genoemde utb op te leggen. Eiseres heeft tot 16:00 uur die dag te tijd gekregen om haar zienswijze kenbaar te maken. Zij heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De onder 1.1.1 genoemde utb is gedagtekend 23 november 2012 en heeft betrekking op aangiften ten invoer die eiseres vanaf 25 tot en met 27 november 2009 heeft gedaan.

2.6.

Bij brief van 29 november 2012 heeft verweerder eiseres op de hoogte gesteld van het voornemen de hiervoor onder 1.1.2 genoemde utb op te leggen en haar in de gelegenheid gesteld om op uiterlijk 12 december 2012 haar standpunt hierover kenbaar te maken. Op 12 december 2012 heeft de gemachtigde van eiseres per fax aan verweerder laten weten dat de geboden reactietermijn te kort is. De onder 1.1.2 genoemde utb is gedagtekend 13 december 2012 en heeft betrekking op aangiften ten invoer die eiseres vanaf 15 december 2009 tot en met 23 maart 2010 heeft gedaan.

2.7.

Bij de stukken bevindt zich een e-mailbericht van 7 maart 2013 van [L], destijds werkzaam bij[F], dat aan onder anderen de gemachtigden van eiseres is verzonden. Dit bericht houdt in:

“As per our conversation, I wanted to briefly explain what the process was in regards to ‘product blending” in our Canadian Storage Facilities.

[F] purchased product from many US suppliers and Canadian Suppliers whom used many different feed stocks depending on their location, availability and economics.

US suppliers are mainly producers of “SOY based” Biodiesel which have specific characteristics once processed. SME has a very low cetane number and wide range of IV levels (“Typical” result with a range of 120-140 will rarely meet EN14112). “Soy” products do have a lower CFPP (Cold Filter Plugging Point), and is priced accordingly. Sulphur is also very low due to the processing

“TREEME” which is a” plant oil” based Biodiesel and is not processed or seen in the market very often. [F] reasoning for purchasing this “OFF SPEC” product was solely for the purpose of blending down the CFPP (Cold Filter Plugging Point) based on the contractual agreement with [M]. The one problematic scenario with “TREEME” is the extremely high “Sulphur” content. The mentioned product would not be able acceptable in the Biodiesel market as it would not pass ASTM requirements, this is why blending is the only option.

“Fame” is simply a blend of different biodiesel produced from multiple feed stocks to either correct an “OFF SPEC” product, meet contract specifications, or when it makes economic sense.

“TME” is produced from “Tallow Based” products and pertains more to the Canadian Suppliers. “Tallow based” products have many great qualities such as a higher cetane value, lower IV and low sulphur as well. “Tallow Based” products have a higher CLOUD/CFPP(the point where the product will solidify) which is the reason the product is blended off with other feed stock based products.

Prior to the execution of the project, my colleagues and I were educated on the different feed stock based products that were agreed upon by our traders and their counter party. Contracts were in place prior to the movement of any cargo. Under North American standards we were purchasing based on ASTM Standard (with exceptions [N],[O], [Q]) and selling based on EN 14112 Standards.

With the above stated facts in place and aware of our storage capabilities in both locations,[F] would have to calculate the number of cars offloaded to ensure EN14112 specification was met. NO cars were ever unloaded by our terminal unless specific instruction via email, phone conversation and or fax was given. All BOLs / COAs were also required by both terminals prior to arrival and discharge. of any vehicle. If there were any discrepancy between either party, it was addressed or the ralicar,truck or vessel would not offload. Periodically, specific test such as sulphur, CFPP, IV, and water were run by our third party inspector ( [R]) to provide accurate and current specs.”

De rechtbank begrijpt dit bericht aldus dat EN 14214 is bedoeld waar EN 14112 staat.

3 Geschil

In geschil is het antwoord op de vragen of de rechten van verdediging zijn geschonden, of eiseres zich kan beroepen op bindende inlichtingen betreffende de oorsprong (hierna: boi’s), of het mengen van de verschillende soorten biodiesel in Canada voldoende is om Canadese niet-preferentiële oorsprong te verlenen aan het mengsel en zo ja, of ontduiking van de heffingen werd beoogd door eiseres, of de utb’s tot de juiste bedragen zijn opgelegd en of eiseres recht heeft op integrale proceskostenvergoeding en schadevergoeding.

4 Beoordeling van het geschil

Schending van de eerbiediging van de rechten van de verdediging

4.1.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat beide utb’s nietig dienen te worden verklaard, aangezien de rechten van de verdediging zijn geschonden. Wat betreft de onder 1.1.1 genoemde utb heeft zij slechts 90 minuten de tijd gekregen om haar zienswijze omtrent het voornemen die utb op te leggen kenbaar te maken. Ten aanzien van de onder 1.1.2 genoemde utb was een termijn van minder dan twee weken om haar zienswijze naar voren te brengen te beperkt. Geen van beide voornemens was vergezeld van de CD’s die als annex 1.7, 1.8 en 1.2.8 bij het OLAF-rapport waren gevoegd. Daardoor diende eiseres informatie over de herkomst, de specificaties en de oorsprong van de grondstoffen, de specificaties van de mengsels, de mengactiviteiten in Canada en de beladingsgegevens van de schepen bij[C] op te vragen en een termijn van minder dan twee weken was daartoe ontoereikend. Tijdens het hoorgesprek in de bezwaarfase bleek dat die informatie, behoudens analysecertificaten van de grondstoffen en de mengsels, op die niet-overgelegde CD’s stond. Als verweerder die CD’s tegelijk met het uitreiken van het voornemen aan eiseres beschikbaar had gesteld dan wel haar een langere termijn was gegund om op het voornemen te reageren, dan zou de procedure een andere afloop hebben gehad.

4.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de rechten van de verdediging niet zijn geschaad. Eiseres heeft weliswaar korte tijd gehad om op het eerste voornemen te reageren, maar heeft langere tijd gehad om op het tweede voornemen te reageren. De informatie op de CD’s die als annex 1.7, 1.8 en 1.2.8 bij het OLAF-rapport waren gevoegd, ligt niet ten grondslag aan de voornemens en is daarom in die fase niet aan eiseres ter beschikking gesteld.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) maken de rechten van de verdediging, die het recht om te worden gehoord omvatten, deel uit van de grondrechten die bestanddeel zijn van de rechtsorde van de Unie en verankerd zijn in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het recht om gehoord te worden vereist dat de (potentiële) adressaat van een besluit dat zijn belang aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Deze procedurele verplichting rust op de autoriteiten van de lidstaten wanneer zij voornemens zijn dergelijke bezwarende besluiten te nemen, voor zover die besluiten binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen. Of sprake is van schending van de rechten van de verdediging dient te worden beoordeeld aan de hand van de specifieke omstandigheden van elk geval. Schending van de rechten van de verdediging leidt naar het Unierecht pas tot nietigverklaring van een na afloop van de administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben. De nationale rechter dient dit aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan (vgl. HvJ 10 september 2013, M.G. en N.R., C-383/13, r.o. 32 e.v. en de aldaar genoemde jurisprudentie).

4.4.

De bestreden besluiten betreffen navorderingen van douanerechten die zijn gebaseerd op artikel 220 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Deze besluiten zijn aan eiseres meegedeeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 221 van het CDW en vallen daarom binnen de werkingssfeer van het recht van de Europese Unie. Tussen partijen is niet in geschil dat de utb’s de belangen van eiseres aanmerkelijk raken.

4.5.

Verweerder heeft niet weersproken de stelling van eiseres dat hij ten tijde van het uitreiken van de voornemens de beschikking had over de hiervoor onder 4.1 genoemde CD’s. Nu verweerder echter heeft verklaard dat de informatie op die CD’s niet ten grondslag ligt aan de voornemens die utb’s op te leggen, was hij niet gehouden die informatie aan eiseres ter hand te stellen. Met het niet-overleggen van die CD’s heeft verweerder de rechten van de verdediging derhalve niet geschonden.

4.6.

De rechtbank is evenwel van oordeel dat eiseres onvoldoende tijd is gegund om opmerkingen te maken over de beide voornemens tot navordering. Wat betreft de onder 1.1.1 genoemde utb is evident dat een termijn van hooguit enige uren om te reageren op het voornemen die utb op te leggen onvoldoende is om eiseres in staat te stellen naar behoren haar standpunt aan de douaneautoriteiten kenbaar te maken. Ten aanzien van de onder 1.1.2 genoemde utb is de rechtbank van oordeel dat op grond van alle omstandigheden van het geval de aan eiseres gegunde termijn van 13 dagen om te reageren op het voornemen die utb op te leggen eveneens ontoereikend is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres onweersproken heeft gesteld dat zij informatie bij importeur[C] wilde opvragen, dat[F] ten tijde van het uitreiken van het voornemen failliet was en de benodigde gegevens elders in Canada waren gearchiveerd, dat voormalig medewerkers van[F] weer in dienst moesten worden genomen om die informatie boven water te krijgen, dat de informatie betrekking heeft op een groot aantal scheepsladingen biodiesel en dat het zowel juridisch als feitelijk een complexe materie betreft waarmee een groot financieel belang is gemoeid. Verweerder heeft in zoverre ten aanzien van beide utb’s niet voldaan aan het Unierechtelijke vereiste van eerbieding van de rechten van de verdediging.

4.7.

Dit dient naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet tot vernietiging van die utb’s te leiden. Eiseres heeft gesteld dat zij meer tijd nodig had om de hiervoor onder 4.1 genoemde gegevens op te vragen. Nu een deel van die gegevens ten tijde van het uitreiken van de voornemens al bekend was bij verweerder maar hem niet van die voornemens heeft doen afzien, valt niet in te zien hoe de procedure een andere afloop zou hebben gehad indien eiseres meer tijd was gegund om die reeds bekende informatie in te brengen. Dat zij er niet mee bekend was dat verweerder al de beschikking daarover had, doet daar niet aan af. De overige gegevens zien op analysecertificaten van de grondstoffen en de biodieselmengsels. Nu verweerder de navorderingen in de kern baseert op de stelling dat het proces van het mengen zelf niet als een ingrijpende bewerking kan worden beschouwd waardoor de biodieselmengels de niet-preferentiële oorsprong Canada hebben verkregen, valt niet in te zien hoe de procedure een andere afloop zou hebben gehad indien eiseres meer tijd had gekregen om voorafgaand aan het opleggen van de utb’s analysecertificaten met betrekking tot de grondstoffen en de mengsels over te leggen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding enig gevolg te verbinden aan het feit dat de hiervoor onder 4.6 genoemde procedurele fout is gemaakt bij het opleggen van de utb’s.

Bindende inlichtingen betreffende de oorsprong

4.8.

Eiseres beroept zich op 8 boi’s die voorafgaand aan de onderhavige aangiften in 2009 door [S] te Engeland zijn afgegeven aan [E] B.V. In die boi’s is aan biodieselmengels als de onderhavige de niet-preferentiële oorsprong Canada toegekend. Nu sprake is van indirecte vertegenwoordiging kan eiseres zich op deze boi’s beroepen. In de GPA-aangiften staat weliswaar niet dat eiseres als indirect vertegenwoordiger van [E] B.V. handelt, maar dat kan eiseres niet worden tegenworpen aangezien het ten tijde van de onderhavige aangiften niet mogelijk was om dat in het GPA-systeem aan te geven. Eiseres biedt aan om stukken over te leggen waaruit blijkt dat zij door [E] B.V. is gemachtigd om voor rekening van laatstgenoemde aangiften te doen.

4.9.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres zich niet op de boi’s kan beroepen omdat zij niet de rechthebbende is en in de aangiften niet is verklaard dat zij als indirect vertegenwoordiger van de rechthebbende is opgetreden. Eiseres heeft derhalve voor eigen naam en eigen rekening aangiften gedaan. Als in het GPA-systeem niet kan worden gekozen voor indirecte vertegenwoordiging, had eiseres via het Sagitta-systeem aangifte moeten doen.

4.10.

Het HvJ heeft in zijn arrest van 7 april 2011 in zaak C-153/10 (Sony Supply Chain Solutions (Europe) B.V.) aangaande de bindende tariefinlichting (hierna: bti) onder meer overwogen:

“(…)

48. Artikel 12 van het douanewetboek regelt tot in bijzonderheden de voorwaarden voor de verstrekking, de juridische waarde en de geldigheidsduur van bti’s. Verder bepaalt artikel 10, lid 1, van de uitvoeringsverordening duidelijk dat op de bti slechts door de rechthebbende of de voor rekening van deze rechthebbende handelende vertegenwoordiger een beroep mag worden gedaan.

(…)”

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van een boi hetzelfde heeft te gelden als het HvJ ten aanzien van een bti heeft geoordeeld, zodat alleen de rechthebbende dan wel de voor rekening van die rechthebbende handelende vertegenwoordiger zich op een boi kan beroepen. Eiseres stelt zich weliswaar op het standpunt dat zij als indirect vertegenwoordiger van[E] B.V. heeft gehandeld, maar nu - naar zij ter zitting ook heeft erkend - dat niet in de aangiften is vermeld, wordt zij op grond van artikel 5, vierde lid, tweede volzin, van het CDW geacht voor eigen naam en voor eigen rekening te handelen. Eiseres komt derhalve geen beroep toe op de boi’s. Dat het destijds niet mogelijk was om in het GPA-systeem aan te geven dat als indirect vertegenwoordiger werd opgetreden doet daar niet aan af, nu dit via een aangifte via het Sagitta-systeem wel had kunnen worden aangeven. Dat eiseres geen gebruik heeft gemaakt van dit alternatief komt voor haar rekening en risico. Nu uit artikel 4, aanhef en onder 18, in verbinding met artikel 5, vierde lid, van het CDW volgt dat in de aangifte zelf moet worden verklaard dat als indirect vertegenwoordiger wordt opgetreden, passeert de rechtbank het aanbod van eiseres om alsnog stukken over te leggen waaruit blijkt dat eiseres ten tijde van de aangiften door [E] B.V. was gemachtigd om voor rekening van laatstgenoemde te handelen.

Oorsprong

4.12.

Verweerder, die van de aangiften wil afwijken, stelt zich op het standpunt dat het enkele samenvoegen van twee soorten biodiesel, gemiddeld 70% Amerikaanse biodiesel en 30% Canadese biodiesel, in een tank in Canada geen ingrijpende economische verantwoorde verwerking of bewerking oplevert, zodat het aldus ontstane mengsel op grond van artikel 24 van het CDW niet de oorsprong Canada heeft verkregen, maar op grond van de ‘major proportion (de rechtbank begrijpt: portion) rule’ wordt beschouwd als van oorsprong uit de VS.

4.13.

Eiseres bestrijdt dit en stelt zich op het standpunt dat het mengen dat in Canada heeft plaatsgevonden tot doel had om een biodieselmengsel te verkrijgen dat voldeed aan de Europese kwaliteitsnorm EN 14214. Die kwaliteitsnorm houdt in dat aan bepaalde parameters voor de jodiumwaarde, de cetaanwaarde, het zwavelgehalte en de oxidatiestabiliteit moet zijn voldaan. De diverse grondstoffen werden gericht aangekocht en het mengen van die grondstoffen vond welbewust in bepaalde verhoudingen plaats om te zorgen dat het aldus ontstane biodieselmengsel aan norm EN 14214 voldeed. Het mengen zelf vond niet plaats via een bepaald procedé. De mengactiviteiten in Canada zijn op grond van artikel 24 van het CDW voldoende om aan het biodieselmengsel de niet-preferentiële oorsprong Canada te verlenen.

4.14.

Ingevolge artikel 24 van het CDW zijn goederen bij welker vervaardiging twee of meer landen betrokken zijn geweest, van oorsprong uit het land waar, in een daartoe ingerichte onderneming, de laatste ingrijpende economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden die hetzij tot de fabricage van een nieuw product heeft geleid, hetzij een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigt.

4.15.1.

De Europese Commissie heeft ten behoeve van een uniforme interpretatie van artikel 24 van het CDW lijstregels opgesteld voor het vaststellen van de niet-preferentiële oorsprong. Die lijstregels zijn onderverdeeld in “primary rules” en “residual rules”.

4.15.2.

Regel 2 bij hoofdstuk 38 van de “Primary rules” luidt als volgt:

“Primary Rule 2: Mixtures and Blends

For the purposes of headings 38.01, 38.04, 38.06, 38.07, 38.08 to 38.15, 38.19 to 38.21, 38.23 and 38.24, the deliberate and proportionally controlled mixing or blending (including dispersing) of materials other than the addition of diluents only to conform to predetermined specifications which results in the production of a good having physical or chemical characteristics which are relevant to the purposes or uses of the good and are different from the input materials is to be considered as origin conferring.”

4.15.3.

Regel 3f van de “Residual rules” luidt als volgt:

“(f) When the good is produced from materials (whether or not originating) of more than one country, the country of origin of the good shall be the country in which the major portion of those materials originated, as determined on the basis specified in each chapter.”

4.15.4.

Het HvJ heeft in zijn arrest van 10 december 2009 in zaak C-260/08 (HEKO Industrieerzeugnisse GmbH) geoordeeld dat de lijstregels niet rechtens bindend zijn, maar dat de rechterlijk instanties van de lidstaten de uit deze lijstregels voorvloeiende criteria kunnen toepassen bij de uitleg van artikel 24 van het CDW, voor zover dat niet leidt tot wijziging van de draagwijdte van dat artikel.

4.16.

De rechtbank stelt op basis van het hiervoor onder 2.7 genoemde e-mailbericht en de ter zitting gegeven toelichting op de mengactiviteiten die in Canada hebben plaatsgevonden vast dat de grondstoffen weliswaar bewust in bepaalde verhoudingen bij elkaar werden gevoegd om aan de Europese kwaliteitsnorm te voldoen, maar de rechtbank acht dit niet voldoende. Biodiesel die aan norm EN 14214 voldoet onderscheidt zich niet in die mate van biodiesel die niet aan deze norm voldoet, dat kan worden gesproken van een product dat eigenschappen heeft en een specifieke samenstelling vertoont die de samengevoegde hoeveelheden biodiesel ieder voorheen niet hadden. De criteria voor norm EN 14214 zijn niet exact in die zin dat het product voor wat betreft bijvoorbeeld het iodine- of zwavelgehalte een nauwkeurig bepaalde waarde moet bezitten, maar kennen een bandbreedte dan wel een minimale of een maximale waarde waaraan het product moet voldoen. De stoffen en eigenschappen waarop biodiesel wordt getest, bevinden zich in wisselende concentraties van nature in het product. Evenmin vormt het eenvoudig mengen van hoeveelheden biodiesel van diverse samenstelling en/of eigenschappen een belangrijk fabricagestadium. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het biodieselmengsel niet de niet-preferentiële oorsprong Canada heeft verkregen.

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat de biodieselmengsels voor 17% tot 44% uit Canadese biodiesel bestaan en voor het overige uit Amerikaanse biodiesel. Gelet op lijstregel 3f van de Residual rules is de oorsprong van de biodieselmengsels derhalve de VS. Verweerder is bij het opleggen van de utb’s dan ook terecht in afwijking van de aangiften uitgegaan van de Amerikaanse oorsprong van de biodieselmengsels. De vraag of eiseres het ontduiken van heffingen heeft beoogd, behoeft gelet op het voorgaande geen beantwoording.

Bedrag van de navordering

4.18.

Eiseres voert voorts aan dat als het mengsel niet de Canadese oorsprong heeft verkregen de grondstoffen hun oorspronkelijke oorsprong hebben behouden en derhalve niet kan worden nagevorderd over het aandeel Canadese biodiesel in het mengsel. De utb’s dienen daarom met in totaal € 6.014.312,34 te worden verminderd.

4.19.

Verweerder bestrijdt dit en wijst erop dat door het mengen een homogeen product is ontstaan dat niet kan worden gesplitst in twee oorsprongslanden.

4.20.

Nu door het bij elkaar voegen van de grondstoffen een mengsel in ontstaan dat een geheel vormt, kan dat mengsel wat de oorsprong betreft niet worden gesplitst naar de oorsprong van de diverse componenten waaruit het is samengesteld. Zoals hiervoor onder 4.17 reeds is overwogen hebben de biodieselmengels als geheel de oorsprong VS. De rechtbank ziet gaan aanleiding de utb’s te verminderen.

Slotsom

4.21.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten en schadevergoeding

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of het toekennen van een schadevergoeding op grond van het te dezen toepasselijke artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.L.C. Bijvoet, voorzitter, mr. A. van Dongen en

mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 april 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.