Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4720

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
16-06-2014
Zaaknummer
C-15-212841 - KG ZA 14-166
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiseres vordert onder meer een gebod haar elektronische toegang te verschaffen tot de website van de deurwaarder met gegevens over de dossiers van de opdrachtgevers van eiseres. Daaraan legt zij ten grondslag dat sprake is van schending van het databankrecht. Gelet op de ter zitting toegelichte feitelijke verwerking van gegevens is in onderhavig geval voorshands niet aannemelijk dat sprake is van schending van enig databankrecht.

Uit de overeenkomst tussen partijen volgt dat gedaagde eiseres online inzage dient te verschaffen in de dossiers. Voldoende aannemelijk is dat de afsluiting van de toegang voor eiseres eenmalig was. Gelet op de toezegging van gedaagde ter zitting is de gestelde vrees voor de toekomst onvoldoende reëel om de vorderingen toe te wijzen.

De stelling van eiseres dat zij effectief geen toegang heeft tot haar dossiers omdat de zoekfunctie is geblokkeerd gaat niet op. Mede gelet op de demonstratie van de website ter zitting is voldoende aannemelijk dat wat dat betreft sprake is van een technisch gebrek, en voorts is gebleken dat door het gebruik van de algemene zoekfunctie in de browser via de toetscombinatie Control-F feitelijk nog steeds de mogelijkheid bestaat om in de website te zoeken.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van spoedeisend belang bij het gevorderde voorschot op de schadevergoeding en onvoldoende onderbouwd is dat eiseres schade heeft geleden en wat de omvang van de gestelde schade is.

De gevraagde voorzieningen worden geweigerd. Eiseres wordt in de proceskosten veroordeeld. Gedaagde heeft zich ter zitting desgevraagd primair op het standpunt gesteld dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is, hoewel de door eiseres aan de vorderingen ten grondslag gelegde rechten op grond van de Databankenwet hebben geleid tot extra kosten voor het verweer. Nu in onderhavige zaak geen sprake is van handhaving van rechten van intellectuele eigendom zoals bepaald in artikel 1019 Rv, is ook artikel 1019h Rv niet van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/212841 / KG ZA 14-166

Vonnis in kort geding van 21 mei 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CREDITLINE B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat mr. L.J. Gravendeel,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GERECHTSDEURWAARDER [A],

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Krul.

Partijen zullen hierna Creditline en [A] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 7

  • -

    de bij brief van 5 mei 2014 van mr. Krul voornoemd toegezonden producties 1 tot en met 3f

  • -

    de bij brief van 6 mei 2014 van mr. Gravendeel voornoemd toegezonden akte houdende eisvermeerdering met producties 8 en 9

  • -

    de bij brief van 6 mei 2014 van mr. Krul voornoemd toegezonden producties 4 en 5

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van Creditline

  • -

    de pleitnota van [A].

1.2.

Op 7 mei 2014 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen: [B], namens Creditline, bijgestaan door mr. Gravendeel voornoemd, en [A], namens [A], bijgestaan door mr. Krul voornoemd.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Creditline is een incassobureau dat voor haar opdrachtgevers onbetaalde vorderingen op debiteuren incasseert.

2.2.

[A] is een gerechtsdeurwaarderskantoor. Voor de uitvoering van haar werkzaamheden onderhoudt zij een website met de domeinnaam “deurwaarderwijzer.nl”. Door in te loggen op een afgeschermd deel zijn op die website online de statusgegevens van de dossiers die [A] in behandeling heeft, in te zien.

2.3.

[A], h.o.d.n. Deurwaarderwijzer B.V., als opdrachtnemer, en Creditline als opdrachtgever hebben op enig moment besloten samen te werken waarbij Creditline aan [A] opdrachten verstrekt tot incassering van geldvorderingen door het starten van procedures of het ten uitvoer leggen van reeds gewezen vonnissen. Ter nadere uitwerking van de werkafspraken in verband daarmee hebben partijen op 16 april 2012 een overeenkomst gesloten onder de naam Service Level Agreement (hierna: de overeenkomst) waarin onder meer is vermeld:

(…)

Informatievoorziening:

Opdrachtgever verkrijgt via www.deurwaarderwijzer.nl altijd direct online toegang tot de dossiers. Daarnaast wordt Opdrachtgever dagelijks via zogenaamde notificatie emails op de hoogte gebracht van wijzigingen in de dossiers.

(…)

Stand van zaken in lopende dossiers:

Opdrachtgever zal gebruik maken van de mogelijkheid om via www.deurwaarderwijzer.nl inzage te hebben in de stand van zaken in lopende dossiers.

(…)

Deze overeenkomst (…) loopt voor de duur van één jaar na ondertekening van deze overeenkomst en wordt telkens stilzwijgend met één jaar verlengd, tenzij een van de beide partijen de overeenkomst opzegt. Voor beide partijen geldt een opzegtermijn van 6 maanden.

(…)

2.4.

Creditline had vanaf het begin van de samenwerking toegang tot de dossiers van haar opdrachtgevers via de website deurwaarderwijzer.nl. Vanaf 13 maart 2014 kon Creditline de dossiers niet meer inzien en had zij geen toegang meer tot de betreffende gegevens op de website.

2.5.

De opdrachtgevers van Creditline hadden tot 13 maart 2014 een zelfstandige online-inzagemogelijkheid in hun eigen dossier via de speciaal ingerichte link www.creditline.nl/deurwaarderwijzer.

2.6.

In een brief van 28 maart 2014 van mr. Gravendeel voornoemd namens Creditline aan [A] is onder meer vermeld:

Tot mij wendde zich Creditline (…) die aan u krachtens een overeenkomst (…) voor incasso haar databank met haar klantgegevens aan u ter beschikking heeft gesteld. Deze data zijn klantgegevens zijn n.a.v. een substantiële investering verworven, dit in de vorm van marketing, sales als kosten ter verwerving alsmede bestede uren voor de klanten ‘intake’ bij de aanvang of soms bij het vervolg van een zaak en de input ervan in de databank met haar specifieke parameters. Dit vormt een databankrecht in de zin van de Databankwet; een recht van intellectuele eigendom. U heeft die data met toestemming van cliënt in bezit gekregen ter incasso op voorwaarde dat u de aanvullingen op uw server – waar een kopie van de gegevens van cliënte staat – aan te vullen met de zaakstatus. Dit is echter op voorwaarde dat u cliënte voor de vele zaken (enige honderden) die zij voor haar opdrachtgevers bij u onder heeft gebracht elektronisch kan inzien op uw website via een inlognaam en wachtwoord.

U heeft met het argument van vermeend onjuist gebruik van klantgegevens – waarover u en cliënte regulier beschikken – gesteld dat er privacy belangen zouden worden geschonden door cliënte. Nog daargelaten dat elk bewijs ontbreekt en een beroep daarop aan u niet toekomt, maar hooguit de betrokken personen wiens privacy het zou betreffen, zijn dit geen argumenten om cliënte de toegang tot haar databank die u op uw server bezit opzettelijke te onthouden.

(…)

U zegt nu aan cliënte dat zij slechts schriftelijk en gemotiveerd aan u moet aangeven wat zij aan statusberichten e.d. wil waarnemen van haar honderden dossiers! Dit is uiteraard ondoenlijk, onwerkbaar en kost veel tijd en levert dientengevolge schade op waartoe ik u hier aansprakelijk stel, ook voor de juridische kosten.

(…)

2.7.

In een e-mailbericht van 31 maart 2014 schrijft [A] aan mr. Gravendeel onder meer als volgt:

(…) Wij hebben aangegeven geen primaire data van uw cliënte in onze databank te hebben opgenomen. (…)

Uw cliënte kan bij ons gewoon informatie opvragen. Wij hebben aangegeven hoe uw cliënte informatie kan opvragen. (…)Uw cliënte verkiest zelf de aangegeven informatieroute niet te willen bewandelen. (…)

2.8.

Op 18 april 2014 heeft [A] de toegang voor Creditline met betrekking tot de gegevens van haar dossiers via de website deurwaarderwijzer.nl hersteld. De zelfstandige inzagemogelijkheid voor de opdrachtgevers van Creditline is niet hersteld.

3 Het geschil

3.1.

Creditline vordert na vermeerdering van eis, buiten procesrechtelijk bezwaar van [A], dat

het de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Haarlem moge behage bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat binnen 24 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis:

1. Primair:

  1. gedaagde te gebieden aan eiseres de elektronische toegang te geven tot Databank-D conform de Overeenkomst;

  2. gedaagde te veroordelen dat bij niet inachtneming van dit door U.E.A. te bepalen gebod een dwangsom zal verbeuren aan eiseres van € 15.000,- per dag tot het maximum van € 250.000,- met bepaling dat verbeurte van de dwangsom is gemaximeerd tot € 30.000,- per dag of dagdeel en betaling geschiedt op de derdenrekening van eiseres’ raadsman t.w. Stichting Derdengelden Gravendeel Advocaten (IBAN) NL27ABNA0503926132 (BIC-) ABNANL2A;

  3. een voorschot op de schadevergoeding te betalen aan eiseres ter grootte van € 5.000,- e.e.a. op genoemde derdenrekening, althans subsidiair een bedrag U.E.A. passend en geboden acht;

  4. gedaagde te gebieden (d1) de eerder binnen of via Databank-D ter beschikking gestelde zoekfunctie – inhoudende onder meer te kunnen zoeken naar de naam van de daarin genoemde eisers* en gedaagden* (*: niet zijnde Creditline en deurwaarder [A]), nummers van dossiers van Creditline, nummers dossiers van gedaagde [A] zelf, in stand te laten en ter beschikking te stellen aan eiseres alsmede (d2) ook de exportfuncties van data naar een Pdf-document en (d3) de emailfunctie vanuit Databank-D in stand te laten en ter beschikking te stellen aan eiseres;

2. Subsidiair:

a. Gedaagde te veroordelen zoals gevorderde onder primair 1a, 1b, 1c en 1d naar een naar Uw oordeel passend gebod successievelijk passend voorschot en passende dwangsom; en dit te baseren op de Databankenwet dan wel meer subsidiair op basis van het contractenrecht of meer subsidiair op basis van de onrechtmatige daad;

3. Primair en/of subsidiair: proceskosten en procesgang:

  1. primair te bepalen dat gedaagde aangaande de toegang tot de Debiteurengegevens op Databank-D wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure ex art. 1019h Rv aangegeven in de betrokken Productie 7 en 9;

  2. subsidiair te bepalen dat gedaagde wordt veroordeeld tot de helft van de kosten van deze procedure op de boet van art. 1019h Rv aangegeven in de betrokken productie Productie en te bepalen dat gedaagde wordt veroordeeld in de andere helft van de kosten van deze procedure op de voet van art. 237 Rv aangegeven in de betrokken Productie;

  3. meer subsidiair te bepalen dat gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van deze procedure op de voet van art. 237 Rv in een naar het oordeel van U.E.A. anders aangegeven verhouding dan bij helfte;

  4. te bepalen dat de termijn ex art. 1019i Rv twee maanden is, althans een door U.E.A, te bepalen termijn ten aanzien van de gedaagde;

3.2.

Creditline legt aan haar vorderingen ten grondslag dat sprake is van schending van het databankrecht van Creditline doordat [A] haar de elektronische toegang tot de website met gegevens over de dossiers van de opdrachtgevers van Creditline ontzegt.

Creditline stelt dat daarmee haar normale exploitatie in gevaar komt en daaraan ongerechtvaardigde schade wordt toegebracht nu die exploitatie bestaat uit de raadpleging van de statusberichten en de doorgifte daarvan aan haar opdrachtgevers. Hoewel de toegang inmiddels is hersteld, heeft Creditline er geen vertrouwen meer in dat [A] het portaal open blijft houden. Bovendien stelt Creditline dat de zoekfunctie op de website opzettelijk onklaar is gemaakt voor Creditline zodat zij effectief nog steeds geen toegang heeft tot de gegevens. Daarnaast vordert Creditline een voorschot op de schadevergoeding. Daaraan legt Creditline ten grondslag dat zij door enorme achterstanden in de actualisering van de statusberichtgeving aan haar opdrachtgevers schade lijdt.

3.3.

[A] betwist dat sprake is van beschermde databanken in de zin van de Databankenwet (hierna ook: Dbw). Het verweer van [A] luidt dat zij Creditline heeft afgesloten van toegang tot de gegevens op de website omdat Creditline, aldus [A], vertrouwelijke gegevens aan onbekende derden doorstuurde. De e-mails die Creditline verzond bevatten schermuitdraaien uit het systeem van [A] en werden in kopie aan personen gestuurd die bij [A] niet bekend waren en die niets van doen hadden met de behandeling van de desbetreffende dossiers. Dat heeft [A], aldus haar stellingen, doen besluiten Creditline de toegang tot de website deurwaarderwijzer.nl te ontzeggen. [A] betwist het spoedeisend belang bij de vorderingen omdat de toegang voor Creditline inmiddels is hersteld. Voorts voert [A] als verweer tegen de niet beschikbaarheid van de zoekfunctie op de website dat sprake is van een technisch gebrek waaraan wordt gewerkt. [A] heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Creditline in de kosten van de procedure, voor zover mogelijk op grond van artikel 1019h Rv.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Gebod elektronische toegang

4.1.

De vorderingen van Creditline zijn gebaseerd op de overeenkomst tussen partijen en de daarin opgenomen bepalingen, zoals vermeld onder 2.3, en vinden hun grondslag blijkens de stellingen van Creditline in de omstandigheid dat sprake is geweest van afsluiting van de elektronische toegang voor Creditline tot de gegevens betreffende haar opdrachtgevers op de website deurwaarderwijzer.nl van [A] in de periode tussen 13 maart 2014 en 18 april 2014.

De vraag die derhalve ter beoordeling voorligt is of een grond bestaat om [A] te gebieden, op straffe van een dwangsom, de dossiers voor Creditline via de website deurwaarderwijzer.nl toegankelijk te houden.

4.2.

Creditline beroept zich ter onderbouwing van haar vorderingen op handhaving van haar databankrecht. Creditline stelt daartoe dat de verzameling van gegevens in de eigen administratie van Creditline, waarin de gegevens van haar opdrachtgevers zijn opgenomen en door haar aangeduid als Databank-C, en de verzameling van gegevens in het eigen systeem van [A], door Creditline aangeduid als Databank-D, kwalificeren als databank in de zin van de Databankenwet. Creditline stelt dat zij producent, dan wel mede-producent is van Databank-D aangezien de gegevens door haar uit Databank-C aan [A] zijn verstrekt. Het blokkeren van de toegang tot Databank-D levert een schending van het databankrecht van Creditline, zo luidt haar betoog.

4.3.

Ter zitting is aan de hand van de toelichting van partijen duidelijk geworden hoe het elektronische systeem van gegevens van [A] gevuld wordt. Creditline stelt gegevens van haar opdrachtgevers ter beschikking aan [A]. Die gegevens bestaan onder andere uit NAW-gegevens van de debiteur van de opdrachtgever, de hoogte van de vordering, kopieën van onbetaald gelaten facturen en kopieën van reeds verzonden sommatiebrieven aan de debiteur, relaties van de schuldenaar, de hoedanigheid van die relaties met eveneens de NAW-gegevens, inkomensgegevens van de debiteur en eventueel reeds gewezen vonnissen en beslagexploten. Deze informatie stelt Creditline deels ter beschikking via haar eigen website juridisch.creditline.nl, waarop [A] kan inloggen en vervolgens gegevens kan raadplegen en de facturen en sommatiebrieven kan downloaden als pdf-bestand en printen. Creditline levert ook deels dossiers per e-mail en per post aan, zoals bijvoorbeeld vonnissen van de rechtbank en reeds uitgebrachte exploten. Blijkens de onweersproken stelling van [A] voeren haar medewerkers al deze gegevens in het eigen systeem van [A] in door deze zelf in te typen. Vervolgens vult [A] de gegevens aan met statusberichten. In het systeem van [A] zijn ook andere dossiers van andere opdrachtgevers dan Creditline opgenomen.

4.4.

Gelet op de hiervoor weergegeven feitelijke verwerking van gegevens is in onderhavig geval voorshands niet aannemelijk dat sprake is van schending van enig databankrecht. Blijkens de definitie in artikel 1 sub 1 onder a Dbw moet het gaan om een verzameling van gegevens die systematisch of methodisch geordend en afzonderlijk met elektronische middelen toegankelijk zijn en waarvan de verkrijging, de controle of de presentatie van de inhoud in kwalitatief of kwantitatief opzicht getuigt van een substantiële investering.

Zoals [A] terecht betoogt, is het de vraag of in onderhavig geval sprake is van de vereiste substantiële investering, aangezien de investering van Creditline ziet op het verkrijgen van opdrachtgevers, en niet op de verkrijging van de gegevens van onder meer de debiteuren van die opdrachtgevers. Voorts valt te betwijfelen of Creditline als producent van de veronderstelde Databank-D heeft te gelden. Met een beroep op artikel 6 lid 3 Dbw betoogt Creditline dat sprake is van een substantiële wijziging van de inhoud van de databank door toevoegingen die in kwalitatief en kwantitatief opzicht van substantiële investering getuigen. Daarmee betoogt Creditline dat een nieuw databankrecht is ontstaan en aldus de mutaties die [A] maakt in haar eigen systeem, Databank-D, databankrechtelijk aan Creditline toekomen.

De juistheid van het betoog van Creditline kan echter in het midden blijven. In het geval dat veronderstellenderwijs ervan uit wordt gegaan dat de gegevens van [A] die via de website deurwaarderwijzer.nl zijn te raadplegen, zijn aan te merken als een databank in de zin der wet, valt het blokkeren van de elektronische toegang daartoe niet aan te merken als een inbreuk op een verondersteld databankrecht van Creditline.

4.5.

Het beroep van Creditline op artikel 4 Dbw in dit verband kan haar niet baten.

Artikel 4 bepaalt dat de rechtmatige gebruiker van een databank welke op enigerlei wijze aan het publiek ter beschikking is gesteld, geen handelingen mag verrichten waardoor hij de normale exploitatie van de databank in gevaar brengt of ongerechtvaardigde schade aan de producent toebrengt.

Nog afgezien van de vraag of in onderhavig geval sprake is van een databank die op enigerlei wijze aan het publiek ter beschikking is gesteld, en de vraag, zoals hiervoor reeds overwogen, wie als producent heeft te gelden, valt niet in te zien dat sprake is van het in gevaar brengen van de normale exploitatie van de databank. Anders dan Creditline kennelijk bedoelt te betogen ziet het artikel niet op de schade die Creditline stelt te lijden doordat zij geen toegang heeft tot de gegevens.

4.6.

Het betoog van Creditline dat sprake is van strijd met artikel 5b Dbw gaat evenmin op. Genoemd artikel beoogt middelen ter identificatie van beschermd materiaal en van de rechthebbenden, met name op internet en andere elektronische netwerken, te beschermen tegen verwijdering of manipulatie. Dat van verwijdering of manipulatie van identificatiemiddelen in onderhavig geval sprake is, is gesteld noch gebleken. Nu van inbreuk op artikel 5b Dbw geen sprake is, kan het beroep van Creditline op artikel 5c lid 1 Dbw evenmin slagen.

4.7.

Gelet op het hiervoor overwogene vormen de bepalingen van de Databankenwet geen grond om de vorderingen van Creditline toe te wijzen.

4.8.

Uit de overeenkomst tussen partijen volgt dat [A] Creditline online inzage dient te verschaffen in de dossiers via deurwaarderwijzer.nl. Vast staat dat [A] Creditline de inzage heeft belet door op 13 maart 2014 de toegang tot het afgeschermde deel van de website te blokkeren. Vast staat dat [A] voorafgaand aan de afsluiting Creditline niet heeft geïnformeerd over de reden daarvan. Die afsluiting, zonder voorafgaande aankondiging en derhalve zonder Creditline de gelegenheid te bieden de door [A] gestelde schending van de privacy te beëindigen, dan wel daaromtrent uitleg te geven, is niet in overeenstemming met de afspraken zoals partijen die in de overeenkomst hebben neergelegd. Voorts staat vast dat de elektronische toegang voor Creditline inmiddels met ingang van 18 april 2014 is hersteld. Creditline stelt echter dat het belang bij haar vorderingen is gelegen in de vrees die zij heeft dat [A] in de toekomst wederom de toegang tot de dossiers op de website zal blokkeren.

4.9.

Voldoende aannemelijk is dat de afsluiting van de toegang voor Creditline eenmalig was. Ter zitting heeft [A] toegezegd dat zij in het vervolg binnen 1 à 2 dagen na een storingsmelding van Creditline zal reageren en dat zij, mocht zij voornemens zijn de elektronische toegang voor Creditline (wederom) te blokkeren omdat [A] van mening is dat sprake is van schending van de privacy doordat ten onrechte gegevens aan derden zijn verstuurd, voorafgaand daaraan een waarschuwing zal doen uitgaan. Gelet op de toezegging van [A] is de gestelde vrees voor de toekomst onvoldoende reëel om de vorderingen toe te wijzen.

4.10.

Wat betreft het niet functioneren van de door [A] op haar website aangebrachte zoekfuctie is, mede gelet op de demonstratie van de website door [A] ter zitting, voldoende aannemelijk dat wat dat betreft sprake is van een technisch gebrek. Zoals ook ter zitting gebleken, bestaat door het gebruik van de algemene zoekfunctie in de browser via de toetscombinatie Control-F feitelijk nog steeds de mogelijkheid om in de website van [A] te zoeken. De stelling van Creditline dat zij effectief geen toegang heeft tot haar dossiers gaat derhalve niet op.

4.11.

De stelling van Creditline dat aan haar opdrachtgevers geen inzage meer wordt geboden hetgeen tot aan 13 maart 2014 voor hen wel mogelijk was, kan evenmin grond vormen voor toewijzing van de vorderingen. Uit de tussen partijen gesloten overeenkomst blijkt niet dat de opdrachtgevers van Creditline recht op inzage hadden. Die mogelijkheid was niet contractueel tussen partijen overeengekomen. De enkele omstandigheid dat die opdrachtgevers die mogelijkheid wel enige tijd, in ieder geval tot aan 13 maart 2014, hebben gehad, levert onvoldoende onderbouwing om daaruit een recht voor de toekomst af te leiden. Bovendien is herstel van de afsluiting van de inzagemogelijkheid aan de opdrachtgevers van Creditline niet inbegrepen in de vorderingen.

4.12.

Voor zover Creditline aan haar vorderingen ten grondslag legt dat sprake is van misbruik van recht door [A], dan wel van schending van de gedragsregels voor deurwaarders door [A], worden haar stellingen dienaangaande als onvoldoende onderbouwd verworpen.

4.13.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat geen grond bestaat voor toewijzing van een gebod tot het geven van elektronische toegang als gevorderd.

Voorschot schadevergoeding

4.14.

Wat betreft de gevorderde betaling van een voorschot op de schadevergoeding geldt dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar – kort gezegd – het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.15.

Gesteld noch gebleken is dat sprake is van spoedeisend belang aan de zijde van Creditline bij dit deel van de vordering. Voorts heeft Creditline onvoldoende onderbouwd dat zij schade heeft geleden en wat de omvang van de gestelde schade is als gevolg van het gedurende de periode 13 maart 2014 tot 18 april 2014 niet kunnen raadplegen van de dossiers van haar opdrachtgevers op de website van [A] Daartoe is de stelling dat de vermogensschade bestaat in renteverlies op te ontvangen bedragen, tijdsverlies aan steeds nodeloos uitleggen dat [A] obstructie pleegt, reputatieschade/goodwillverlies en juridische kosten ex art. 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gekapitaliseerd naar een verlies van € 15,- per zaak en vermenigvuldigd met 354 zaken tot € 5.000,-, onvoldoende. Onweersproken is immers dat in de betreffende periode [A] heeft laten weten dossiergegevens ter beschikking te stellen indien Creditline per e-mail daarom zou verzoeken. Creditline heeft daar geen gebruik van gemaakt. Evenmin kan, zonder nadere onderbouwing – die ontbreekt – de stelling van Creditline dat zij haar goede naam verliest, alsmede nieuwe opdrachten misloopt, haar baten. De stelling dat het een feit van algemene bekendheid is dat je dan klanten verliest, levert daartoe onvoldoende onderbouwing. Voorts kan de expliciete vordering van Creditline van vermogensschade bestaande in ander nadeel in de zin van artikel 6:106 lid 1 onder a Burgerlijk Wetboek nu [A] het oogmerk heeft nadeel toe te brengen bij gebreke van een onderbouwing niet leiden tot toewijzing van een voorschot op schadevergoeding.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de vordering tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Subsidiaire vorderingen

4.16.

Gelet op al het hiervoor overwogene bestaat evenmin grond voor toewijzing van het subsidiair gevorderde.

Proceskosten

4.17.

Creditline zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. [A] heeft zich ter zitting desgevraagd primair op het standpunt gesteld dat artikel 1019h Rv niet van toepassing is, hoewel de door Creditline aan de vorderingen ten grondslag gelegde rechten op grond van de Databankenwet hebben geleid tot extra kosten voor het verweer.

Nu in onderhavige zaak geen sprake is van handhaving van rechten van intellectuele eigendom zoals bepaald in artikel 1019 Rv, is ook artikel 1019h Rv niet van toepassing. De kosten aan de zijde van [A] zullen derhalve conform het gebruikelijk liquidatietarief worden begroot op:

- griffierecht € 1.892,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.708,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2.

veroordeelt Creditline in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 2.708,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.R. ten Berge op 21 mei 2014.1

Bij ontstentenis van mr. A.J. van der Meer is dit vonnis ondertekend door mr. Th. S. Röell.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.

1 Conc.: 802