Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4618

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
AWB-12_5174 bz
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verrekeningen SNL-subsidies, doorkruisen betalingsregeling, hoorplicht

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 12/5174, HAA 12/5241 en HAA 12/5242

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2012 (het primaire besluit I) heeft verweerder het bedrag van € 935,47 dat eiser zou ontvangen verrekend met een bij verweerder openstaande vordering.

Bij besluit van 5 juli 2012 (het primaire besluit II) heeft verweerder het bedrag van € 3.982,78 dat eiser zou ontvangen verrekend met een bij verweerder openstaande vordering.

Bij besluit van 19 juli 2012 (het primaire besluit III) heeft verweerder het bedrag van € 359,73 dat eiser zou ontvangen verrekend met een bij verweerder openstaande vordering.

Bij afzonderlijke besluiten van 12 oktober 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014.

Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Dit beroep is behandeld met de volgende beroepszaken tussen deze partijen: HAA 12/1352, HAA 12/4841, HAA 12/4842, HAA 12/5558, HAA 13/411, HAA 13/1939 en HAA 13/3625.

Overwegingen

1.

Eiser heeft ter zitting het beroep inzake de verrekening van € 359,73 (geregistreerd onder zaaknummer HAA 12/5174, besluit III) ingetrokken onder verzoek van vergoeding van de proceskosten. Verweerder heeft ter zitting vergoeding van de proceskosten toegezegd.

2.

Bij besluit van 23 september 2011 heeft verweerder € 23.406,48 van eiser teruggevorderd aan ten onrechte uitgekeerde subsidie in het kader van het Subsidiestelsel natuur- en landschapsbeheer (SNL).

3.

Bij besluit op bezwaar van 20 februari 2012 inzake de SNL-subsidie voor het onderdeel toeslag ruige stalmest heeft verweerder het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Hierdoor heeft eiser recht gekregen op een nabetaling van € 935,47. Dit bedrag heeft verweerder op 5 juli 2012 verrekend met bovenstaande terugvordering.

Als gevolg van het (primaire) besluit van 30 juni 2012 ten aanzien van eisers verzoek om uitbetaling van de SNL-subsidie voor het onderdeel probleemgebiedenvergoeding (PGV) 2011 heeft eiser recht op uitbetaling. Dit bedrag van € 3.982,78 heeft verweerder bij besluit van 5 juli 2012 verrekend met de openstaande vordering.

4.

Eiser acht de verrekening prematuur nu de bedragen en de terugvordering waarmee verrekend wordt subsidies betreffen die nog niet onherroepelijk vast staan. Eiser is immers tegen deze toekennings- en terugvorderingsbesluiten in bezwaar en beroep gekomen. Voorts is eiser ter aflossing van de terugvordering een betalingsregeling aangegaan met verweerder. De verrekening van bovengenoemde bedragen, waarmee in de financiële planning en bij het opstellen van de betalingsregeling geen rekening is gehouden, verstoort de liquiditeitspositie van eisers bedrijf enorm. Eiser meent dat verweerder ten onrechte heeft verrekend nu hij zijn betalingsregeling volgens afspraak is nagekomen, dan wel dat verweerder de betalingsregeling dienovereenkomstig had dienen aan te passen.

5.

In de bestreden besluiten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het kader van SNL-subsidies Europese regels van toepassing zijn. Op grond van artikel 5 ter Verordening (EG) 885/2006 is het niet toegestaan om zonder verrekening betalingen te doen zolang er nog vorderingen openstaan. Het bestaan van een betalingsregeling laat onverlet dat verweerder een verrekenplicht heeft. Om deze reden acht verweerder het dan ook toegestaan om een betalingsregeling te doorkruisen met verrekeningen.

6.

De rechtbank acht dit standpunt juist. De bevoegdheid en zelfs verplichting van verweerder om in een geval als dit tot verrekening over te gaan is gegeven in artikel 5 ter van Verordening (EG) nr. 885/2006 van 21 juni 2006. Dit artikel is ingevoegd bij Verordening (EG) nr. 1034/2008 van de Commissie van 21 oktober 2008. In dit artikel is bepaald met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO, dat, onverminderd de andere handhavingsmaatregelen waarin het nationale recht voorziet, de lidstaten elke nog openstaande vordering op een begunstigde die overeenkomstig het nationale recht vast is komen te staan, verrekenen met welke betaling dan ook die het voor de inning van de vordering verantwoordelijke betaalorgaan in de toekomst aan dezelfde begunstigde moet doen. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot verrekening van de uit te betalen bedragen met de openstaande vordering op eiser. De betalingsregeling staat hieraan niet in de weg. Evenmin staat hieraan in de weg een eventueel nog niet onherroepelijk zijn van de betreffende besluiten ter zake subsidies. Gelet op het grote aantal aanvragen en betalingen acht de rechtbank de verklaring van verweerder dat de betalingsregeling niet per geval kan worden aangepast niet onaannemelijk. Er is ook geen rechtsregel die verweerder daartoe verplicht. De beroepsgrond faalt.

7.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat - kort en zakelijk weergegeven - de primaire besluiten onbegrijpelijk zijn omdat daarin een overzichtelijke uiteenzetting van hetgeen wordt verrekend en waarom ontbreekt. Daardoor is hij telkens genoodzaakt in bezwaar en beroep te gaan. Een en ander is in dit geval nog verder gecompliceerd doordat de bezwaren van eiser bij het voornoemde besluit op bezwaar van 20 februari inzake de ruige stalmest weliswaar gedeeltelijk gegrond is verklaard maar de financiële “vertaling” hiervan niet reeds dadelijk in dat besluit is opgenomen. Daardoor was het verrekende bedrag van € 935,47 voor eiser niet goed te duiden. Verder stoort het eiser dat ook in gevallen als de onderhavige het bezwaar kennelijk ongegrond wordt verklaard. Juist een hoorzitting zou enig licht kunnen werpen op wat eiser noemt een “boekingenbrij”.

8.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat bovenstaande werkwijze bij beslissingen op bezwaar inmiddels is aangepast en dat de financiële gevolgen van de nieuwe beslissing thans in de besluiten zelf wordt opgenomen. Tevens is eiser nagegeven dat de primaire besluiten erg onduidelijk waren, maar verweerder is van mening dat de bedragen in de bestreden besluiten voldoende duidelijk gemotiveerd zijn.

9.

De rechtbank stelt vast dat verweerder dit laatste met recht betoogt. Met betrekking tot het beroep van eiser op de schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt.

10.

Vast staat dat verweerder de bezwaren van eiser tegen de in geding zijnde besluiten niet inhoudelijk aan de orde heeft gesteld op een hoorzitting, hoewel hiertoe wel aanleiding bestond. Verweerder heeft dan ook gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

11.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb, zoals dat met ingang van 1 januari 2013 luidt, kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbende daardoor niet is benadeeld.

12.

De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van dit artikel. Daartoe wordt overwogen dat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt nader toe te lichten. Verweerder is ter zitting inhoudelijk op het betoog van eiser ingegaan en eiser heeft de mogelijkheid gehad hierop te reageren. Voorts heeft verweerder wel naar aanleiding van de bezwaarschriften informele telefonische gesprekken gevoerd met eiser. De beroepsgrond faalt dan ook.

13.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Gelet op hetgeen is overwogen onder 10. veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1461,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.