Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4616

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
AWB-12_5558 bz
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Probleemgebiedenvergoeding, subsidie agrarisch natuurbeheer en toeslag ruige mest - omvang subsidiabele beheereenheden, AAN-register, Toolkit, hoorplicht

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 12/5558

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: ir. S. Boonstra),

en

het college van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.H. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de subsidie Probleemgebiedenvergoeding 2011 (PGV) bepaald op € 3.982,78.

Bij besluit van 26 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het subsidiebedrag voor agrarisch natuurbeheer en toeslag ruige mest bepaald op € 31.549,55.

Bij besluit van 13 november 2012 heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten gedeeltelijk gegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 12 maart 2013 (het bestreden besluit ) heeft verweerder het besluit van 13 november 2012 ingetrokken. De bezwaren van eiser zijn gedeeltelijk gegrond verklaard en de primaire besluiten gedeeltelijk herroepen. Tevens heeft verweerder besloten tot nabetaling van in totaal € 149,46.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2014.

Eiser en zijn echtgenote zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Dit beroep is behandeld met de volgende beroepszaken tussen deze partijen: HAA 12/1352, HAA 12/4842, HAA 12/5174, HAA 12/5241, HAA 12/5242, HAA 12/4841, HAA 13/411, HAA 13/1939 en HAA 13/3625.

Overwegingen

1.

Eiser heeft op 14 mei 2011 een betaalverzoek ingediend voor subsidie in het kader van het Subsidiestelsel natuur- en landschapsbeheer (SNL) voor het onderdeel collectief agrarisch natuurbeheer in 2011. Tevens heeft eiser verzocht om subsidie voor het pakket Probleemgebiedenvergoeding (PGV) voor een groot aantal gewaspercelen behorend bij de aanvraag SNL. Voorts heeft eiser op 2 augustus 2011 een (aangepaste) melding gedaan van het uitrijden van ruige stalmest om in aanmerking te komen voor de toeslag ruige stalmest.

2.

Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het bezwaar of beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben. Het besluit van 12 maart 2013 zal de rechtbank bij de behandeling van eisers beroepschrift betrekken.

3.

Nu verweerder bij het bestreden besluit van 12 maart 2013 het bestreden besluit van 13 november 2012 heeft vervangen, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit van 13 november 2012. Het beroep tegen dat besluit is daarom niet-ontvankelijk.

4.

Tussen partijen is in geschil de omvang van de oppervlakten van de percelen van eiser die verweerder bij zijn beslissingen in aanmerking heeft genomen. Eiser bestrijdt deze oppervlakten en wijst daarbij naar de (voor eiser gunstigere) meetresultaten van een fysieke controle uitgevoerd op 14 september 2011 door de Algemene Inspectiedienst, thans Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (nVWA).

5.

De rechtbank verwijst allereerst naar hetgeen omtrent de wijze van bepalen van de omvang van beheereenheden en het zogenoemde AAN-register is overwogen in de uitspraak ten name van eiser onder nummer HAA 12/4841. Voorts stelt zij vast dat eiser ook in de onderhavige zaak geen concrete en op de afzonderlijke percelen toegespitste argumenten heeft aangedragen die op een foutieve interpretatie van de door verweerder gehanteerde luchtfoto’s wijzen. Deze blijken evenmin uit de nVWA-rapportage. De rechtbank is dan ok van oordeel dat verweerder in de meetresultaten daarvan geen aanleiding heeft hoeven zien de grenzen van eisers percelen in het AAN-register aan te passen. De beroepsgrond slaagt niet.

6.

Voorts is verweerder, naar de mening van eiser onterecht, niet ingegaan op de relatie met de besluitvorming ter zake de uitbetaling van de SNL subsidie over 2010 en de in dat kader in aanmerking genomen oppervlakten van een aantal beheereenheden. Deze besluitvorming is eveneens van invloed op de betaalbeschikking 2011. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat hij een groter oppervlak had willen beheren. Deze oppervlakten heeft hij niet kunnen aangeven ten gevolge van beperkingen in de zogeheten Toolkit, veroorzaakt door de wijziging van in aanmerking genomen oppervlakten van verschillende beheereenheden bij het besluit over de SNL-uitbetaling over 2010.

7.

De rechtbank stelt vast dat het besluit inzake de SNL-uitbetaling over 2010 inderdaad doorwerkt in opeenvolgende SNL-jaren. Dat is een gevolg van de systematiek van deze subsidieregeling. Dit kan, nu niet is gebleken dat de vaststelling van de in aanmerking genomen oppervlakten van de beheereenheden onjuist is, niet leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit reeds hierom moet worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt niet.

8.

Tot slot heeft eiser aangevoerd dat verweerder ten onrechte het bezwaar heeft afgedaan zonder eiser te horen.

9.

Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat niet is gehoord omdat de bezwaren van eiser zich richtten op de vaststelling van de oppervlakten van de betrokken percelen en er in het kader van de bedrijfstoeslagenregeling (BTR) ook reeds procedures daarover waren geweest. Een hoorzitting zou geen toegevoegde waarde hebben.

10.

Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord voordat het op het bezwaar beslist.

11.

Vast staat dat verweerder de bezwaren van eiser tegen de besluiten van 30 juni 2012 en 26 juli 2012 niet aan de orde heeft gesteld in een hoorzitting. Ook voorafgaand aan het nieuwe besluit heeft verweerder eiser niet gehoord. Nu daartoe wel aanleiding bestond, heeft verweerder gehandeld in strijd met artikel 7:2 van de Awb.

12.

Ingevolge artikel 6:22 van de Awb, zoals dat met ingang van 1 januari 2013 luidt, kan een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep in ingesteld ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

13.

De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van dit artikel. Daartoe wordt overwogen dat aannemelijk is dat eiser door deze schending niet is benadeeld. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad zijn standpunt nader toe te lichten. Verweerder is ter zitting inhoudelijk op het betoog van eiser ingegaan en eiser heeft de mogelijkheid gehad om hierop te reageren. De beroepsgrond faalt.

14.

Voor zover het beroep gericht is tegen het besluit van 12 maart 2013 is het beroep ongegrond.

15.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 3. en 11. veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1461,- (2 punten voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

16.

Het door eiser betaalde griffierecht wordt geacht mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit van 12 maart 2013.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 13 november 2012 niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 12 maart 2013 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1461,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.