Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4584

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
22-05-2014
Zaaknummer
15/660062-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dodelijk verkeersongeval in Westzaan op 2 april 2011. Vrijspraak van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 in verband met verontschuldigbare onmacht (onvoorzienbare epileptische aanval). Vrijspraak van rijden onder invloed, nu niet vast is komen te staan dat deze verdachte onder zodanige invloed van THC verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat was. Ontslag van alle rechtsvervolging wat betreft artikel 5 Wegenverkeerswet 1994.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/660062-11 (P)

Uitspraakdatum: 6 mei 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 17 juli 2012 en 22 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. J. van der Putte en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D. Fontein, advocaat te Koog aan de Zaan, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Westzaan, gemeente Zaanstad, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto), daarmede rijdende over de weg, de N246, naderende de kruising of splitsing van die weg met de afrit van de A8 (rechts),

alwaar de verkeerstromen werden geregeld door middel van verkeerslichten, als bedoeld in het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, te rijden,

immers, heeft verdachte,

terwijl hij in februari 2009 een eerste epileptische aanval doormaakte en/of daarop is gediagnosticeerd met cryptogene lokalisatie gebonden epilesie, althans een vorm van epilepsie, en/of daarvoor medicatie voorgeschreven heeft gekregen, dat medicatiegebruik gestaakt,

en/of (vervolgens)

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

en/of

gereden met een snelheid die was gelegen tussen de 92 km/uur en 134 km/uur, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 70 km/uur, althans met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoorde snelheid

en/of (vervolgens)

zijn voertuig niet tot stilstand heeft gebracht binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en/of waarover deze vrij was,

waarna of (mede) waardoor een aanrijding of botsing ontstond met een voor hem op die weg, voor een in zijn verdachtes rijrichting roodlicht uitstralend verkeerslicht, bevindend motorrijtuig (een personenauto),

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Subsidiair

hij op of omstreeks 02 april 2011 te Westzaan, gemeente Zaanstad, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg,de N246, naderende de kruising of splitsing van die weg met de afrit van de A8 (rechts),

terwijl hij in februari 2009 een eerste epileptische aanval doormaakte en/op daarop is gediagnosticeerd met cryptogene lokalisatie gebonden epilesie, althans een vorm van epilepsie, en/of daarvoor medicatie voorgeschreven heeft gekregen, dat medicatiegebruik gestaakt,

en/of (vervolgens)

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

en/of

heeft gereden met een snelheid die was gelegen tussen de 92 km/uur en 134 km/uur, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 70 km/uur, althans met een gezien de situatie ter plaatse onverantwoorde snelheid

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd

en/of

hij op of omstreeks 2 april 2011 te Westzaan, gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten cannabinoïden, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2 Voorvragen

De raadsman heeft bepleit dat het gedeelte van de tenlastelegging dat bij wijziging van de tenlastelegging is toegevoegd (“terwijl hij in februari 2009 een eerste epileptische aanval doormaakte en/of daarop is gediagnosticeerd met cryptogene lokalisatie gebonden epilesie, althans een vorm van epilepsie, en/of daarvoor medicatie voorgeschreven heeft gekregen, dat medicatiegebruik gestaakt”) nietig dient te worden verklaard, nu dit geen strafbare gedraging betreft.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat de dagvaarding een voldoende opgave van het feit bevat als bedoeld in artikel 261 Wetboek van Strafvordering, nu in de dagvaarding de feitelijke omschrijving van de gedragingen van verdachte waaruit het tenlastegelegde feit zou hebben bestaan is opgenomen, de dagvaarding voorts – ook wat betreft de door de verdediging genoemde passage – voldoende begrijpelijk is en geen innerlijke tegenstrijdigheden bevat. De rechtbank zal het verweer van de raadsman daarom verwerpen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ook overigens de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding


Op zaterdag 2 april 2011 omstreeks 06.25 uur vindt op de provinciale weg N246 ter hoogte van het kruispunt met de afrit rijksweg A8 rechts in Westzaan, gemeente Zaanstad, een verkeersongeval plaats waarbij vier voertuigen betrokken zijn. Verdachte, rijdend in een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken], is achterop de auto van [slachtoffer] – een Daihatsu Sirion met kenteken [kenteken] – gebotst, waarna beide auto’s in brand zijn geraakt. Door de kracht van de botsing is vervolgens de Volkswagen Golf van verdachte tegen de Renault Trafic, bestuurd door [betrokkene 1], gebotst en is de Daihatsu Sirion van [slachtoffer] tegen de Ford Transit, bestuurd door[betrokkene 2], gebotst. De heer[slachtoffer] is ten gevolge van het ongeval overleden.

Door verbalisanten van de afdeling verkeersondersteuning wordt een onderzoek ingesteld naar de toedracht van het ongeval , waarbij onder andere wordt vastgesteld dat de provinciale weg N246 een maximumsnelheid kent van 100 km/h, welke maximumsnelheid 260 meter voor het kruispunt wordt teruggebracht naar 70 km/h. Er worden geen gebreken aan de weg vastgesteld, het was droog en het was nog schemerig. Alle vier de betrokken voertuigen voldeden aan de in de Regeling Voertuigen gestelde eisen. Er worden geen remsporen aangetroffen die in verband kunnen worden gebracht met het ongeval.

4 Beoordeling van de tenlastelegging

4.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van de subsidiair (eerste en tweede alternatief) ten laste gelegde feiten.

4.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit en het subsidiair (tweede alternatief) ten laste gelegde feit. Voorts heeft de raadsman van verdachte bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van rechtsvervolging met betrekking tot het subsidiair (eerste alternatief) ten laste gelegde feit.

4.3.

Vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder primair en onder subsidiair (tweede alternatief) ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank neemt, gelet op het rapport van de deskundige De Louw en gezien het

ontbreken van een andere aannemelijke verklaring voor de oorzaak van het ongeval, als vaststaand aan dat verdachte, direct voorafgaande aan en ten tijde van het ongeval, een (korte) epileptische aanval heeft doorgemaakt, ten gevolge waarvan hij het bewustzijn heeft verloren en dat hierdoor het ongeval is veroorzaakt. Bij het optreden van deze epileptische aanval past ook de uit het ontbreken van remsporen op het wegdek getrokken conclusie dat verdachte niet heeft afgeremd voor het op rood staande verkeerslicht.

De vraag waarvoor de rechtbank zich gesteld ziet is of het optreden van de epileptische aanval voor de rekening van verdachte komt en aan hem verweten kan worden in de vorm van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank acht bij de beantwoording van deze vraag onder meer van belang in welke mate er bij verdachte sprake was van epilepsie en hoe het medicatiegebruik van verdachte met betrekking tot deze aandoening er uitzag.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte in 2009 twee (bekende) epileptische aanvallen heeft gehad en daarvoor onder behandeling is gekomen bij dr. Prazsky, en aansluitend bij dr. Beun van epilepsiecentrum SEIN. Door dr. Beun is bij verdachte een cryptogene lokalisatie gebonden epilepsie gediagnosticeerd en medicatie geadviseerd (carbamazepine). Tevens heeft dr. Beun de regelgeving met betrekking tot de rijgeschiktheid nog eens met verdachte doorgenomen en is door verdachte een melding gedaan bij het CBR. Tot het moment van het ongeval is het, voor zover de rechtbank heeft kunnen vaststellen, bij voornoemde twee epileptische aanvallen gebleven.

Eind 2009 is verdachte gestopt met het innemen van anti-epileptische medicatie, volgens eigen zeggen op advies van dr. Beun. Hieromtrent zijn geen stukken in het dossier aanwezig. Evenals de officier van justitie is de rechtbank echter van oordeel dat er geen aanleiding is om de verklaring van verdachte op dit punt niet geloofwaardig te achten.

Volgens de Regeling eisen geschiktheid 2000 van het CBR, geldt na het afbouwen van de medicatie een periode van drie maanden waarin geen epileptische aanvallen mogen plaatsvinden, waarna iemand weer een voertuig mag besturen. Het ongeval heeft ruim na deze door de regeling genoemde periode plaatsgevonden.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het voor verdachte niet voorzienbaar was dat hij een epileptische aanval zou krijgen en dat hij in een staat van verontschuldigbare onmacht verkeerde op het moment dat het verkeersongeval plaatsvond. Gelet daarop kan niet bewezen worden dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden en zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Wat betreft het onder subsidiair (tweede alternatief) ten laste gelegde rijden onder invloed ex artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 1 april 2011 een joint heeft gerookt. Op 2 april 2011 bevond zich, blijkens toxicologisch onderzoek, een THC-gehalte in het bloed van verdachte. Hieromtrent is door de deskundige Verschraagen gesteld dat de concentratie van THC in het bloed van verdachte heeft gemaakt dat ten tijde van de serumafname de rijvaardigheid waarschijnlijk nadelig beïnvloed was. Bij deze conclusie, die het hoogste waarschijnlijkheidsoordeel inhoudt dat door het NFI gegeven kan worden, is uitgegaan van de gemiddelde gebruiker. De rechtbank acht deze conclusie echter onvoldoende om aan te nemen dat verdachte, die heeft aangegeven al lange tijd nagenoeg dagelijks een joint te roken, onder zodanige invloed verkeerde dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht. De rechtbank heeft hierbij gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 27 maart 2012 (NJ 2012, 475), waarin is vastgesteld dat het gaat om de vraag “of aangenomen mag worden dat de gemiddelde bestuurder in de vastgestelde omstandigheden van het geval niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht en een daarop gegrond ernstig vermoeden dat ook de verdachte niet meer tot behoorlijk besturen in staat moet worden geacht”. Nu dit laatste onvoldoende is gebleken, zal de rechtbank verdachte eveneens vrijspreken voor hetgeen hem onder subsidiair (tweede alternatief) ten laste is gelegd.

4.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder subsidiair (eerste alternatief) ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij op 2 april 2011 op de N246 reed en de kruising met de afrit van de A8 naderde, gelegen in Westzaan (gemeente Zaanstad).1 Uit het deskundigenonderzoek met betrekking tot de snelheidsbepaling is gebleken dat verdachte ten minste 92 km/h en ten hoogste 134 km/h heeft gereden2, welke snelheid hoger was dan de aldaar geldende maximumsnelheid van 70 km/h3. Door deze snelheidsovertreding is gevaar op de weg veroorzaakt, welk gevaar zich voorts ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd in de zin van een dodelijk verkeersongeval.

4.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder subsidiair (eerste alternatief) ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 2 april 2011 te Westzaan, gemeente Zaanstad, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N246, naderende de kruising of splitsing van die weg met de afrit van de A8 (rechts),

heeft gereden met een snelheid die was gelegen tussen de 92 km/uur en 134 km/uur, in elk geval met een hogere dan de ter plaatse toegestane snelheid van 70 km/uur,

door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3. ten aanzien van het primair ten laste gelegde is overwogen omtrent de afwezigheid van schuld bij verdachte nu hij in verontschuldigbare onmacht verkeerde acht de rechtbank voldoende omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte ook ten aanzien van het subsidiair (eerste alternatief) ten laste gelegde uitsluit. Verdachte is derhalve niet strafbaar en zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair en subsidiair (tweede alternatief) is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder subsidiair (eerste alternatief) ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte subsidiair (eerste alternatief) meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het onder subsidiair (eerste alternatief) bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte daarvoor van alle rechtsvervolging.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.E.C. de Wit, voorzitter,

mr. A.E. van Montfrans-Wolters en mr. N. Cuvelier, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. de Jong,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 6 mei 2014.

1 Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 22 april 2014.

2 Een geschrift, zijnde de rapportage opgesteld door ing. K.M. Hagendoorn d.d. 12 december 2011 omtrent de snelheidsbepaling.

3 Het proces-verbaal verkeersongevals analyse, opgesteld door verbalisanten E. Speelman en C. Duijzer d.d. 3 januari 2012 (p. 14).