Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4418

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-05-2014
Datum publicatie
03-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_4747
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toerekening en verhaal. Eigen risicodrager.

Bepalingen van dwingend recht. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen pas in de fase van verhaal een rol spelen. Eiseres heeft een eigen onderzoeksplicht. Geen schending van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 13/2017 en 13/4747

uitspraak van de meervoudige kamer van 26 mei 2014 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., te Beverwijk, eiseres

(gemachtigde: mr. M. Kluft),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres meegedeeld welke WGA-uitkeringen op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) van haar (ex)werknemers onder het eigen risico van eiseres vallen (het toerekeningsbesluit).

Bij besluit van 4 maart 2013 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het toerekeningsbesluit ongegrond verklaard.

Bij besluit van 4 maart 2013 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld welke WGA-uitkeringen in de periode van 1 januari 2009 tot 1 maart 2013, door verweerder betaald, op eiseres zullen worden verhaald, ten bedrage van totaal € 86.059,31 (het verhaalsbesluit).

Bij besluit van 10 oktober 2013 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2014. De zaken zijn gevoegd behandeld. Eiseres werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr. R. Hopster.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1

Op 1 juli 2008 is eiseres eigenrisicodrager geworden voor de WGA.

1.2

Uit de polisadministratie van verweerder blijkt dat [naam 1] (hierna:[naam 1]) op 28 augustus 2006 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden en dat zij op deze datum in dienst was bij eiseres. Bij besluit van 25 september 2008 is aan [naam 1] per 17 september 2008 een WGA-uitkering toegekend. Dit besluit is op 29 september 2008 aan eiseres toegestuurd.

1.4

Uit de polisadministratie van verweerder blijkt dat[naam 2] (hierna: [naam 2]) op 8 oktober 2007 (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geworden en dat hij op deze datum in dienst was bij eiseres. Bij besluit van 20 november 2009 is aan [naam 2] per 5 oktober 2009 een WGA-uitkering toegekend. Dit besluit is op 20 november 2009 aan eiseres toegestuurd.

1.5

Per 1 maart 2009 heeft [bedrijf] de schoonmaakactiviteiten van eiseres overgenomen. Voor wat betreft de overige bedrijfstakken is [eiseres] B.V. blijven bestaan.

2.

De bestreden besluiten berusten op het standpunt van verweerder dat de WGA-uitkeringen van voornoemde werknemers onder het risico van eiseres vallen, nu deze werknemers toen zij arbeidsongeschikt werden in dienst waren van eiseres. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de uitkeringen van genoemde werknemers op goede gronden zijn toegerekend aan eiseres en terecht op eiseres zijn verhaald.

3.

In beroep heeft eiseres wat betreft het toerekeningsbesluit (bestreden besluit 1) aangevoerd dat verweerder op het moment van het toestemmingsbesluit om eigenrisicodrager te worden per 1 juli 2008 niet alle relevante gegevens betreffende het inlooprisico aan eiseres heeft verstrekt. Hierdoor was het voor eiseres niet mogelijk het inlooprisico en de omvang daarvan met voldoende zekerheid te kunnen bepalen. Verweerder heeft dan ook zijn informatieplicht geschonden.

3.1

De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat in dit geval niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor de toepassing van artikel 84, eerste lid, van de WIA. Tot het risico dat de eigenrisicodrager draagt behoort ook het zogeheten inlooprisico. Het betreft hier bepalingen van dwingendrechtelijke aard. Behoudens zich te dezen niet voordoende uitzonderingsgevallen voorziet de wet niet in de mogelijkheid dat een eigenrisicodrager onder omstandigheden niet de lasten behoeft te dragen van een aan een (ex-)werknemer van hem toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in vaste rechtspraak inzake de houdbaarheid in rechte van toerekeningsbesluiten, neergelegd dat een dergelijk besluit een beperkte strekking heeft, namelijk het opleggen van een betalingsverplichting aan de werkgever/eigenrisicodrager. In lijn hiermee heeft de beoordeling van de vraag of een toerekeningsbesluit rechtens juist is te achten een beperkt karakter. Uit het beperkte karakter van deze toetsing vloeit voort dat geen feiten en omstandigheden in de beoordeling worden betrokken die geen verband houden met de voorwaarden in artikel 84 van de WIA. Hierin ligt tevens besloten dat door eiseres tevergeefs een beroep is gedaan op schending door verweerder van algemene beginselen van behoorlijk bestuur wegens het gestelde gebrek aan informatie door verweerder. Pas in de fase van verhaal kunnen, op grond van vaste rechtspraak van de CRvB, die beginselen een rol spelen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

4.

Met betrekking tot de toerekening van de uitkering van [naam 1] aan eiseres, heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag van [naam 1] 2 mei 2006 is, zodat [naam 1] buiten het inlooprisico van eiseres valt. Ter zitting heeft eiseres deze beroepsgrond ingetrokken.

5.

Voorts heeft eiseres wat betreft [naam 1] aangevoerd dat [bedrijf] als opvolgend werkgever door verweerder moet worden aangesproken voor de uitkering van [naam 1]. Deze beroepsgrond heeft eiseres ook ter zitting ingetrokken.

6.

Met betrekking tot de toerekening van de uitkering van [naam 2] aan eiseres, stelt eiseres zich op het standpunt dat zij het toekenningsbesluit van de uitkering aan [naam 2] niet heeft ontvangen. Eiseres heeft alleen een schrijven ontvangen van 12 november 2009 van de arbeidsdeskundige waarin stond dat sprake was van 80-100% arbeidsongeschiktheid. Eiseres mocht er derhalve op vertrouwen dat aan [naam 2] een IVA-uitkering was toegekend.

6.1

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze beroepsgrond het volgende. Voor zover eiseres het niet eens is met de toekenning van een WGA-uitkering aan [naam 2] had eiseres beroep moeten instellen tegen het toekenningsbesluit. Dit besluit is op 20 november 2009 aan eiseres toegezonden. Ter zitting is namens eiseres niet de ontvangst van dit besluit ontkend, maar aangegeven dat dit besluit in de organisatie van eiseres waarschijnlijk niet juist terecht is gekomen. Ten aanzien van de veronderstelling dat sprake zou zijn van een IVA-uitkering merkt de rechtbank op dat de omstandigheid dat sprake is van 80-100% arbeidsongeschiktheid nog niet maakt dat ook sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Wat hier verder ook van zij, verwezen kan worden naar hetgeen is opgemerkt onder 3.1. Nu het hier gaat om de toerekening kunnen geen feiten en omstandigheden in de beoordeling worden betrokken die geen verband houden met de voorwaarden in artikel 84 van de WIA. Hierin ligt tevens besloten dat door eiseres tevergeefs een beroep is gedaan op schending door verweerder van algemene beginselen van behoorlijk bestuur zoals opgewekt vertrouwen. Pas in de fase van verhaal kunnen, op grond van vaste rechtspraak van de CRvB, die beginselen een rol spelen. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.

7.

Wat betreft het verhaalsbesluit (bestreden besluit 2) is in beroep – samengevat – aangevoerd dat geen sprake meer kan zijn van een rechtsplicht om tot betaling over te gaan, omdat verweerder pas na ruim vier jaar is overgegaan tot verhaal van de betreffende uitkeringen. Een strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen is strijdig te achten met algemene rechtsbeginselen, zoals het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel. Verweerder heeft te lang stil gezeten. Eiseres is al op 1 juli 2008 eigenrisicodrager geworden en pas in 2012 heeft verweerder aan eiseres laten weten dat de uitkeringen van [naam 1] en [naam 2] aan eiseres worden toegerekend. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres verwezen naar verschillende uitspraken van de CRvB. Daarbij kan eiseres zich niet meer richten tot haar verzekeraar, omdat de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen verjaringstermijn door toedoen van verweerder inmiddels al ruimschoots is verstreken.

7.1

De rechtbank stelt vast dat op grond van artikel 4:104 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen sprake is van verjaring, omdat in dit artikel is bepaald dat de rechtsvordering tot betaling van een geldsom vijf jaren nadat de voorgeschreven betalingstermijn is verstreken, verjaart. Deze termijn is niet verstreken. Vervolgens moet worden bezien of algemene beginselen van behoorlijk bestuur in de weg staan aan het verhaal van de betreffende uitkeringen.

7.2

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen staat vast dat eiseres als eigenrisicodraagster de uitkeringen van de betrokken werknemers moet uitbetalen. Nu verweerder dit voor eiseres heeft gedaan, was verweerder op grond van artikel 84, vierde lid, van de WIA verplicht de betaalde uitkeringen op eiseres te verhalen.

Het gaat hier om bepalingen van dwingend recht. Dit betekent dat daar in beginsel niet van kan worden afgeweken. Slechts in geval van bijzondere omstandigheden waarin strikte toepassing van dwingendrechtelijke bepalingen zozeer in strijd is te achten met algemene rechtsbeginselen, kan op die grond toepassing daarvan geen rechtsplicht meer zijn. Hetgeen door eiseres is aangevoerd is echter geen reden om aan te nemen dat sprake is van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld. Het enkele feit dat verweerder er lang over heeft gedaan een verhaalsbesluit te nemen, maakt niet dat deze rechtsplicht er niet meer kan zijn. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat een werkgever niet alleen via informatieverstrekking door verweerder op de hoogte kan zijn dat aan een van zijn werknemers een uitkering is toegekend. In het kader van de besluitvorming bij eiseres omtrent het aanvragen van het eigenrisicodragerschap had eiseres ook een eigen onderzoeksplicht. In elk geval had het haar uit onderzoek van de eigen administratie duidelijk kunnen dan wel moeten zijn dat de werknemers tijdens het dienstverband ziek waren geworden, dat de ingevolge de WIA geldende wachttijd inmiddels was volgemaakt en dat er een gerede kans bestond dat inmiddels een WIA-uitkering was toegekend. Ter zitting is namens eiseres aangegeven dat eiseres zich wat betreft dit onderzoek heeft verlaten op de tussenpersoon. Deze tussenpersoon heeft navraag gedaan bij verweerder en de Belastingdienst. Dit maakt echter niet dat daarmee is voldaan aan de eigen onderzoeksplicht en dat ook de eigen administratie is bezien. De omstandigheid dat bij een uitzendbureau (ex-) werknemers sneller uit beeld raken, maakt niet dat het risico hiervan op verweerder kan worden afgewenteld.

7.3

Wat betreft de door eiseres in dit kader aangehaalde jurisprudentie is de rechtbank van oordeel dat deze jurisprudentie niet kan leiden tot een gegrond beroep. De bedoelde jurisprudentie heeft betrekking op een redelijke beslistermijn als bedoeld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in geval van een aanvraag, alsmede de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Nu in het onderhavige geval geen sprake is van een besluit op een aanvraag, is artikel 4:13 van de Awb niet van toepassing. Voor een analoge toepassing zoals door eiseres voorgestaan is geen aanleiding. Evenmin is in het onderhavige geval sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Immers, artikel 6 van het EVRM ziet op de bescherming van het recht op toegang tot de rechter. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM aan, als op zijn minst gesproken kan worden van een geschil tussen partijen. Van een bedoelde belemmering van het recht op toegang tot de rechter is hier geen sprake.

7.4

De omstandigheid dat eiseres zich niet meer tot haar verzekeraar kan wenden, omdat de in de polisvoorwaarden opgenomen verjaringstermijn is verstreken, kan evenmin leiden tot een gegrondverklaring van beroep. Nog daargelaten dat dit standpunt in beroep niet is onderbouwd, is de rechtbank van oordeel dat het verstrijken van de door de verzekeraar gestelde verjaringstermijn valt onder de eigen verantwoordelijkheid van eiseres. In dit kader wordt tevens verwezen naar hetgeen hiervoor is opgemerkt over de eigen onderzoeksplicht van eiseres.

8

Tenslotte heeft eiseres met betrekking tot [naam 1] aangevoerd dat op grond van het bepaalde in artikel 72, derde lid, van de WIA de aan [naam 1] verstrekte uitkering niet op eiseres verhaald zou kunnen worden. Deze beroepsgrond heeft eiseres ter zitting ingetrokken.

9.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat zowel het toerekeningsbesluit, als het verhaalsbesluit op goede gronden is genomen. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzitter, mr. A.T.B. de Vries en mr. E.P.W. van de Ven, leden, in aanwezigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.