Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4357

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
19-08-2014
Zaaknummer
C/14/145742 / FA RK 13-934
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De man heeft verzocht kinderalimentatie te verlagen en partneralimentatie op nihil te stellen. Er is sprake van een wijziging van omstandigheden zodat de rechtbank niet behoeft te beoordelen of de bijdrage destijds is overeengekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Gelet op de wijziging van omstandigheden, waarbij de verkoop van de woning reeds in 2012 heeft plaatsgevonden en partijen in het convenant dit reeds hebben aangemerkt als een wijziging van omstandigheden, ziet de rechtbank aanleiding als ingangsdatum 1 april 2013 aan te houden en de bijdragen derhalve met terugwerkende kracht te wijzigen. De vrouw kan met haar inkomen zelf in haar eigen behoefte voorzien. Aan het standpunt dat partijen ten tijde van de echtscheiding hebben afgesproken dat zij een gelijke vrije negatieve bestedingsruimte dienen over te houden na betaling van partneralimentatie, gaat de rechtbank voorbij. Dit standpunt berust niet op de wet. Partijen verschillen met betrekking tot de kinderalimentatie van mening over de hoogte van het inkomen van de man en voorts of rekening dient te worden gehouden met aflossing van een schuld. De rechtbank ziet aanleiding met de schuld rekening te houden omdat deze eind 2013 volledig is ingelost. De rechtbank heeft daarbij acht geslagen op het feit dat de vrouw deze schuld ook had. Omdat het een huwelijkse schuld betreft en de vrouw niet heeft betwist dat deze door de man dient te worden afgelost, behoeft geen aanvaardbaarheidstoets te worden gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

MKG

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: C/14/145742 / FA RK 13-934

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 14 mei 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. N. Commandeur, kantoorhoudende te Noord-Scharwoude,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.D. de Boer, kantoorhoudende te Hoorn.

1 Procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met bijlagen van de man, ingekomen op 3 mei 2013;

- het verweerschrift met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 2 juli 2013;

- het bericht met bijlage van de vrouw, ingekomen op 10 juli 2013;

- het bericht met bijlagen van de man, ingekomen op 17 maart 2014;

- het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 17 maart 2014;

- het bericht met bijlagen van de vrouw, ingekomen op 18 maart 2014;

- het faxbericht van de man, ingekomen op 18 maart 2014, en

- de akte vermindering verzoekschrift van de man, ingekomen op 25 maart 2014.

1.2

De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 25 maart 2014 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. M.L. Molenaar, namens

mr. N. Commandeur, en de vrouw bijgestaan door mr. R.D. de Boer.

2 Feiten en omstandigheden

2.1

Partijen zijn op 28 mei 2002 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 15 februari 2011 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 februari 2011.

2.2

Uit dit huwelijk zijn geboren de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], en

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats].

2.3

In de echtscheidingsbeschikking is bepaald dat hetgeen partijen zijn overeengekomen, zoals vermeld in het aan de beschikking gehechte echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, als herhaald en ingelast wordt beschouwd.

In het echtscheidingsconvenant zijn partijen – voor zover hier van belang – overeengekomen dat:

  • -

    de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats hebben bij de vrouw;

  • -

    de minderjarigen eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de man zullen zijn. Partijen spreken de wens uit om deze regeling, zo mogelijk, uit te breiden naar eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond tot zondagavond. De vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg bij helfte worden gedeeld;

  • -

    de man een uitkering tot levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) aan de vrouw zal betalen van € 294,- bruto per maand. Voorgaande verplichting tot partneralimentatie zal ingaan na verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning;

  • -

    de alimentatieregeling door partijen zal worden geëvalueerd, indien de financiële situatie van partijen wijzigt. Partijen voorzien dat zulks het geval zal zijn, zodra de voormalig echtelijke woning verkocht en geleverd zal zijn en de man en/of de vrouw elders woonruimte zullen betrekken. Partijen zullen dan in onderling overleg bezien of de hiervoor omschreven afspraken nog aan de wettelijke maatstaven voldoen. Zo nodig zullen zij hiertoe gezamenlijk een nieuwe alimentatieberekening laten opstellen.

In het ouderschapsplan zijn partijen voorts – voor zover thans van belang – overeengekomen dat:

  • -

    de kosten van de minderjarigen begroot zijn op € 493,52 per maand en dat de partijen naar rato van hun draagkracht daarin zullen bijdragen;

  • -

    de man aan de vrouw een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna: kinderbijdrage) zal betalen van € 493,52 per maand met ingang van 1 oktober 2010.

3 Verzoek

3.1

De man heeft verzocht de beschikking te wijzigen in die zin, dat de:

- bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna: kinderbijdrage) wordt verminderd tot € 59,05 per kind per maand met ingang van

1 februari 2013, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag en ingangsdatum;

  • -

    uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna: de partnerbijdrage) op nihil wordt gesteld met ingang van 1 februari 2013, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag en ingangsdatum;

  • -

    verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) wordt gewijzigd aldus dat de minderjarigen

o één keer in de veertien dagen bij de man zullen zijn van zaterdagavond 18.00 uur tot maandagochtend, waarbij de vrouw de minderjarigen op zaterdag naar de man brengt en de man de minderjarigen op maandagochtend naar de school brengt, alsmede

o primair elke woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de man zijn, waarbij de vrouw de minderjarigen op woensdag na school bij de man brengt en de man de minderjarigen op donderdagochtend naar school brengt, dan wel

o subsidiair één keer in de veertien dagen op woensdagmiddag tot donderdagochtend bij de man zijn, waarbij de vrouw de minderjarigen op woensdag na school bij de man brengt en de man de minderjarigen op donderdagochtend naar school brengt.

3.2

Hij stelt hiertoe dat de hierboven genoemde beschikking van aanvang af niet heeft beantwoord aan de wettelijke maatstaven doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Daarnaast stelt de man dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de beschikking niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

3.3

In zijn akte vermindering verzoek wijzigt de man zijn verzoek met betrekking tot de kinderbijdrage en verzoekt thans te bepalen dat hij een kinderbijdrage zal betalen van € 120,- per kind per maand met ingang van 1 april 2013, althans met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag en ingangsdatum.

4 Verweer

4.1

De vrouw heeft tegen de verzoeken van de man verweer gevoerd. Zij stelt dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken zodat partijen beiden een gelijke vrije (negatieve) bestedingsruimte hadden. Om die reden kan naar mening van de vrouw niet worden gesteld dat de bijdragen nimmer aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan noch dat er sprake was van een grove miskenning van de wettelijke maatstaven omdat partijen op de hoogte waren van het effect van de berekening en de gemaakte afspraken. De vrouw betwist voorts dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden zoals in artikel 401 van boek 1 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is opgenomen.

De vrouw heeft voorts verweer gevoerd tegen de door de man verzochte wijziging van de zorgregeling.

5 Beoordeling

Zorgregeling

5.1

Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afspraken gemaakt over de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen. Partijen zijn overeengekomen dat de minderjarigen eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, van zaterdag 17.45 uur tot maandagochtend naar school bij de man zullen zijn. Zodra de man niet langer meer op zaterdag zal hoeven te werken zullen de minderjarigen van vrijdag 18.45 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn.

De vrouw heeft voorts toegezegd dat zij, als zij oppas voor de minderjarigen nodig heeft op de woensdag, eerst de man zal benaderen om de zorg voor de minderjarigen op zich te nemen.

5.2

Partijen hebben geen overeenstemming weten te bereiken over het halen en brengen van de minderjarigen met betrekking tot de zorgregeling en zij hebben de rechtbank verzocht daaromtrent een beslissing te nemen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de vrouw een auto in eigendom heeft en dat de man een bedrijfsauto rijdt waardoor hij voor het halen en brengen geen kosten heeft. De man heeft daarbij aangegeven dat het niet zeker is dat hij deze bedrijfsauto mag blijven gebruiken. Nu dit echter een toekomstige onzekere omstandigheid betreft gaat de rechtbank aan dit argument van de man voorbij. Gebleken is voorts dat de man, conform de afspraken van partijen in het ouderschapsplan, de afgelopen vier jaar de minderjarigen in verband met de zorgregeling heeft gehaald en gebracht. Deze omstandigheden tezamen dienen er naar het oordeel van de rechtbank toe te leiden dat de man ook thans het halen en brengen van de minderjarigen in verband met de zorgregeling voor zijn rekening dient te nemen.

Onderhoudsbijdragen, ontvankelijkheid man

5.3

De man heeft verzocht de door hem te betalen kinderbijdrage te verlagen en de partnerbijdrage op nihil te stellen.

De vrouw heeft betwist dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden en betwist dat de overeenkomst is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Op grond van artikel 401 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Daarnaast kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud ook worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5.4

In het echtscheidingsconvenant hebben partijen voorzien dat de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning en partijen een andere woonruimte dienen te betrekken een wijziging kan opleveren waardoor partijen moeten bezien of de afspraken die zij hebben gemaakt nog aan de wettelijke maatstaven voldoen.

Tussen partijen staat niet ter discussie dat de echtelijke woning op april 2012 is verkocht en geleverd en dat daaruit een schuld resteerde, na aftrek van de spaarpolis van Reaal, van

€ 12.469,80, die partijen beiden voor de helft dienen af te lossen. Ook staat niet ter discussie dat de man thans andere woonruimte heeft. De vrouw heeft daarnaast geen verweer gevoerd tegen de stelling van de man dat de inkomsten van de vrouw zijn gestegen.

Alle omstandigheden tezamen maken naar het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een dermate wijziging van omstandigheden dat beoordeeld dient te worden welke door de man te betalen bijdragen voldoen aan de wettelijke maatstaven. De rechtbank zal derhalve de draagkracht van de man opnieuw beoordelen. Aan de standpunten van partijen met betrekking tot het feit dat de bijdragen al dan niet zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven komt de rechtbank gelet op het vorenstaande niet toe.

Onderhoudsbijdragen, ingangsdatum

5.5

De man heeft verzocht de kinderbijdrage met ingang van 1 april 2013 te wijzigen en de partnerbijdrage met ingang van 1 februari 2013 te wijzigen.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte ingangsdata en verzocht om vast te stellen dat hetgeen de man inmiddels aan haar heeft betaald niet door haar hoeft te worden terugbetaald. Zij stelt dat de onderhoudsbijdragen die zij heeft ontvangen inmiddels zijn verteerd.
Op grond van artikel 402 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de rechtbank een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de ingangsdatum. De door de man verzochte ingangsdata zijn gelegen voor de datum waarop de man zijn verzoekschrift heeft ingediend. In het algemeen wordt er vanuit gegaan dat als ingangsdatum dient te gelden de datum waarop het verzoekschrift is ingediend omdat de onderhoudsgerechtigde er vanaf dat moment rekening mee dient te houden dat de onderhoudsbijdragen mogelijk worden aangepast. In de onderhavige situatie ziet de rechtbank echter aanleiding van dit uitgangspunt af te wijken en voor zowel de kinder- als de partnerbijdrage uit te gaan van de door de man verzochte ingangsdatum van 1 april 2013. De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat de voormalige echtelijke woning van partijen reeds in april 2012 is verkocht en partijen in het echtscheidingsconvenant al hebben aangegeven dat verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning een wijziging van omstandigheden zal opleveren op grond waarvan de overeengekomen onderhoudsbijdragen niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoen. De rechtbank ziet echter ook aanleiding, gelet op de hoogte van de door de man te betalen onderhoudsbijdragen en het inkomen van de vrouw, te bepalen dat hetgeen de man heeft betaald niet meer door de vrouw behoeft te worden terugbetaald. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de vrouw de onderhoudsbijdragen inmiddels heeft gebruikt en acht het niet redelijk van de vrouw te verlangen dat zij de onderhoudsbijdragen aan de man dient terug te betalen. Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank in het navolgende dan ook voor zowel de kinder- als de partnerbijdrage uitgaan van de ingangsdatum van 1 april 2013.

Partnerbijdrage

5.6

De rechtbank ziet aanleiding eerst in te gaan op het verzoek van de man de partnerbijdrage van de vrouw op nihil te stellen. De vrouw heeft ten tijde van de mondelinge behandeling gesteld dat de man een partnerbijdrage kan betalen van € 425,- bruto per maand.

5.7

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte meer heeft aan een uitkering tot haar levensonderhoud. Partijen hebben zich in het echtscheidingsconvenant niet uitgelaten over de hoogte van de behoefte van de vrouw. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat haar behoefte € 1.138,- netto per maand bedraagt. De man heeft zich daartegen niet verweerd. De rechtbank zal derhalve van deze door de vrouw berekende behoefte uitgaan.

5.8

Beoordeeld dient te worden of de vrouw, met haar huidige inkomen, in staat is om volledig zelf in haar behoefte te voorzien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man zich op het standpunt gesteld dat daarvan sprake is. Naast de inkomsten van de vrouw bij de Westfriese Evangelie Gemeente en de inkomsten in verband met boekhouding, stelt de man dat de vrouw ook inkomsten heeft uit schoonmaakwerkzaamheden en uit haar werkzaamheden bij Amende mediation.

De inkomsten van de vrouw bij de Westfriese Evangelische gemeente bedragen blijkens de jaaropgaaf 2013 € 9.360,- bruto per jaar.

Uit de door de vrouw overgelegde stukken onder bijlage 18 blijkt dat de vrouw eveneens inkomsten heeft uit boekhoudkundige werkzaamheden en daarnaast uit schoonmaakwerkzaamheden. Voor de boekhoudkundige werkzaamheden heeft de vrouw van juni 2013 tot en met december 2013 in totaal een bedrag in rekening gebracht van € 915,80. De inkomsten bedroegen derhalve gemiddeld € 131,- per maand. Voor de schoonmaakwerkzaamheden heeft de vrouw in de periode van mei 2013 tot en met december 2013 een bedrag in rekening gebracht van € 2.106,-. De inkomsten bedroegen derhalve gemiddeld € 263,- per maand. De rechtbank acht het redelijk bij het bepalen van de behoefte van de vrouw met deze inkomsten rekening te houden vanaf 1 april 2013, nu de onderhoudsbijdrage voor de toekomst wordt vastgesteld. De toelichting van de vrouw dat de facturen afwijken van de aangifte inkomstenbelasting 2013 omdat in de aangifte alleen de werkelijk betaalde inkomsten zijn meegenomen acht de rechtbank onvoldoende om niet van de factuurbedragen uit te kunnen gaan. Onder deze omstandigheden houdt de rechtbank aan de zijde van de vrouw rekening met een bedrag van (€ 131,- + € 263,- =) € 394,- bruto per maand als overige inkomsten.

Met betrekking tot de werkzaamheden bij Amende Mediation heeft de vrouw tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij voor deze werkzaamheden geen inkomsten ontvangt en dat deze meer moeten worden gezien als een stage. De man heeft dit standpunt van de vrouw verder niet betwist, zodat de rechtbank met inkomsten uit Amende Mediation geen rekening zal houden.

Bij het bepalen van de aanvullende behoefte van de vrouw houdt de rechtbank voorts rekening met de alleenstaande ouderkorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting.

5.9

De behoefte van de vrouw bedraagt € 1.138,- netto per maand. In verband met de heffingskortingen waar de vrouw aanspraak op maakt correspondeert dit met een bruto behoefte van € 1.145,- per maand. De vrouw heeft zelf aan inkomsten € 1.174,- bruto per maand. De vrouw heeft derhalve geen behoefte meer aan een aanvullende partnerbijdrage. De rechtbank zal het verzoek van de man om deze partnerbijdrage op nihil te stellen dan ook toewijzen.

5.10

Volgens de vrouw dient er bij het vaststellen van de door de man aan haar te betalen partnerbijdrage ervan uit te worden gegaan dat partijen een gelijke (negatieve) vrije bestedingsruimte dienen over te houden. De rechtbank gaat aan dit uitgangspunt van de vrouw voorbij nu het niet op de wet is gebaseerd. Dat partijen op basis van dit uitgangspunt in het kader van de echtscheiding een door de man te betalen partnerbijdrage hebben vastgesteld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Kinderbijdrage

5.11

De man verzoekt te bepalen dat hij een kinderbijdrage ten behoeve van de minderjarigen zal betalen van € 120,- per kind per maand met ingang van 1 april 2013.

5.12

Partijen hebben overeenstemming dat de bijdrage van de ouders in de kosten van de minderjarigen € 269,- per kind per maand bedroeg in 2011 en in 2013 € 277,13. De vrouw maakt aanspraak op een kindgebonden budget van € 129,- per maand zodat de resterende behoefte van de minderjarigen € 213,- per kind per maand bedraagt.

5.13

Partijen verschillen van mening over de hoogte van het inkomen van de man. Uit de jaaropgaaf 2013 blijkt dat de man een inkomen heeft van € 38.926,-. De man heeft aangegeven dat dit inkomen dient te worden verminderd met € 5.574,- in verband met de auto van de zaak en € 2.428,07 in verband met eerder uitgekeerde vakantiedagen en vakantietoeslag, welke hij heeft gebruikt voor de aflossing van de huwelijkse schuld.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen deze stelling van de man.

Indien de stelling van de man zou worden gevolgd, zou bij het bepalen van zijn besteedbaar inkomen uit dienen te worden gegaan van een fiscaal loon van (€ 38.296,- -/- [€ 5.574,- +

€ 2.428,07] =) € 30.294,- per jaar. Het bruto inkomen van de man bedraagt echter € 2.500,- per maand, derhalve € 30.000,- bruto per jaar. Indien rekening wordt gehouden met 8 % vakantietoeslag, zoals gebruikelijk, bedraagt het inkomen van de man € 32.400,- bruto per jaar. Uit de salarisspecificatie van de maand februari 2013 blijkt daarnaast dat de man in die maand voor 12 uur overwerk heeft verricht. Blijkens de salarisspecificatie van de maand december 2013 blijkt dat de man in 2013 in totaal 24 uur overwerk heeft verricht. Uit de salarisspecificatie van de maand januari 2014 blijkt tot slot dat de man ook in die maand overwerk heeft verricht en wel voor 6 uren. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het ook redelijk rekening te houden met overwerk. Uit de salarisspecificatie van de maanden februari 2013 en december 2013 leidt de rechtbank af dat de man in 2013 aan overwerk heeft ontvangen van (4 X € 173,08 =) € 692,- bruto per jaar. Bij het bepalen van het besteedbaar inkomen van de man gaat de rechtbank derhalve uit van een inkomen van

(€ 32.400,- + € 692,- =) € 33.092,- bruto per jaar. De vrouw heeft nog aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met provisie en verkoopbonussen. Het is de rechtbank uit de salarisspecificaties en de jaaropgaaf 2013 niet gebleken dat de man in 2013 daadwerkelijk provisie en verkoopbonussen heeft ontvangen, zodat de rechtbank daarmee ook geen rekening zal houden. Het besteedbaar inkomen van de man bedraagt bij voormeld jaarinkomen € 1.991,- per maand.

5.14

De man heeft aangevoerd dat hij terzake van de aflossing van de schuld uit de verkoop en levering van de voormalige echtelijke woning tot en met december 2013 een bedrag heeft betaald van € 200,- per maand. Nu het een zogenaamde huwelijkse schuld betreft acht de rechtbank het redelijk over de periode van april 2013 tot en met 31 december 2013 bij het bepalen van het draagkrachtloos inkomen van de man rekening te houden met voormelde aflossing. Het feit dat partijen beiden verantwoordelijk zijn voor de aflossing van de schuld maakt het oordeel van de rechtbank niet anders, nu de man daadwerkelijk in 2013 een aflossingsverplichting heeft gehad. Aan de toepassing van de aanvaardbaarheidstoets komt de rechtbank in een dergelijke situatie op grond van het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen niet toe. Dit leidt ertoe dat de draagkracht van de man over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 op grond van de forfaitaire methode

70 % [1.991-/- (0,3 X 1.991 + 850 + 200)] € 241,- per maand bedraagt en vanaf

1 januari 2014 70 % [1.991 -/- (0,3 X 1.991+ 860)] € 374,- per maand bedraagt. De bijdrage die de man over de periode 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 kan betalen bedraagt

€ 121,- per kind per maand, zodat de man over deze periode niet voor fiscaal voordeel in aanmerking komt. Vanaf 1 januari 2014 komt de man wel in aanmerking voor fiscaal voordeel en wel voor een bedrag van € 63,- per maand, zodat de man over 2014 een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen kan betalen van € 219,- per kind per maand. De rechtbank wijst partijen er, op verzoek van de man, op dat per 1 januari 2015 het fiscaal voordeel voor de man zal komen te vervallen. De rechtbank ziet geen aanleiding thans reeds op deze toekomstige gebeurtenis vooruit te lopen.

5.15

Uit het voorgaande bleek reeds dat het inkomen van de vrouw € 1.174,- bruto per maand bedraagt, dit correspondeert met een besteedbaar inkomen van € 1.157,- per maand.

Met een dergelijk inkomen is de vrouw in staat om een bijdrage van € 25,- per kind per maand te betalen in de kosten van de minderjarigen.

5.16

Op grond van het vorenstaande is de man in staat over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 een kinderbijdrage aan de vrouw te betalen van € 121,- per kind per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt € 25,- per kind per maand. De draagkracht van partijen gezamenlijk is te laag om volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. Om deze reden houdt de rechtbank bij het bepalen van de door de man te betalen bijdrage over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 geen rekening met de zorgkorting. In deze situatie behoeft ook geen draagkrachtvergelijking te worden gemaakt. De man dient over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013 een kinderbijdrage aan de vrouw te betalen van € 121,- per kind per maand.

Vanaf 1 januari 2014 is de man in staat een kinderbijdrage aan de vrouw te betalen van

€ 219,- per kind per maand. De vrouw is in staat een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen te betalen van € 25,- per kind per maand. Aangezien de behoefte van de minderjarigen € 213,- per kind per maand bedraagt, kunnen partijen volledig in de kosten van de minderjarigen voorzien. Partijen dienen naar rato bij te dragen in de kosten van de minderjarigen en de verdeling van de kosten van minderjarigen over partijen dient berekend te worden volgens de formule:

ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Op basis van de bovenstaande gegevens dient de man een bijdrage in de behoefte van de minderjarigen te betalen van € 191,- (€ 219,- gedeeld door € 244,- x € 213,-) per kind per maand en de vrouw een bijdrage van € 22,- (€ 25,- gedeeld door € 244,- x € 213,-) per kind per maand. Van de door de man te betalen bijdrage dienen de kosten van de zorgregeling te worden afgetrokken. Gelet op de hierna vast te stellen zorgregeling bedraagt de zorgkorting 15 % van € 213,- derhalve € 32,- per kind per maand. De man dient derhalve vanaf 1 januari 2014 een kinderbijdrage aan de vrouw te betalen van (€ 191,- -/- € 32,- =) € 159,- per kind per maand.

De rechtbank acht voornoemde bijdragen in overeenstemming met de wettelijke maatstaven en zal deze in het navolgende dan ook vaststellen.

5.17

De rechtbank wijst er – ten overvloede – op dat de hierna vast te stellen bijdrage jaarlijks van rechtswege wordt gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1

Bepaalt dat ten aanzien van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats], en

  • -

    [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

de zorg- en opvoedingstaken als na te melden worden verdeeld:

de minderjarigen zullen eenmaal per veertien dagen, in de oneven weken, van zaterdag

17.45

uur tot maandagochtend naar school bij de man zijn. Zodra de man niet langer meer op zaterdag zal hoeven te werken zullen de minderjarigen van vrijdag 18.45 uur tot zondag 18.00 uur bij de man zijn. De man zal daarbij het halen en brengen van de minderjarigen in verband met de zorgregeling voor zijn rekening nemen.

6.2

Bepaalt met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 februari 2011 en met wijziging in zoverre van het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte echtscheidingsconvenant van 29 december 2010 en ouderschapsplan van 29 december 2010, dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, voor zover het de nog niet vervallen termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen:

  • -

    € 121,- per kind per maand over de periode van 1 april 2013 tot en met 31 december 2013, en

  • -

    € 159,- per kind per maand vanaf 1 januari 2014.

6.3

Bepaalt met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank te Alkmaar van 3 februari 2011 en met wijziging in zoverre van het aan de echtscheidingsbeschikking gehechte echtscheidingsconvenant van 29 december 2010 en ouderschapsplan van 29 december 2010, de door de man aan de vrouw te betalen uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 april 2013 op nihil.

6.4

Stelt vast dat voor zover de man meer heeft betaald, dan wel meer op hem is verhaald over periode vanaf 1 april 2013 tot heden, de bijdrage tot op heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald of op hem is verhaald.

6.5

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.6

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Knoop-Gerritsen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.