Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4275

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
15/840003-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; algehele vrijspraak van witwassen van twee geldbedragen; verdachte heeft ten aanzien van beide bedragen een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring voor de herkomst van de geldbedragen gegeven waarmee het vermoeden van de illegale herkomst van deze bedragen voldoende door verdachte zijn ontzenuwd; teruggave aan verdachte van in beslag genomen goederen en geldbedragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840003-12 (P)

Uitspraakdatum: 17 april 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 6 december 2013 en 4 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Hong Kong,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Dolfing en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. W. de Vries, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 januari 2012, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, (een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag van 14.775 euro en/of een geldbedrag van 33.000 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten voornoemde geldbedrag(en), gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat het feit enkel met betrekking tot het geldbedrag van € 33.000,- bewezen kan worden.

3.2. Vrijspraak
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en moet hij daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf “witwassen” is vereist dat komt vast te staan dat het ten laste gelegde geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat niet zelden via Schiphol grote bedragen in contanten, die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Op 10 januari 2012 bevond verdachte zich op de luchthaven Schiphol teneinde uit te reizen naar Hong Kong. Tijdens een douanecontrole werd in een etui in de handbagage van verdachte een contant geldbedrag van € 14.775,- gevonden. In de ruimbagage van verdachte, bestaande uit een koffer, werd een groene etui aangetroffen met daarin een contant geldbedrag van € 33.000,-. Verdachte had geen aangifte gedaan van deze geldbedragen en kon geen documentatie of andere bescheiden tonen waaruit de herkomst van het geld bleek. Vorenstaande feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden van witwassen. Gelet op dat vermoeden mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Het contante geldbedrag van € 14.775,- dat is aangetroffen in de handbagage van verdachte zou afkomstig zijn uit de commerciële activiteiten van verdachte, die twee bedrijven heeft. Verdachte houdt zich als zelfstandig ondernemer middels [bedrijf 1] en [bedrijf 2] bezig met het importeren van goederen uit China. Het contante geldbedrag van € 14.775,- zou afkomstig zijn uit contante verkopen aan klanten. Ter staving hiervan heeft verdachte zijn bedrijfsadministratie, die reeds eerder in beslag was genomen door de FIOD, weer overgelegd aan de FIOD. Deze administratie toont aan dat verdachte inkomsten heeft gegenereerd uit bedrijf. De FIOD heeft geconcludeerd dat verdachte maximaal een bedrag van € 9.065,35 als contante verkopen uit de kas van zijn bedrijf heeft kunnen halen. Volgens de verdediging is de FIOD echter voorbij gegaan aan het feit dat er ook kasgeld bij het bedrijf [bedrijf 2] aanwezig was. De raadsman heeft ter onderbouwing hiervan een e-mail van de boekhouder bijgevoegd waarin deze onder meer opmerkt dat er bij [bedrijf 2] op 31 december 2011 een bedrag van € 12.895,76 aan kasgeld aanwezig was. De rechtbank is van oordeel dat verdachte aldus een voldoende concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring voor de herkomst van het geldbedrag van € 14.775,- heeft gegeven waarmee het vermoeden van de illegale herkomst van dit geldbedrag voldoende is ontzenuwd. De bevindingen van de FIOD leiden niet tot een andere conclusie, nu nagelaten is de stellingen van verdachte in voldoende mate te weerleggen.

Het geldbedrag van € 33.000,- dat is aangetroffen in de koffer van verdachte zou verdachte hebben geleend van familie en vrienden. Ter onderbouwing hiervan heeft verdachte vijf verschillende documenten, waaronder leenovereenkomsten overgelegd. Verdachte zou

€ 6.000,- van zijn schoonzus [betrokkene 1], € 5.000,- van zijn zus [betrokkene 2], € 10.000,- van zijn vriend [betrokkene 3] en € 8.000,- van een vriend, genaamd [betrokkene 4] hebben geleend. Daarnaast zou verdachte € 5.000,- van zijn vader [betrokkene 5] hebben gekregen. Drie van deze personen, te weten de genoemde [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn door de Koninklijke Marechaussee als getuige gehoord en hebben tijdens dit verhoor bevestigd voornoemde geldbedragen aan verdachte geleend te hebben. De drie getuigen hebben allen werk waaruit zij inkomsten genieten. Ter terechtzitting van 6 december 2013 hebben deze drie getuigen onder ede bevestigend verklaard dat zij genoemde geldbedragen aan verdachte hebben uitgeleend. Hoewel de door de getuigen afgelegde verklaringen op sommige punten vragen oproepen, is er geen grond voor het oordeel dat de verklaringen van de getuigen als ongeloofwaardig terzijde zouden moeten worden geschoven. De omstandigheid dat de leenovereenkomst tussen verdachte en getuige [betrokkene 1] eerst na aanhouding van verdachte op schrift is gesteld en daarbij geantidateerd is, maakt dat niet anders.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verdachte voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij van deze drie verschillende personen geldbedragen heeft geleend, waarvan niet is gebleken dat deze gelden een illegale herkomst hebben. De herkomst van de overige twee verkregen geldbedragen is niet nader door het Openbaar Ministerie onderzocht. Indien het openbaar ministerie twijfels had over de juistheid van de door verdachte overgelegde schuldbekentenis en de schenking van zijn vader, had het op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om daar nader onderzoek naar te verrichten. Dat is niet gebeurd. Verdachte heeft aldus naar het oordeel van de rechtbank een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring voor de herkomst van het geldbedrag van € 33.000,- gegeven waarmee het vermoeden van de illegale herkomst van dit bedrag voldoende is ontzenuwd.

Bij deze stand van zaken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan zijn, dan dat de onder verdachte aangetroffen twee geldbedragen uit misdrijf afkomstig zijn, zodat verdachte van het ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Gelet hierop blijven de door de raadsman gevoerde verweren die zien op het uitsluiten van het bewijs van de verklaringen van verdachte en zijn echtgenote alsmede op strafvermindering wegens vermeende te late inverzekeringstelling en de overschrijding van de redelijke termijn buiten verdere bespreking.

4. Beslissing omtrent in beslag genomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven goederen, te weten een geldbedrag van in totaal € 47.775,-, een document en vier schriften, dienen te worden teruggegeven aan verdachte, nu deze redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt.

5. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Gelast de teruggave van de in beslag genomen goederen, te weten:

- een geldbedrag van in totaal € 47.775,-;

- 1.00 STK Document;

- 4.00 STK Schrift;

aan verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.J.M. Uitermark, voorzitter,

mr. E.C. Smits en D. Gruijters, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2014.

Mr. Smits is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.