Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4273

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
13-05-2014
Zaaknummer
15/820041-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; bewezenverklaring invoer verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; bekennende verklaring; verweer psychische overmacht verworpen; meermalen recidive; strafoplegging conform richtlijn; enigzins afwijken van de eis van de officier omdat recidive in andere mate dient mee te werken dan zoals geëist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820041-14 (P)

Uitspraakdatum: 17 april 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (China),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L. Dolfing en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. S. Lodder, advocaat te Capelle aan den IJssel, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 16 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 16 januari 2014, losse dossierbijlage;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 januari 2014, dossierpagina A1 e.v.;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 20 januari 2014, dossierpagina A26 e.v.;

- een schriftelijk bescheid, te weten een deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 22 januari 2014, kenmerk A065.4.004197 en laboratoriumnummer 759 X 14, losse dossierbijlage.

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 16 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Beroep op psychische overmacht

Namens verdachte heeft de raadsman bepleit dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op psychische overmacht toekomt. Daartoe heeft de raadsman gesteld dat verdachte tot de drugssmokkel is overgegaan onder invloed van een reële dreiging dat hem of zijn zoon iets zou overkomen. Verdachte zou door drie mannen zijn vastgehouden in een huis, omdat hij een openstaande schuld had bij deze mannen vanwege een eerder mislukt drugstransport op Aruba. Verdachte zou met een pistool onder druk zijn gezet en daarbij zijn gedwongen om cocaïne te smokkelen. Verdachte was bang dat de mensen die hem bedreigden zijn zoon zouden vermoorden. Verdachte kon en hoefde aan deze op hem uitgeoefende druk geen weerstand te bieden, aldus de raadsman.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige van buiten komende psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij anders zou handelen dan hij thans heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat de gestelde druk niet aannemelijk is geworden. Verdachte heeft aangevoerd dat hij vanwege het op een eerder moment smokkelen van drugs een periode van anderhalf jaar gevangenisstraf heeft uitgezeten op Aruba. Om zijn schuld aan de organisatie die achter die drugssmokkel zat, in te lossen werd hij gedwongen tot onderhavige drugssmokkel, aldus verdachte. De rechtbank stelt vast dat verdachte wisselend heeft verklaard over de periode van detentie op Aruba. Bij de Koninklijke Marechaussee heeft hij verklaard dat hij in 2011 en 2012 anderhalf jaar in de gevangenis op Aruba heeft gezeten. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zijn detentie vanaf eind 2010 was. Wat daarvan zij, uit de stempels die zijn geplaatst in het paspoort van verdachte, valt genoegzaam af te leiden dat hij een groot aantal reizen heeft gemaakt in de periode van 13 juli 2011 tot en met 15 januari 2014 waarbij opvalt dat in elk jaar van deze periode is gereisd. Dit staat in schril contrast met zijn beide verklaringen op dit punt. Desgevraagd heeft verdachte hier ter terechtzitting geen nadere uitleg voor gegeven en evenmin heeft hij met een schriftelijk stuk de gestelde detentie onderbouwd. Daarbij komt dat de overige omstandigheden die verdachte heeft aangevoerd zonder nadere onderbouwing evenmin geloofwaardig voorkomen. Nu de rechtbank de gestelde bedreiging en de daarvan uitgaande psychische druk niet aannemelijk acht, wordt het verweer van de raadsman verworpen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tweeëntwintig (22) maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

6.2. Standpunt van de verdediging

Subsidiair heeft de raadsman van verdachte de rechtbank verzocht om in het kader van de strafmaat rekening te houden met het feit dat verdachte onder druk is gezet om dit transport te ondernemen en daarnaast rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1430 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Ten nadele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte, blijkens zijn strafblad, reeds twee keer eerder is veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. Verdachte is hiervoor laatstelijk in 2009 door de rechtbank te Brussel veroordeeld tot een gevangenisstraf van 36 maanden. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw cocaïne te smokkelen. De rechtbank rekent verdachte deze recidive zwaar aan.

Nu de rechtbank het verhaal van verdachte dat hij gedwongen is om drugs te smokkelen, niet geloofwaardig acht, zal de rechtbank hier – anders dan door de raadsman betoogd – geen rekening mee houden in het kader van de strafmaat. Ook in de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding om een lagere straf op te leggen dan de straf die in vergelijkbare gevallen wordt opgelegd.

De rechtbank merkt op, dat de officier van justitie bij een eis van 22 maanden gevangenisstraf – kennelijk – de ernst van de zaak, met name de mate waarin de recidive tot uitdrukking moet komen in de strafmaat, anders waardeert dan de rechtbank.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,

mr. J.J.M. Uitermark en mr. D. Gruijters, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 17 april 2014.


Mr. Smits is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.