Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:4054

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
15/820057-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen/cocaïne te Schiphol; zowel slikker, duwer van bollen als koerier met hoeveelheid in bagage; bekennende verklaring; bewezenverklaring; strafoplegging; gelet op persoonlijke omstandigheden afwijken van conform de LOVS richtlijnen geëiste straf.

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het door Reclassering Nederland in de persoon van de heer P. Leek, reclasseringswerker, uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 27 maart 2014, is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4.371,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking. De rechtbank zal in beginsel aansluiting zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 20 januari 2014 niet eerder ter zake van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest. De rechtbank merkt voorts op dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van deze) straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen en de rechtbank tevens uit voornoemd reclasseringsrapport zijn gebleken, in combinatie met het feit dat verdachte een man is met een goed arbeidsverleden en tevens dat hij een zogeheten ‘first offender’ is, ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van verdachte van voornoemde strafeis af te wijken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820057-14

Uitspraakdatum: 6 mei 2014

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
22 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Paramaribo (Suriname),

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Almere te Almere.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.B. Haneveld en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. L. Rijsdam, advocaat te Leiden, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 19 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich gelet op de bekennende verklaring van verdachte met betrekking tot de bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 22 april 2014 afgelegd;

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding d.d. 19 januari 2014 (dossierparagraaf 1.1);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 21 januari 2014 (dossierparagraaf 1.1.4);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 22 januari 2014 (dossierparagraaf 1.1.5);

- een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Douanelaboratorium d.d. 27 januari 2014, kenmerk 827 X 14 (los opgenomen);

- een schriftelijk bescheid, te weten het deskundigenrapport van het Douanelaboratorium d.d. 27 januari 2014, kenmerk 832 X 14 (los opgenomen).

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 januari 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zesendertig (36) maanden met aftrek van tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn besproken en zijn neergelegd in het omtrent verdachte opgemaakte reclasseringsrapport, zodat aan verdachte een fors lagere gevangenisstraf dan door de officier van justitie geëist, eventueel in combinatie met een taakstraf in de vorm van het verrichten van onbetaalde arbeid, dient te worden opgelegd.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het door Reclassering Nederland in de persoon van de heer P. Leek, reclasseringswerker, uitgebrachte reclasseringsadvies d.d. 27 maart 2014, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 4.371,7 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een gevangenisstraf als passende sanctie in aanmerking.

De rechtbank zal in beginsel aansluiting zoeken bij de straf die ten aanzien van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd.

Ten gunste van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 20 januari 2014 niet eerder ter zake van een bij de Opiumwet strafbaar gesteld feit met politie en/of justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank merkt voorts op dat de door de officier van justitie gevorderde (duur van deze) straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. Vanwege de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ter terechtzitting naar voren zijn gekomen en de rechtbank tevens uit voornoemd reclasseringsrapport zijn gebleken, in combinatie met het feit dat verdachte een man is met een goed arbeidsverleden en tevens dat hij een zogeheten ‘first offender’ is, ziet de rechtbank aanleiding om in het voordeel van verdachte van voornoemde strafeis af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. D. Gruijters, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. M.I. Bloch, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 6 mei 2014.

Mr. D. Gruijters en mr. M.I. Bloch zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.