Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3859

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-04-2014
Datum publicatie
29-04-2014
Zaaknummer
2245830 - CV EXPL 13-8768
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig handelen door de Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Holland.

Vergoeding van de geleden vermogensschade. Afwijzing van de gevorderde immateriële schadevergoeding. De vordering tot vernietiging van het dossier wordt verwezen naar de afdeling Privaatrecht van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 2245830 / CV EXPL 13-8768

datum uitspraak: 23 april 2014

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[X.]

[Y.]

te [Woonplaats]

eisers

hierna te noemen: [X. en Y.]

gemachtigde: mr. H. Gommer (CIS Law)

tegen

de stichting STICHTING BUREAU JEUGDZORG NOORD-HOLLAND

te Haarlem

gedaagde

hierna te noemen: BJZNH

gemachtigde: mr. E. Lam

De procedure

[X. en Y.] hebben BJZNH gedagvaard op 30 juli 2013. BJZNH heeft geantwoord. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 25 september 2013 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 29 januari 2014. [X. en Y.] hebben ten behoeve van de comparitie van partijen producties in het geding gebracht. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. De zaak is op zitting aangehouden voor partijoverleg. De gemachtigde van BJZNH heeft de kantonrechter per fax van 12 februari 2014 bericht dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt. Vonnis is (nader) bepaald op vandaag.

De feiten

  1. [X. en Y.] zijn de ouders van de minderjarigen [A.] [(geboortedatum) 1]
    [(geboortedatum) 1] en [B.] [(geboortedatum) 2].

  2. BJZNH heeft tot taak te onderzoeken of een cliënt zorg nodig heeft in verband met opgroei-, opvoedings- of psychiatrische problemen of in verband met problemen van een cliënt, niet zijnde een jeugdige, die het onbedreigd opgroeien van een jeugdige belemmeren. Daarnaast fungeert BJZNH als advies- en meldpunt kindermishandeling (het AMK). Het AMK is daarmee onderdeel van BJZNH.

  3. De feitelijke werkwijze van het AMK is neergelegd in het “Protocol van handelen Advies- en Meldpunten Kindermishandeling” (het protocol).

  4. De Stichting Kinderopvang Alkmaar (SKOA) heeft op 16 oktober 2012 een melding gedaan bij BJZNH over vermeend seksueel overschrijdend gedrag in 2011 door de zoon van het gastoudersgezin waar [A.] verbleef.

  5. Naar aanleiding van deze melding heeft het AMK onderzoek ingesteld om te kunnen beoordelen of ten aanzien van [A.] sprake is geweest van kindermishandeling.

  6. Het AMK heeft begin 2013 een onderzoeksverslag uitgebracht en daarin onder meer het volgende geconcludeerd:“De emotionele verwaarlozing is gedurende het onderzoek bevestigd en nu gestopt. Ouders hebben, toen er signalen kwamen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen de zoon van gastouder en hun dochter van acht, niet direct stappen ondernomen. Hierdoor heeft het opnieuw plaatsgevonden. Ouders hebben hun dochter onvoldoende beschermd en haar opnieuw naar een voor haar onveilige situatie laten gaan (…).”

  7. [X. en Y.] hebben via hun gemachtigde, H. Gommer (Gommer), BJZNH/AMK verzocht alle op het onderzoek ziende bescheiden te vernietigen of te verwijderen en een terugmelding te doen aan diverse instituten, bij gebreke waarvan een klacht zou worden ingediend. Hierbij is het standpunt gehuldigd dat het onderzoek slecht is uitgevoerd en dat de daarin geformuleerde conclusies niet zijn terug te voeren op objectief vastgestelde feiten.

  8. BJZNH heeft niet aan dit verzoek voldaan.

  9. Gommer heeft daarop namens [X. en Y.] bij de klachtencommissie BJZNH (de klachtencommissie) een klacht ingediend over het handelen en het onderzoek(sverslag) van het AMK.

  10. De klachtencommissie heeft in haar uitspraak van 6 juni 2013 de klacht van [X. en Y.] gegrond verklaard en heeft daartoe onder meer het volgende overwogen en geconcludeerd:

    “De voorzitter van de commissie heeft ter zitting uit de klachtbrief als kernklacht gedestilleerd: Het AMK onderzoek voldoet niet aan de nodige zorgvuldigheidseisen. Het handelen van AMK kan hierdoor de toets der kritiek niet doorstaan (…)

Nu het AMK in haar onderzoek niet heeft kunnen vaststellen er sprake is geweest van seksueel misbruik noch van seksueel overschrijdend gedrag, is het voor de commissie niet duidelijk geworden op welke grond er dan toch sprake kan zijn van emotionele verwaarlozing. Immers hetgeen niet is vastgesteld, seksueel misbruik dan wel seksueel overschrijdend gedrag, kan ook niet ergens, pedagogische/emotionele verwaarlozing, toe leiden. Het volstrekt ontbreken van ‘kindsignalen’ bij [A.], deze signalen worden nergens in het dossier genoemd of beschreven, sterkt de commissie in haar overtuiging dat de term pedagogische/emotionele verwaarlozing in dit dossier ten onrechte is gebruikt. Het AMK lijkt de uitspraak pedagogische/emotionele verwaarlozing te baseren op een niet onderbouwde stelling van seksueel misbruik/seksueel overschrijdend gedrag. (…) Dat in het verslag staat vermeld dat het gesprek met ouders is gefiatteerd, is onjuist en heeft ervoor gezorgd dat klagers nog minder vertrouwen hebben gekregen in de zorgvuldigheid waarmee het AMK haar onderzoek heeft verricht.

Conclusie

De commissie is zich ervan bewust dat het AMK elke melding serieus moet nemen en daar ook naar moet handelen, Met betrekking tot onderhavige klacht overweegt de commissie echter dat het AMK zich bij herhaling alleen op het standpunt heeft gesteld dat zij heeft gehandeld volgens het protocol. Het AMK heeft echter niet duidelijk kunnen maken op welke vragen het onderzoek gericht was, noch op welke wijze het onderzoek heeft plaatsgevonden en bovendien is onduidelijk gebleken welke resultaten het onderzoek van het AMK uiteindelijk heeft opgeleverd. Het lijkt er daarbij op dat bij het onderzoek naar emotionele verwaarlozing van [A.] en [B.] reeds van te voren vaststond dat hiervan sprake was. Een open blik naar de vraag of de handelwijze van de ouders (…) gerechtvaardigd en daarmee juist kon zijn, leek op voorhand al niet meer mogelijk. De commissie mist een heldere vraagstelling en onderbouwing van de conclusies. Ook meent de Klachtencommissie dat het verstrekken van informatie over het onderzoek en de rol van het AMK in casu te wensen over heeft gelaten (…)”

Tot slot heeft de klachtencommissie in deze uitspraak nog adviezen aan BJZNH gegeven over de formulering van onderzoeksvragen en van conclusies en over de communicatie met betrekking tot het onderzoek en de rol van het AMK.

k. BJZNH heeft in de persoon van [Z.] bij brief van 1 juli 2013 gereageerd op de uitspraak van de klachtencommissie en heeft daarin onder meer het volgende aan Gommer geschreven:

“Ik kan mij vinden in het oordeel van de klachtencommissie dat uw klacht gegrond is. Wel wil ik hierbij opmerken dat wat mij betreft de gegrondheid van de klacht betrekking heeft op de communicatie en informatievoorziening richting de ouders en niet op de werkwijze van AMK an sich. Het AMK werkt volgens het landelijk vastgestelde protocol (…) en dat is ook in dit geval gedaan.

(…)

Het is belangrijk om de werkwijze van het AMK, voortvloeiend uit het protocol, goed toe te lichten en ook bij cliënten te toetsen of de informatie goed is overgekomen. En ook daarbij de structuur, onderzoeksvragen, informatie en conclusie te delen, zodat de werkwijze van het AMK duidelijk wordt. Ik zal binnen BJZNH aandacht vragen voor dit punt. Wat betreft de impact van onderzoek door het AMK wil ik nog meedelen dat het belangrijk is om rekening te houden met de impact van conclusies en daar ook in de formulering rekening te houden. Anderzijds is, als het onderzoek naar kindermishande-ling bevestigd wordt, een omfloerste bewoording hiervan ook niet op zijn plaats. Uiteindelijk is niet het doel de ouders, maar het kind te beschermen en bij te dragen dat ouders hulpverlening aanvaarden die er voor zorgen dat een kind op een veilige wijze kan opgroeien. (…) ”

l. Bij brief van 4 juli 2013 heeft Gommer namens [X. en Y.] BJZNH aansprakelijk gesteld voor de door [X. en Y.] geleden schade wegens onrechtmatig handelen en heeft hij om vernietiging van het dossier verzocht. BJZNH heeft zich in haar reactie van 17 juli 2013 op het standpunt gesteld dat wettelijke bepalingen aan de vernietiging van het dossier in de weg staan, waarbij aansprakelijkheid voor het gestelde onrechtmatig handelen van de hand is gewezen.

De vorderingen

[X. en Y.] vorderen (na vermeerdering van eis op de comparitie van partijen) veroordeling van BJZNH tot betaling van een schadevergoeding van € 10.300,-- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover en tot vernietiging van het AMK-dossier, met veroordeling van BJZNH in de kosten van deze procedure. De gevorderde schadevergoeding bestaat uit € 8.300,-- aan materiële schade en uit € 2.000,-- aan immateriële schade.

[X. en Y.] leggen aan de vorderingen - kortweg - het volgende ten grondslag. BJZNH heeft onrechtmatig gehandeld tegenover [X. en Y.] door een zeer belastend onderzoek in gang te zetten naar (de kinderen in) het gezin van [X. en Y.]. Dit onderzoek is bovendien onzorgvuldig en ondeugdelijk uitgevoerd; het rapport is ook als onzorgvuldig te betitelen. BJZNH heeft vervolgens geweigerd het dossier te vernietigen of aanpassingen in het dossier aan te brengen. BJZNH heeft door zo te handelen tevens inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van het gezinsleven van [X. en Y.]. [X. en Y.] hebben als gevolg van het handelen van BJZNH vermogensschade geleden, bestaand uit de kosten die zij hebben moeten maken voor juridische en geestelijke bijstand door Gommer. Daarnaast hebben [X. en Y.] immateriële schade geleden, omdat zij door het onderzoek maandenlang in angst hebben geleefd dat hun kinderen uit huis zouden worden geplaatst, hetgeen gevolgen heeft gehad voor hun functioneren. Deze schade dient BJZNH aan hen te vergoeden.

Daarnaast dient BJZNH het onderhavige dossier te vernietigen, omdat dit onjuistheden, suggestieve uitspraken, foute interpretaties en valse conclusies bevat en [X. en Y.] de voortdurende dreiging van BJZNH voelen. Ondanks de herhaalde verzoeken daartoe van [X. en Y.], de uitspraak van de klachtencommissie en het feit dat de Raad van Bestuur van BJZNH het oordeel van de commissie heeft overgenomen, is BJZNH hiertoe niet overgegaan.

Het verweer

BJZNH concludeert tot afwijzing van de vorderingen en stelt - samengevat - daartoe primair het volgende. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen door BJZNH jegens [X. en Y.]. Het onderzoek is volgens de geldende kwaliteitsnormen en protocollen uitgevoerd. Een door de klachtencommissie gegrond geoordeelde klacht levert nog geen onrechtmatige daad op. De Raad van Bestuur van BJZNH heeft zich neergelegd bij het advies van de klachtencommissie uitsluitend voor zover dit ziet op de communicatie en informatievoorziening richting [X. en Y.] en niet op de werkwijze van BJZNH. [X. en Y.] hebben geen schade geleden en het causaal verband tussen de vermeende schade en het onderzoek en rapport van BJZNH ontbreekt.

Subsidiair stelt BJZNH dat de gevorderde materiële schadevergoeding buitensporig hoog is en dat geen ruimte is voor vergoeding van de immateriële schade.

Tot slot voert BJZNH aan dat de vernietiging van het dossier door BJZNH via een verzoekschriftprocedure aan de rechter moet worden voorgelegd.



De beoordeling

Vernietiging van het dossier

1.

De kantonrechter beoordeelt eerst de vordering van [X. en Y.] tot vernietiging van het dossier van [X. en Y.] bij AMK en/of BJZNH.

2.

De Wet bescherming Persoonsgegeven (Wbp) is van toepassing op de beslissing op een verzoek tot vernietiging van het dossier als het onderhavige. Op grond van artikel 36
lid 1 Wpb moet zo’n beslissing worden aangemerkt als een besluit van een bestuurs-orgaan. Artikel 46 Wbp regelt dat de betrokkene aan wie kennis is gegeven van hem betreffende persoonsgegevens, in het geval sprake is van een beslissing als bedoeld in artikel 45 Wpb genomen door een ander dan een bestuursorgaan, zich tot de rechtbank moet wenden met het schriftelijk verzoek om de verantwoordelijke (hier BJZNH) te bevelen alsnog het verzoek tot vernietiging van het dossier toe te wijzen. De beslissing van BJZNH van 1 juli 2013 tot afwijzing van het verzoek tot vernietiging van het dossier geldt op grond van artikel 105 Wet op de Jeugdzorg als een beslissing genomen door “een ander dan een bestuursorgaan”.

3.

Gelet op het voorgaande is de kantonrechter met BJZNH van oordeel dat [X. en Y.] voor vernietiging van een dossier/onderzoek als het onderhavige de verkeerde rechtsgang hebben gekozen. [X. en Y.] hadden daartoe een verzoekschrift bij de rekestenkamer van de afdeling Privaatrecht, sectie Handel, lokatie Alkmaar behoren in te dienen. Op grond van de wisselbepaling als opgenomen in arti-kel 69 Wetboek van Rechtsvordering zal de kantonrechter [X. en Y.] dan ook bevelen dat zij op eigen kosten de dagvaarding waarmee de procedure is ingeleid zullen verbeteren. Voorts zal de kantonrechter bevelen dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure. De kantonrechter zal partijen ten slotte bevelen zonodig hun stellingen aan de dan toepasselijke procesregels aan te passen.

Onrechtmatige daad

4.

Dan is aan de orde de vraag of jegens [X. en Y.] is gehandeld in strijd met het recht op eerbiediging van het gezinsleven.

5.

In de Wjz is (onder meer) neergelegd dat Bureau Jeugdzorg de instantie is die onderzoek mag doen naar meldingen van (een vermoeden van) kindermishandeling. In artikel 1 Wet op de Jeugdzorg (Wjz) is kindermishandeling als volgt gedefinieerd:

“elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of van onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel.” ‘

6.

Voorop wordt gesteld dat de Wjz moet worden uitgelegd in overeenstemming met het recht op eerbiediging van het gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM. Bij elk onderzoek moet zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dit brengt met zich dat de inbreuk op de belangen van de betrokken niet onevenredig mag zijn in verhouding tot en met het met het onderzoek te verwezenlijken doel, en dit doel in redelijkheid niet op een andere voor de betrokkene minder nadelige wijze kan worden verwezenlijkt.

7.

Niet in geschil tussen partijen is dat aanleiding voor het instellen van het onderzoek was dat het AMK van mening was dat er een vermoeden van kindermishandeling was.
De melding van SKOA betrof immers zorgen over de wijze waarop [X. en Y.] waren omgegaan met het verhaal van [A.] dat de zoon van de gastouder seksuele handelingen tegen de zin van [A.] had uitgevoerd. De kantonrechter oordeelt dat BJZNH/AMK daarmee een gegronde reden had het onderhavige onderzoek te starten. Niet relevant hierbij is dat de ouders de bron van de melding vormden.

8.

Onvoldoende is gesteld of gebleken dat met het onderzoek door BJZNH in acht te nemen grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit zijn overschreden. Dit betekent dat niet is komen vast te staan dat het recht op eerbiediging van het gezinsleven van [X. en Y.] zodanig is geschonden dat BJZNH daardoor onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld.

9.

De vervolgvraag die moet worden beantwoord is of BJZNH in strijd heeft gehandeld met de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid bij (de aanvang van) het onderzoek naar de melding van kindermishandeling met betrekking tot [A.]. De kantonrechter is van oordeel dat dit hier het geval is geweest en overweegt het volgende.

10.

BJZNH neemt een centrale rol in de jeugdzorg. De zorgvuldigheid die in het maatschappelijk verkeer is vereist, brengt naar het oordeel van de kantonrechter mee dat de instelling die ten aanzien van minderjarigen is belast met het onderzoek naar kindermishandeling, waartoe ook pedagogische verwaarlozing en seksueel misbruik worden gerekend, zich in onderzoeken onpartijdig opstelt. Rechters maar ook de Raad voor de Kinderbescherming en justitie krijgen immers de daarop gerichte onderzoeken in voorkomende gevallen onder ogen en moeten kunnen uitgaan van de objectiviteit van de onderzoeken maar ook van de zorgvuldigheid van de daaraan ten grondslag liggende gevolgde procedure(s).

11.

Het AMK heeft in het onderzoeksverslag in geding onder meer geconcludeerd:

“De emotionele verwaarlozing is gedurende het onderzoek bevestigd en nu gestopt. Ouders hebben, toen er signalen kwamen van seksueel grensoverschrijdend gedrag tussen de zoon van gastouder en hun dochter van acht, niet direct stappen ondernomen. Hierdoor heeft het opnieuw plaatsgevonden. Ouders hebben hun dochter onvoldoende beschermd en haar opnieuw naar een voor haar onveilige situatie laten gaan (…).”

12.

BJZNH heeft zich in deze procedure net als in de procedure bij de klachtencommissie op het standpunt gesteld dat het onderzoek is verricht volgens de kwaliteitsnormen en de landelijke protocollen en dat zorgvuldig is gehandeld. Volgens BJZNH is immers ook sprake van emotionele verwaarlozing in het geval geen seksueel misbruik heeft plaatsgevonden. Het AMK heeft volgens BJZNH terecht tot deze conclusie kunnen komen, omdat [X. en Y.] [A.] naar de mening van het AMK te lang naar een voor haar mogelijk onveilige situatie hebben laten gaan. Op dat moment bestond dan ook een reëel risico voor herhaling van het grensoverschrijdende gedrag. Het feit dat [X. en Y.] het niet eens zijn met de conclusies in het verslag, maakt nog niet dat het onderzoek onzorgvuldig en onrechtmatig is geweest, aldus nog steeds BJZNH.

13.

De kantonrechter volgt BJZNH niet in dit verweer. BJZNH verliest immers uit het oog dat in het AMK-onderzoek wordt gesproken van seksueel overschrijdend gedrag dat tussen [A.] en de zoon van het gastoudergezin (meermalen) heeft plaatsgevonden, terwijl het seksueel overschrijdend gedrag juist niet is vastgesteld. Onbegrijpelijk is dan ook dat AMK concludeert dat sprake is geweest van een onveilige situatie enerzijds en dat de ouders [A.] daarin onvoldoende bescherming hebben geboden. De conclusie wordt daarom niet ondersteund door de feiten. Verder heeft te gelden dat BJZNH in de procedure bij de klachtencommissie maar ook in deze procedure heeft nagelaten te duiden wat nu is onderzocht en wat de resultaten van het onderzoek door het AMK zijn geweest. Tot deze conclusies is de klachtencommissie ook al in haar advies van 6 juni 2013 gekomen.

14.

Van belang in dit verband is verder wat de klachtencommissie heeft opgemerkt over de wijze waarop BJZNH zich tijdens het onderzoek heeft opgesteld: “Het lijkt er daarbij op dat bij het onderzoek naar emotionele verwaarlozing van [A.] en [B.] reeds van te voren vaststond dat hiervan sprake was. Een open blik naar de vraag of de handelwijze van de ouders (…) gerechtvaardigd en daarmee juist kon zijn, leek op voorhand al niet meer mogelijk. De commissie mist een heldere vraagstelling en onderbouwing van de conclusies. Ook meent de Klachtencommissie dat het verstrekken van informatie over het onderzoek en de rol van het AMK in casu te wensen over heeft gelaten (…)”

15.

De hiervoor genoemde opmerkingen en conclusies heeft BJZNH niet of onvoldoende ontzenuwd in de voorliggende zaak, zodat de kantonrechter de conclusies van de klachtencommissie overneemt. Met [X. en Y.] is de kantonrechter van oordeel dat BJZNH geen of onvoldoende verklaring gegeven voor het feit dat zij de verklaringen in haar rapport van [X. en Y.] niet heeft laten fiatteren en dat de kans bestaat dat het onderzoek zoals dat nu voorligt een eigen leven gaat leiden en dat [X. en Y.] -mogelijk- ten onrechte bij diverse instellingen zoals SKOA of de school van [A.] en [B.] te boek komen te staan als ouders die hun kinderen verwaarlozen.

16.

Door in het bestreden onderzoek niet een duidelijke vraagstelling en onderzoeks-resultaten te formuleren, conclusies te verbinden aan niet vaststaande feiten en de verklaringen van [X. en Y.] niet te laten fiatteren, heeft BJZNH zich niet onpartijdig opgesteld. Onder de gegeven omstandigheden oordeelt de kantonrechter dan ook dat BJZNH de in het maatschappelijk verkeer in acht te nemen zorgvuldigheid heeft geschonden.

17.

Uit het voorgaande volgt dat door BJZNH ten opzichte van [X. en Y.] onrechtmatig is gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW.

Schade

18.

[X. en Y.] hebben voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij als gevolg van het onrechte handelen door BJZNH vermogensschade hebben geleden, die bestaat uit de kosten die zij hebben moeten maken om het rapport aan te vechten. Dat [X. en Y.] voor het aanvechten van het onderzoek niet hebben gekozen voor kosteloze bijstand door een vertrouwenspersoon van het Advies- en Klachtenbureau jeugdzorg kan hen niet worden tegengeworpen. Zij waren in dit verband vrij in hun keuze van gemachtigde. De kantonrechter begroot de schade die [X. en Y.] door de onrechtmatige daad van BJZNH hebben geleden op € 3.000,--. .

19.

Niet is aannemelijk gemaakt dat het onderzoek voor [X. en Y.] meer ingrijpend is geweest dan voor anderen in dezelfde positie en evenmin is gesteld of gebleken dat het onderzoek dermate ingrijpend is geweest dat zij als gevolg hiervan immateriële schade hebben. Het in de zenuwen verkeren en angst hebben om de kinderen kwijt te raken is hiertoe onvoldoende, hoe vervelend dit ook voor [X. en Y.] is geweest. De vordering tot vergoeding van de immateriële schade zal daarom worden afgewezen.

20.

De wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van dagvaarding, omdat niet is gesteld of gebleken wanneer [X. en Y.] de kosten aan Gommer verschuldigd zijn geworden.

Proceskosten

21.

De proceskosten komen voor rekening van BJZNH omdat deze deels in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

ten aanzien van de vordering tot vernietiging van het dossier van [X. en Y.] bij AMK en/of BJZNH:

beveelt [X. en Y.] op eigen kosten de dagvaarding waarmee de procedure is ingeleid te verbeteren;

beveelt dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure bij de rekestenkamer van deze rechtbank afdeling Privaatrecht, sectie handel, locatie Alkmaar;

beveelt dat partijen zonodig hun stellingen aan de dan toepasselijke procesregels aan te passen.

ten aanzien van de overige vorderingen

veroordeelt BJZNH tot betaling aan [X. en Y.] van € 3.000-- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 30 juli 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt BJZNH tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [X. en Y.] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 92,82

griffierecht € 213,--

salaris gemachtigde € 350,--;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.

Coll.