Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3776

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
15/810039-14, 15/700658-12 (TUL), 15/700478-12 (TUL) en 15/700213-13 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; diefstal en poging tot diefstal van onder meer grafletters op een begraafplaats; bewijsoverweging; bewezenverklaring; straftoemeting (oplegging onvoorwaardelijke ISD-maatregel); vorderingen benadeelde partijen; vorderingen tenuitvoerlegging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/810039-14, 15/700658-12 (TUL), 15/700478-12 (TUL) en 15/700213-13 (TUL) (P)

Uitspraakdatum: 24 april 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 10 april 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. L. Dolfing en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. B.K.M. Fritz, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1

hij op of omstreeks 21 januari 2014 te Driehuis NH, gemeente Velsen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (vanaf begraafplaats Westerveld, gelegen aan de Duin- en/of Kruidbergerweg 6, aldaar) een of meerdere bronzen en/of koperen letters van een of meerdere graf/graven en/of grafste(e)n(en) (grafnummer [grafnummer 1] en/of [grafnummer 2] en/of [grafnummer 3] en/of [grafnummer 4]) en/of een bronzen en/of een koperen pot (grafnummer [grafnummer 5]), althans een of meerdere metalen voorwerp(en), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of

[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander en/of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich (telkens) de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2

hij op of omstreeks 21 januari 2014 te Driehuis NH, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (vanaf begraafplaats Westerveld, gelegen aan de Duin- en Kruidbergerweg 6, aldaar) een of twee koperen, althans metalen sierketting(en) van een of twee graf/graven, geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de en/of die/dat weg te nemen sierketting(en) onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 21 januari 2014 omstreeks 12:45 uur is getuige [getuige 1] aan het werk op begraafplaats Westerveld, gelegen aan de Duin- en Kruidbergerweg 6 te Driehuis NH, gemeente Velsen.

[getuige 1] ziet een man met een groene muts, een groene halflange jas, bruine handschoenen, werkschoenen en een grijs/groenkleurige rugzak gehurkt zitten bij het graf met grafnummer [grafnummer 6]. De man rommelt aan de sierketting. Bij het graf met grafnummer [grafnummer 7] rommelt de man eveneens aan de koperen sierketting. De man loopt hierna verder. [getuige 1] ziet hierna dat de schakels van de sierkettingen van de graven met grafnummers [grafnummer 6] en [grafnummer 7] verbogen zijn.2

[getuige 1] ziet de man vervolgens bij het graf met grafnummer [grafnummer 1] hurken. De man haalt een schroevendraaier uit zijn rugtas en rommelt aan de letters op de grafsteen. De man loopt hierna door naar het graf met grafnummer [grafnummer 1]. [getuige 1] loopt naar het graf met grafnummer [grafnummer 1] en ziet dat er enkele koperen letters los liggen. [getuige 1] ziet dat er ook koperen letters van het graf ontbreken. 3 [slachtoffer 1] is rechthebbende van het graf met grafnummer [grafnummer 1].4[getuige 1] ziet de man vervolgens gehurkt zitten bij het graf met grafnummer [grafnummer 1]. De man pakt zijn schroevendraaier weer uit zijn rugtas. De man doet iets in zijn rugtas en loopt door naar het graf met grafnummer [grafnummer 5]. [getuige 1] ziet dat de man een koperen pot, die naast het graf staat, in zijn rugtas doet. De man loopt door naar het graf met grafnummer [grafnummer 3]. [getuige 1] volgt de man en ziet dat bij het graf met het grafnummer [grafnummer 1] een letter op de grond naast het graf ligt. De man haalt, terwijl hij bij het graf met grafnummer [grafnummer 3] op zijn hurken zit, zijn schroevendraaier uit zijn tas en doet hierna iets in zijn tas. De man loopt door naar het graf met grafnummer [grafnummer 4]. [getuige 1] ziet dat er enkele koperen letters van het graf met grafnummer [grafnummer 3] ontbreken.5 Het graf met grafnummer [grafnummer 3] betreft het graf van de grootouders van [slachtoffer 2].6 Bij het graf [grafnummer 4] herhaalt de man zijn handelingen en loopt hierna naar de uitgang van de begraafplaats.7

[getuige 1] en zijn collega getuige [getuige 2] spreken de man aan op het moment dat hij het terrein van de begraafplaats wil verlaten. [getuige 2] ziet dat de man een donkere rugzak draagt, waar duidelijk iets in zit. De rugzak puilt uit en er is een ronding van een voorwerp te zien. De man verlaat na een discussie met [getuige 1] en [getuige 2] de begraafplaats.8

Verbalisanten krijgen omstreeks 13:06 uur een melding van vermoedelijke diefstal gepleegd op de begraafplaats Westerveld. Aan de hand van het door [getuige 1] doorgegeven signalement wordt verdachte aangehouden op de kruising tussen de Hoofdstraat en de Rijksweg in Santpoort-Noord. In de gele fietstas aan de voorzijde van de fiets van verdachte wordt gereedschap, waaronder een schroevendraaier aangetroffen. Op de schroevendraaier zit modder en deze modder is nog nat.9

Verdachte verklaart dat het klopt dat hij op de begraafplaats Westerveld was, dat hij zich herkent in de beschrijving van aangever en dat hij daar bij enkele graven heeft gehurkt. Verdachte was in het bezit van een kleine blauwe tas. Medewerkers van de begraafplaats vroegen na zijn bezoek of zij in zijn tas mochten kijken, maar dat heeft verdachte geweigerd. Vervolgens is verdachte weggefietst.10

3.3. Bewijsoverweging

Door en namens verdachte is vrijspraak bepleit. De raadsman van verdachte heeft onder meer naar voren gebracht dat verdachte op de begraafplaats op zoek is geweest naar het graf van [naam], met wie hij een goede band had opgebouwd bij het Leger des Heils. Verdachte hurkte bij de graven om de namen op de graven goed te bekijken teneinde het graf van “[naam]” te vinden. In het strafdossier is onvoldoende bewijs voor de stelling dat verdachte zich aldaar schuldig heeft gemaakt aan diefstal en poging daartoe. Verdachte dient te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer, nu zij op grond van de hierboven weergegeven inhoud van de bewijsmiddelen tot het oordeel komt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal en poging tot diefstal van goederen van de begraafplaats. De verklaring van [getuige 1] is gedetailleerd en wordt op een wezenlijk punt ondersteund door de verklaring van [getuige 2], namelijk voor wat betreft de aanwezigheid van de koperen pot in de rugzak van verdachte. [getuige 1] had ook goed zicht op het handelen van verdachte, zo blijkt uit zijn verklaring. Voorts is niet aannemelijk geworden dat [getuige 1] en [getuige 2] enig belang hebben bij de verklaringen zoals zij die bij de politie hebben afgelegd. Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat hij slechts zocht naar het graf van [naam] en dat er behalve handschoenen niets in zijn blauwe rugzak zat, dan ook ongeloofwaardig en slechts bedoeld om de waarheid te bemantelen, namelijk dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Het feit dat verdachte ook wisselend heeft verklaard over de reden van zijn bezoek aan de begraafplaats (bezoek graf vader en later graf [naam]) sterkt de rechtbank verder in dit oordeel. Het verweer wordt verworpen.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1

hij op 21 januari 2014 te Driehuis NH, gemeente Velsen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen (vanaf begraafplaats Westerveld, gelegen aan de Duin- en Kruidbergerweg 6, aldaar) koperen letters van meerdere graven en grafstenen (grafnummers [grafnummer 1] en [grafnummer 3] en [grafnummer 4]) en een koperen pot (grafnummer [grafnummer 5]), toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], en/of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

feit 2

hij op 21 januari 2014 te Driehuis NH, gemeente Velsen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen (vanaf begraafplaats Westerveld, gelegen aan de Duin- en Kruidbergerweg 6, aldaar) twee koperen sierkettingen van twee graven, toebehorende aan anderen dan aan verdachte en daarbij de weg te nemen sierkettingen onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;

feit 2

poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en de bespreking aldaar van het ten aanzien van verdachte opgestelde reclasseringsadvies is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal en poging tot diefstal. Verdachte heeft, met gebruikmaking van gereedschappen, diverse letters van verschillende graven op begraafplaats Westerveld te Driehuis weggenomen. Voorts heeft verdachte aldaar een koperen pot, behorend bij een graf, weggenomen en heeft hij gepoogd twee sierkettingen weg te nemen. Door aldus te handelen heeft verdachte niet alleen materiële, maar zeer zeker ook immateriële schade veroorzaakt bij de benadeelden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte in het verleden veelvuldig en zeer regelmatig in aanraking is geweest met politie en justitie, met name in verband met (winkel)diefstallen.

Uit het omtrent verdachte opgemaakte rapport van GGZ Reclassering Palier van 7 april 2014 blijkt dat verdachte reeds verscheidene keren reclasseringstoezicht is opgelegd. Verdachte heeft sinds enige tijd de status van zeer actieve veelpleger. De hulpverlening richt zich thans op praktische zaken. Tot nu toe is het nimmer gelukt om verdachte voldoende ingebed te krijgen in zorg en een passend behandelaanbod te kunnen bieden, daar verdachte onvoldoende meewerkt en het niet mogelijk is diagnostisch onderzoek te doen. Eerdere interventies binnen reguliere zorg, waarbij sprake is geweest van ambulante behandelingen, en pogingen om betrokkene te motiveren tot klinische opnamen, hebben niet geleid tot positieve gedragsveranderingen en het verminderen van recidive. Ook eerder opgelegde werkstraffen en voorwaardelijke veroordelingen hebben niet het gewenste effect om een middelen- en delictvrij bestaan op te bouwen. Verdachte lijkt niet gemotiveerd om zijn middelengebruik te veranderen, terwijl dit wat betreft de reclassering een grote indicator is voor recidive of vergroten van problemen. De oplegging van de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders lijkt thans de enige mogelijkheid om in de toekomst te komen tot een positieve gedragsverandering en een delictvrij bestaan.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee (2) jaren dient te worden opgelegd, nu de door verdachte begane feiten misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte in de afgelopen vijf jaren driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot vrijheidsbenemende straffen, onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging hiervan, er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Teneinde de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven, alsmede de maatschappij zo optimaal mogelijk te beschermen, zal de rechtbank bepalen dat de gehele duur van de maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden en dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht hierop niet in mindering dient te worden gebracht.

7. Vorderingen benadeelde partijen

7.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 1] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 310,- ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit herstelkosten van het bronzen opschrift van een graf.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3.4. onder feit 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: diefstal door middel van verbreking) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

7.2. Vordering benadeelde partij [slachtoffer 2] en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft een vordering tot schadevergoeding van

€ 927,47 ingediend tegen verdachte wegens materiële schade die zij als gevolg van het onder feit 1 ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit herstelkosten van het bronzen opschrift van een graf alsmede de kosten voor een bronzen rozenbol.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot het gevorderde bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 3.4. onder feit 1 bewezen verklaarde feit. De vordering zal derhalve worden toegewezen.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen (kort gezegd: diefstal door middel van verbreking) aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1. Vordering tot tenuitvoerlegging 15/700658-12

Bij vonnis van 17 december 2012 in de zaak met parketnummer 15/700658-12 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van diefstal veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf dagen. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 10 maart 2014 aan de verdachte toegezonden/uitgereikt. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 1 januari 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op haar oordeel onder 6.2. waardoor tenuitvoerlegging niet langer van toegevoegde waarde is.

8.2. Vordering tot tenuitvoerlegging 15/700478-12

Bij vonnis van 11 september 2012 in de zaak met parketnummer 15/700478-12 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van oplichting, poging tot oplichting en meerdere diefstallen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder bijzondere voorwaarden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 10 maart 2014 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 26 september 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op haar oordeel onder 6.2. waardoor tenuitvoerlegging niet langer van toegevoegde waarde is.

8.3. Vordering tot tenuitvoerlegging 15/700213-13

Bij vonnis van 29 juli 2013 in de zaak met parketnummer 15/700213-13 heeft de meervoudige strafkamer te Haarlem verdachte ter zake van meerdere diefstallen veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit alsmede onder bijzondere voorwaarden.

De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op 16 augustus 2013 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 16 augustus 2013 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf zal afwijzen. De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op haar oordeel onder 6.2. waardoor tenuitvoerlegging niet langer van toegevoegde waarde is.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 38m, 38n, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van TWEE (2) JAREN;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 310,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 310,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door zes (6) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 927,47, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 927,47, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door achttien (18) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/700658-12 opgelegde voorwaardelijke straf;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de zaak met parketnummer 15/700478-12 opgelegde voorwaardelijke straf;

wijst af de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de zaak met parketnummer 15/700213-13 opgelegde voorwaardelijke straf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.D. de Jong, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. E.J. Bellaart, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 24 april 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina’s 005-onder, 006-boven, 009 en 010).

3 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina’s 006-boven, 011, 012 en 013).

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 28 januari 2014 (los opgenomen).

5 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 006-midden, 014, 015 en 016).

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 13 februari 2014 (los opgenomen).

7 Het proces-verbaal van aangifte van [getuige 1] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina 006-onder, 017 en 018).

8 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 22 januari 2014 (dossierpagina’s 027-028).

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 januari 2014 (dossierpagina’s 003-004).

10 De verklaring van verdachte, zoals afgelegd ter terechtzitting van 10 april 2014.