Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3738

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
C-15-211817 - KG ZA 14-102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert nakoming convenant door gedaagde, de Gemeente, en rectificatie van een krantenartikel en een persbericht van de Gemeente. De Gemeente heeft het convenant buitengerechtelijk vernietigd nadat gebleken is dat eiser voor het tekenen van het convenant een stuk land in eigendom heeft overgedragen. Eiser stelt dat dit niet van belang was voor uitvoering van het convenant. De voorzieningenrechter acht het niet goed voorstelbaar dat eiser bij de ondertekening niet heeft beseft dat de wijziging van de eigendomssituatie van het stuk land een omstandigheid was waarvan hij de Gemeente in kennis had moeten stellen. De voorzieningenrechter acht de grond voldoende stevig voor de inschatting dat de bodemrechter zal oordelen dat er sprake is van dwaling. Niet te verwachten is dat de bodemrechter aanleiding zal zien voor het oordeel dat de bevoegdheid van de Gemeente tot vernietiging is vervallen. Voor een krantenartikel is de Gemeente niet verantwoordelijk. Voor het persbericht wel. De essentie van het bericht vindt voldoende steun in de feiten. Voorts is het bericht als geheel niet onnodig grievend. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/211817 / KG ZA 14-102

Vonnis in kort geding van 17 april 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M. van Weeren te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BLOEMENDAAL,

zetelend te Overveen,

gedaagde,

advocaat mr. W.J.E. van der Werf te ‘s Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Gemeente genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van de Gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In 2009 heeft [eiser] samen met zijn broer [broer eiser] (hierna ook tezamen aan te duiden als “de broers [S]”) het landgoed Elswoutshoek (hierna “het Landgoed”) verworven. Zij bezitten elk afzonderlijk bepaalde percelen, die samen het landgoed vormen. Zij hebben de grond verworven met het oogmerk het landgoed te renoveren, herinrichten en exploiteren. De broers willen met hun gezinnen op het landgoed gaan wonen en kantoor aan huis houden. Verder willen zij hun paardrijhobby op het landgoed kunnen beoefenen.

2.2.

Direct na de aankoop vindt er overleg plaats. De Gemeente is bereid om mee te denken over de wensen die de broers [S] hebben. Daarbij wordt er door de Gemeente op gewezen dat het van belang is dat zij hun visie op het Landgoed kenbaar maken, zodat duidelijk wordt hoe het Landgoed er na renovatie in zijn geheel eruit komt te zien.

2.3.

In maart 2010 constateert de Gemeente dat er allerlei werkzaamheden plaatsvinden op het Landgoed zonder dat er omgevingsvergunningen zijn aangevraagd. Na tussenkomst van de Gemeente worden door [eiser] omgevingsvergunningen aangevraagd voor de

werkzaamheden die hij uitvoert. Door [broer eiser] wordt een vergunningaanvraag ingediend voor de realisatie van een paardenbak op de noordwestelijke hoek van het Landgoed. De aanvragen worden door het college van B&W aangehouden in afwachting van dat totaalplan.

2.4.

In januari 2011 presenteert [eiser] het Revitaliseringsplan. De activiteiten passen gedeeltelijk niet in het bestemmingsplan en in de provinciale structuurvisie. Vanwege de rijksmonumentale status van het landgoed is bovendien medewerking van de RCE nodig. Alleen de omgevingsvergunningen voor de ijsvogelwand en de plaatsing van een ooievaarsnest worden verleend. De overige aanvragen om omgevingsvergunningen worden geweigerd vanwege de negatieve adviezen van de RCE. In het Revitaliseringsplan zijn de ingrepen in het Landgoed, waarvoor advies wordt aangevraagd, niet goed uitgewerkt. Met betrekking tot de aanleg van een paardenbak adviseert de RCE negatief, omdat een paardenbak op die plek het landgoed ontsiert.

2.5.

De gemeente en de broers [S] voeren diverse bestuursrechtelijke procedures.

In de loop der tijd raken de verhoudingen meer en meer verstoord. De broers [S] menen dat zij door de Gemeente worden tegengewerkt, zowel door het gemeentebestuur als door de ambtenarij. Zij ervaren het gemeentelijk apparaat als traag en vooringenomen. De gemeente ervaart de relatie met de broers als buitenproportioneel bewerkelijk en het gedrag van de broers als agressief en heeft in toenemende mate het gevoel dat zij het op geen enkele wijze meer “goed” kan doen.

Vanaf 2012 zijn onder aansporing van de Nationale Ombudsman verschillende pogingen

ondernomen om partijen tot elkaar te brengen.

2.6.

Ingevolge een motie van de gemeenteraad van 29 maart 2012 wordt een ad-hoc

onderzoekscommissie ingesteld die onderzoek moet doen naar de besluitvorming en de

omgang van de Gemeente met de eigenaren [S] en vice versa.

Deze commissie stelt vast dat er twee visies op de zaak zijn: die van de Gemeente enerzijds

en die van de eigenaren en hun adviseurs anderzijds. De Gemeente beschouwt de

broers [S] als lastiger dan gemiddeld -door hun ongebruikelijke methoden, hun

emotioneel handelen en hun ongeduld-, de broers [S] menen dat de Gemeente

bureaucratisch en weinig coöperatief is.

2.7.

Conform een van de aanbevelingen die hieruit voortvloeit benoemt het college van B&W op 1 juni 2012 een externe procesmanager die de besluitvorming vlot moet trekken. De procesmanager presenteert niet lang daarna een plan van aanpak, waarvan de gemeenteraad in zijn vergadering van 26 juli 2012 kennisneemt. In het plan van aanpak doet de procesmanager onder meer een voorstel voor een zogenaamde Overall visie. De Overall visie voorziet in een stapsgewijze besluitvorming, die moet leiden tot een herziening van het bestemmingsplan voor de bouw van een nieuwe woning en de integrale uitvoering van een revitaliseringsplan voor het Landgoed. De raad neemt in zijn vergadering van 20 december 2012 met instemming kennis van de Overall visie en de daarin opgenomen aanbevelingen. Bij wijze van motie draagt de raad het college van B&W voorts op om - kort gezegd - op korte termijn tot een oplossing te komen onder leiding van een externe voorzitter, binnen de door de raad bij motie vastgestelde planologische kaders.

2.8.

Ter uitvoering van het besluit van de raad draagt [eiser] mr. H.C.J.L. Borghouts, oud-commissaris van de koningin van de provincie Noord-Holland, voor als beoogd voorzitter. Het college van BW stelt daarop een eigen voorzitter voor, mr. P.H. Revermann van Juridisch en Bestuurlijk Adviescentrum B.V. te Amsterdam. Borghouts en Revermann gaan samen aan de slag als “duovoorzitters”.

2.9.

In de periode januari 2013 tot en met oktober 2013 stellen Borghouts en Revermann plannen op en voeren zij onderhandelingen. [broer eiser] wil bij deze onderhandelingen niet betrokken worden. Hij ziet daartoe geen noodzaak, omdat hij geen planologische medewerking van de Gemeente nodig heeft.

2.10.

In de loop van 2013 komt onder leiding van de duovoorzitters een convenant tot stand tussen [eiser] en de Gemeente. Het eindoverleg over het convenant vindt plaats op 3 oktober 2013. In het daarvan opgemaakte verslag is onder meer het volgende vermeld

“Convenant

• Wethouder Kokke stelt als voorwaarde dat er slechts 1 paardenbak zoals voorgesteld in de oplossingsrichting van de Utiliteitszone komt en dus geen paardenbak aan de westzijde van Elswoutshoek mag worden gerealiseerd. Ook niet als de Raad van State een uitspraak over de paardenbak in het voordeel van de heer [broer eiser] doet. De heer [eiser] wil mogelijk de paardenbak niet realiseren op de locatie die in de oplossingsrichting wordt voorgesteld,

• Afspraak: de heer [eiser] mag mits passend binnen de kaders die het bestemmingsplan Landelijk Gebied 2013 en het gemeentelijk beleid bieden, de paardenbak eventueel op een andere locatie binnen de utiliteitszone aan de oostzijde van het landgoed realiseren. Het voorstel heeft gevolgen voor het Inrichtingsplan en de plaatsing van de daarin opgenomen bebouwing en moet dan nader worden uitgewerkt.”

2.11.

Het convenant kent een integrale ontwikkelings-, beheers-, onderhouds- en instandhoudingsregeling voor het Landgoed. In het convenant zijn afspraken opgenomen over de voorwaarden waaronder de Gemeente bereid is (publiekrechtelijke) medewerking te verlenen aan het revitaliseringsplan voor het Landgoed. Uitgangspunt is onder meer de realisatie van de herinrichting en realisering van een zogenaamde utiliteitszone, waarin een gezinswoning (beheerderswoning), een bedrijfsopstal en een paardenbak kunnen worden gerealiseerd.

In artikel 2, lid 2, sub b van het convenant is onder andere het volgende vermeld:

“uitsluitend op het landgoed 1 paardenbak conform het Inrichtingsplan Utiliteitszone kan worden gerealiseerd en –ondanks eventuele rechterlijke uitspraken terzake- overige locaties op het landgoed hiervoor niet zullen mogen worden aangewend. (…)”

In artikel 5, lid 1, is het volgende neergelegd:

“Het Landgoed wordt als een en onverdeeld beschouwd. Vervreemding door partij [S] van grond en opstallen kan alleen tezamen met de overige percelen van zijn deel van het Landgoed plaatsvinden (waarborging instandhouding Landgoed).”

2.12.

[broer eiser] gebruikt een gedeelte van een perceel dat ten tijde van de onderhandelingen over het convenant toebehoorde aan [eiser] voor het berijden van paarden. Op dit stuk land wil [broer eiser] een omheinde paardenbak realiseren. Hij heeft hiervoor een vergunning aangevraagd. Het door [broer eiser] tegen de beslissing op bezwaar ingestelde beroep is door deze Rechtbank gegrond verklaard. Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft het college van B&W hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. (Dit betreft de procedure waaraan in de sub 2.9 aangehaalde passage uit het verslag van het eindoverleg over het convenant wordt gerefereerd.)

2.13.

Bij akte van levering van 17 oktober 2013 heeft [eiser] het deel van het perceel dat door [broer eiser] gebruikt wordt voor het bereiden van paarden (hierna: de paardenwei) aan [broer eiser] in eigendom overgedragen.

2.14.

Het convenant wordt door [eiser] en wethouder T. Kokke van de Gemeente op 29 november 2013 ondertekend. Voorafgaand aan noch bij de ondertekening is mededeling gedaan van de hiervoor vermelde eigendomsoverdracht.

2.15.

Hoewel [broer eiser] geen partij is bij het convenant, is hij uiteindelijk bereid om mee te tekenen voor artikel 3 lid 4. Daarin is een boeteclausule opgenomen die beide broers ertoe verplicht geen andere bouw- en ontwikkelingsinitiatieven te ontplooien.

2.16.

Bij brief van 11 februari 2014 heeft de Gemeente het convenant buitengerechtelijk vernietigd. De brief bevat onder meer de volgende passage:

“De Gemeente neemt aan dat u tijdens de onderhandelingen en ten tijde van de ondertekening

van het Convenant willens en wetens heeft verzwegen dat u het perceelsgedeelte (bedoeld wordt: de paardenwei, vzr) aan uw broer in eigendom had verkocht en overgedragen. De Gemeente stelt zich daarom primair op het standpunt dat sprake is van bedrog als bedoeld in artikel 3:44 Burgerlijk Wetboek (”BW”). U heeft de Gemeente bewogen tot het sluiten van het Convenant door een daartoe opzettelijk gedane onjuiste mededeling omtrent de eigendomssituatie, althans door het opzettelijk

verzwijgen van de juiste eigendomssituatie. De Gemeente zou niet tot het sluiten van het

Convenant hebben besloten, indien zij van de juiste eigendomssituatie op de hoogte zou zijn

geweest.

(…)

De Gemeente stelt zich subsidiair op het standpunt dat sprake is van dwaling als bedoeld in

artikel 6:228 BW. Het Convenant is tot stand gekomen onder invloed van dwaling omtrent de

eigendomssituatie en zou bij een juiste voorstelling van zaken niet tot stand zijn gekomen.”

Meer subsidiair heeft de Gemeente vastgesteld dat er sprake is van een toerekenbare tekortkoming door [eiser] in de nakoming van het convenant.

2.17.

Bij brief van 19 februari 2014 heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat van enig wilsgebrek geen sprake is en dat hij de vernietiging niet accepteert. De brief bevat verder de volgende passage.

“Uit de stellingname van uw cliënte blijkt dat deze niet bereid is het convenant verder na te

komen. Gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 1 van het convenant wordt uw cliënte verzocht en

voor zover nodig gesommeerd uiterlijk binnen 14 dagen na heden schriftelijk kenbaar te maken

dat zij bereid is de overeenkomst (alsnog) na te komen, zoals overeengekomen. Bij gebreke

daarvan wordt uw cliënte geacht definitief in verzuim te zijn en kan cliënt gebruik maken van

de hem alsdan toekomende rechten. Bij gebreke van bovenstaande bereidverklaring en een

voor cliënt positieve uitkomst van minnelijk overleg zal cliënt per ommegaande in kort geding

een voorziening vorderen, waarbij uw cliënte veroordeeld wordt tot nakoming van het

convenant op straffe van een dwangsom alsmede het doen van de nader te noemen rectificatie.”

2.18.

Direct na verzending van de sub 2.16. vermelde brief heeft de Gemeente de door haar uitgenodigde pers uitleg gegeven over haar visie inzake de vernietiging van het Convenant. Bij die gelegenheid is een persbericht uitgegeven, waarin het volgende is opgenomen:

“Eigenaar landgoed verzwijgt grondverkoop.

Het college heeft er geen vertrouwen meer in dat het convenant om Elswoutshoek te herstellen zal worden nagekomen, nu vaststaat dat er zonder medeweten van de gemeente grond is verkocht, om een afspraak in het convenant te omzeilen. Daarom heeft het college deze overeenkomst laten vernietigen. Ook gaat zij de ondertekenaar, de heer [eiser], aansprakelijk stellen voor de gemaakte kosten.

Dit convenant kwam na lang en moeizaam onderhandelen tot stand op 29 november 2013 met landgoedeigenaar [eiser]. Uit weinig of niets blijkt dat de heer [eiser] met de uitvoering ervan is begonnen. Afspraken uit het convenant zijn niet of nauwelijks nagekomen. De afspraken betreffen de communicatie via een eigen aanspreekpunt bij de gemeente, overleggen over een inrichtingsplan, een zogenaamde ruimtelijke onderbouwing en het aanvragen van een omgevingsvergunning. Tenslotte is ook de afspraak om delen van het landgoed niet te ‘vervreemden’, dat wil zeggen om ze niet te verkopen aan derden, geschonden.

Tijdens de behandeling op 10 januari 2014 van een door [broer eiser] ingestelde hoger beroepszaak bij de Raad van State is gebleken dat [eiser] een deel van zijn landgoed aan zijn broer, de heer [broer eiser] heeft overgedragen. Dit deel heeft betrekking op het deel van het landgoed aan de westzijde waar [broer eiser] een paardenbak wil aanleggen. (…) Binnenkort doet de Raad van State uitspraak in hoger beroep of deze paardenbak aan da westzijde mag komen. Als de uitspraak positief is kan [broer eiser] deze aanleggen, terwijl met [eiser] was afgesproken dat dat niet zou gebeuren.

Het college heeft er niet langer vertrouwen in dat de afspraken uit het convenant zullen worden nagekomen. Een overheid moet bovendien betrouwbaar en consistent zijn.

Door het schenden van de overeenkomst te accepteren, zou het college stilzwijgend de gemaakte afspraken oprekken. Om die reden zegt het college het convenant op.”

2.19.

In het Haarlems Dagblad van 13 februari 2014 is een bericht geplaatst waarin onder meer het volgende is vermeld:

“Volgens de gemeente heeft [eiser] de gemeente bedrogen en misleid. ‘We zijn bedonderd’, zeggen wethouder Kokke en burgemeester Ruud Nederveen (….)

Volgens Bloemendaal heeft [eiser] de gemeente moedwillig en opzettelijk voor de gek gehouden.”

2.20.

De gemeente heeft aan de sub 2.17 vermelde sommatie geen gevolg gegeven.

2.21.

Bij uitspraak van 26 maart 2014 heeft de Raad van State het hoger beroep van de Gemeente gegrond verklaard. De Raad van State heeft voorts het beroep van [broer eiser] tegen het besluit van de Gemeente waarbij de gevraagde vergunning is afgewezen, ongegrond verklaard. De weigering van de omgevingsvergunning is daarmee onherroepelijk geworden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - na vermeerdering van eis

  • -

    de Gemeente te veroordelen tot de nakoming van het convenant, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, of gedeelte daarvan, dat de Gemeente daarmee in gebreke blijft, althans tot een zodanig dwangmiddel als de rechtbank passend acht;

  • -

    de Gemeente te bevelen binnen 48 uur na betekening van het vonnis schriftelijk het artikel in het Noord Hollands dagblad van 13 februari 2014 en het door de Gemeente op haar website geplaatste persbericht te rectificeren, op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag, of gedeelte daarvan, dat de Gemeente daarmee in gebreke blijft, althans dat de Gemeente wordt veroordeeld tot een zodanig dwangmiddel als de rechtbank passend acht;

  • -

    de Gemeente te veroordelen in de kosten van het geding, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, daarover na die termijn wettelijke rente verschuldigd is.

3.2.

De vordering tot nakoming is gebaseerd op het convenant. De vordering tot rectificatie is gebaseerd op de stelling dat de gemeente gegeven de hiervoor vermelde passages in het krantenbericht en het persbericht de eer en goede naam van [eiser] heeft aangetast.

3.3.

De Gemeente voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De Gemeente heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het convenant door haar kon worden vernietigd, omdat er volgens haar sprake is van bedrog. Volgens de Gemeente heeft [eiser] opzettelijk verzwegen dat er door de overdracht van de paardenwei op 17 oktober 2013 van [eiser] aan [broer eiser] een wijziging in de eigendomssituatie van de percelen heeft plaatsgevonden. Subsidiar heeft de Gemeente zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van dwaling, meer subsidiair van niet nakoming van het convenant door [eiser].

4.2.

Ten aanzien van de hiervoor vermelde stellingen zal allereerst worden ingegaan op de vraag in hoeverre [eiser] moet hebben beseft dat de wijziging in de eigendomssituatie van de paardenwei voor de Gemeente een relevante omstandigheid vormde.

4.3.

[eiser] heeft aangevoerd dat de wijziging van de eigendomssituatie niets verandert aan de uitvoering van het convenant. In de considerans van het convenant is opgenomen dat het landgoed bepaalde percelen omvat, welke eigendom zijn van [eiser] en [broer eiser]. De eigendom van de paardenwei heeft geen invloed op de juridische positie van de partijen bij het convenant, het convenant heeft ook geen betrekking op de paardenwei en de gemeente wist dat [broer eiser] de paardenwei in gebruik had.

4.4.

De Gemeente heeft betoogd dat er door de eigendomswijziging wel degelijk een relevante verandering in de situatie ontstaat. De overdracht van het perceelgedeelte heeft tot gevolg dat dit aan de werking van het convenant onttrokken omdat de gemeente zich ten aanzien van de paardenwei jegens [eiser] niet meer kan beroepen op de in artikel 2, lid 2, sub b van het convenant gemaakte afspraak dat hij - ongeacht de uitkomst van “rechterlijke procedures” op het gehele landgoed conform het Inrichtingsplan - maar één nieuwe paardenbak mag realiseren, en wel in de utiliteitszone, en dat andere locaties daarvoor niet mogen worden aangewend. [eiser] pleegt immers na de wijziging van het convenant geen wanprestatie als [broer eiser][broer eiser] op het overgedragen perceelgedeelte een paardenbak realiseert. En omdat [broer eiser] artikel 2 van het convenant niet heeft ondertekend, is hij aan die afspraak niet gebonden. de Gemeente stelt dat het van meet af aan de bedoeling is geweest dat de paardenwei onder de reikwijdte van het convenant zou vallen. Hierbij verwijst zij naar de hiervoor aangehaalde passage uit het eindoverleg en naar artikel 2, lid 2 sub b van het convenant.

4.5.

De voorzieningenrechter stelt vast dat [eiser] niet heeft betwist dat in het eindoverleg is afgesproken dat er op het landgoed maar één paardenbak gerealiseerd zou worden. De aangehaalde passages uit het convenant laten tegen die achtergrond aan duidelijkheid bepaald niet te wensen over. In artikel 2, lid 2, sub b van het convenant is zelfs gespecificeerd dat de uitkomst van het op dat moment nog aanhangige beroep bij de Raad van State onverlet laat dat er als uitvloeisel van de gemaakte afspraak géén paardenbak in de aan de westzijde van Elswoutshoek mag worden gesitueerd. Tussen partijen is niet in geschil dat daarmee wordt gedoeld op de paardenwei.

[eiser] heeft bij ondertekening van het convenant bijlage 7, met daarin de eigendomssituatie, niet geparafeerd, waaruit volgt dat hij zich besefte dat hij enkel juiste informatie dienen te paraferen.

Dat het hier voor de Gemeente een belangrijk punt betreft volgt uit de omstandigheid dat er over de paardenbak werd geprocedeerd en dat de Gemeente de kwestie belangrijk genoeg vond om na de door de Gemeente verloren procedure bij de rechtbank hoger beroep bij de Raad van State in te stellen. Onder die omstandigheden is niet goed voorstelbaar dat [eiser] bij de ondertekening niet heeft beseft dat de wijziging van de eigendomssituatie van de paardenwei een omstandigheid was waarvan hij de gemeente in kennis had moeten stellen.

4.6.

De voorzieningenrechter kan -en zal- in het midden laten of het etiket “bedrog” ter zake past. De voorzieningenrechter acht de door voormelde vaststelling geboden grond voldoende stevig voor de inschatting dat de bodemrechter zal oordelen dat er sprake is van dwaling, nu [eiser] in verband met zijn wetenschap van het belang dat de Gemeente hechtte aan de invulling van het gebruik van de betrokken grond en de omstandigheid dat de overdracht slechts kort tevoren in de openbare registers was ingeschreven, van de overdracht mededeling had moeten doen. De omstandigheid dat de Gemeente daar ook zelf achter had kunnen komen door de openbare registers te raadplegen maakt dit niet anders. De precontractuele relatie waarin partijen tot elkaar stonden is immers een door de eisen van redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding, waarin partijen met elkaars te respecteren belangen rekening hebben te houden.

4.7.

De broers [S] hebben ter zitting verklaard dat zij beiden bereid zijn een aanvullende overeenkomst te tekenen waarin opgenomen wordt dat op de paardenwei geen omheinde paardenbak zal worden geplaatst. Voor zover deze uitlatingen zouden moeten worden opgevat als een voorstel tot wijziging van de gevolgen van de overeenkomst als bedoeld in art 6:230 BW, wordt het volgende opgemerkt.

4.8.

Bij bericht van 31 januari 2014 hebben Borghouts en Revermann aan [eiser] voorgesteld dat hij de eigendomsoverdracht met spoed ongedaan zou maken. [eiser] is daarop niet ingegaan. Verder heeft [eiser] er ter zitting er geen blijk van gegeven dat hij inziet dat met de schending van de mededelingsplicht ook het vertrouwen is geschonden, laat staan dat hij een poging heeft ondernomen om tot herstel van dat vertrouwen te komen. De even opzichtige als onhoudbare poging om de schuld bij de Gemeente te leggen - die had maar in de registers moeten kijken - draagt daartoe bepaald niet bij.

Vastgesteld moet tenslotte worden dat van een bereidheid om op de paardenwei iedere vorm van gebruik van paarden op te geven ter zitting niet bleek.

4.9.

Niet te verwachten is dan ook dat de bodemrechter aanleiding zal zien voor het oordeel dat de bevoegdheid van de Gemeente tot vernietiging is vervallen. Evenmin zal hij aanleiding vinden om ambtshalve tot wijziging van de overeenkomst te komen. Daarbij is mede van belang dat vernietiging van de overeenkomst de ter plaatse geldende planologische kaders onaangetast laat en dan ook niet verhindert dat [eiser] binnen die kaders komt tot realisatie van zijn plannen.

4.10.

Gezien het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er geen grond is om de Gemeente tot nakoming te veroordelen.

4.11.

Ten aanzien van de vordering tot rectificatie overweegt de voorzieningenrechter dat de Gemeente niet verantwoordelijk is voor het artikel in het Haarlems Dagblad.

Voor de inhoud van het eigen persbericht is de Gemeente uiteraard wel verantwoordelijk. Hoewel aan [eiser] kan worden toegegeven dat de beschuldiging dat afspraken niet worden nagekomen minder past, nu niet gebleken is dat dit op enig moment voordien met [eiser] is besproken en het ook geen omstandigheid is waar het beroep op dwaling op is gegrond, vindt de essentie van het bericht, te weten de eerste en derde alinea, voldoende steun in de feiten. Voorts is het bericht als geheel niet onnodig grievend. Deze vordering zal daarom eveneens worden afgewezen. [eiser] kan dit vonnis gebruiken om eventueel verkeerde beelden recht te zetten, maar heeft geen recht op enigerlei verdergaande vorm van rectificerende genoegdoening.

4.12.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Gemeente Bloemendaal worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Gemeente Bloemendaal tot op heden begroot op € 1.424,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.J. Loggen-ten Hoopen op 17 april 2014.1

1 type: 899coll: