Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3501

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
01-05-2014
Zaaknummer
C/15/212038 / KG ZA 14-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

In geval van een kort geding is ook de voorzieningenrechter van de plaats waar de voorziening getroffen moet worden relatief bevoegd. De onderhavige voorlopige voorziening ziet op een door de voorzieningenrechter te geven vervangende toestemming aan de vrouw om met het minderjarig kind van partijen voor een bepaalde periode naar Brazilië te reizen. Nu de man nalaat daarvoor zelf zijn toestemming te verlenen, zou de voorlopige voorziening die een vervangende toestemming van de rechter betreft, in Amsterdam, de woonplaats van de man, getroffen moeten worden. Derhalve zou ook op basis hiervan de voorzieningenrechter te Amsterdam de relatief bevoegde rechter zijn. Verweer wordt toch verworpen omdat de man geen belang heeft bij zijn verweer. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat het door de man gestelde belang niet langer aanwezig is nu partijen - weliswaar zonder succes - inmiddels met elkaar het door de man gewenste overleg hebben gevoerd, terwijl niet aannemelijk is dat de vrouw in de nabije toekomst alsnog zal willen afzien van de voorgenomen reis. In geval het bevoegdheidsverweer gehonoreerd zou worden, zou dit bovendien slechts met zich brengen dat de behandeling van de zaak met enkele weken zou worden uitgesteld, om dan bij de voorzieningenrechter te Amsterdam plaats te vinden. Gevolg van deze gang van zaken zou zijn dat de maatschappij - partijen procederen elk op basis van een toevoeging - zou opdraaien voor de aan die zinloze gang van zaken verbonden extra proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/212038 / KG ZA 14-116

Vonnis in kort geding van 17 april 2014

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats 1],

eiseres,

advocaat mr. I.E. van der Bijl te Haarlem

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde,

advocaat mr. B. Wernik te Haarlem.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de mondelinge behandeling.

1.2.

Bij de aanvang van de mondelinge behandeling heeft de man zich op het standpunt gesteld dat de voorzieningenrechter in het arrondissement Noord-Holland relatief onbevoegd is van het geschil kennis te nemen. De man heeft daartoe aangevoerd dat, gelet op het feit dat hij woonachtig is in Amsterdam, waar ook de dagvaarding aan hem is betekend, de voorzieningenrechter te Amsterdam voor het onderhavig kort geding de relatief bevoegde rechter is. Bovendien kan niet gezegd worden dat de verzochte voorziening in het arrondissement Noord-Holland moet worden getroffen, zodat ook om die reden de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Holland niet bevoegd geacht kan worden.

1.3.

De vrouw heeft zich ter zitting voor de bevoegdheid van de rechtbank Noord-Holland allereerst beroepen artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II bis). De vrouw heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat, nu het in deze procedure aan de orde zijnde minderjarig kind van partijen in Haarlem woonachtig is, de gevraagde voorziening in het arrondissement Noord-Holland getroffen dient te worden, waarmee de voorzieningenrechter in het arrondissement Noord-Holland bevoegd is.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting over deze bevoegdheidskwestie het volgende overwogen. De door de vrouw genoemde verordeningsbepaling ziet op de rechtsmacht van de - in dit geval Nederlandse - rechter en heeft geen betrekking op de vraag welke nationale rechter de relatief bevoegde rechter is. In een dagvaardingszaak is in beginsel de rechter van de woonplaats van de gedaagde de relatief bevoegde rechter. Dit zou voor de onderhavige zaak met zich brengen dat de voorzieningenrechter in Amsterdam de relatief bevoegde rechter is. In geval van een kort geding is echter ook de voorzieningenrechter van de plaats waar de voorziening getroffen moet worden relatief bevoegd. De onderhavige voorlopige voorziening ziet op een door de voorzieningenrechter te geven vervangende toestemming aan de vrouw om met het minderjarig kind van partijen voor een bepaalde periode naar Brazilië te reizen. Nu de man nalaat daarvoor zelf zijn toestemming te verlenen, zou de voorlopige voorziening die een vervangende toestemming van de rechter betreft, in Amsterdam, de woonplaats van de man, getroffen moeten worden. Derhalve zou ook op basis hiervan de voorzieningenrechter te Amsterdam de relatief bevoegde rechter zijn.

1.5.

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter de man vervolgens gevraagd naar zijn belang bij zijn bevoegdheidsverweer. De man heeft hierop laten weten dat uitstel van de behandeling van de zaak de mogelijkheid zou openen om met de vrouw in overleg tot een oplossing te komen en dat zulks zijn belang bij zijn genoemd verweer is. De voorzieningenrechter heeft in dit argument van de man aanleiding gezien partijen aanstonds buiten de zittingszaal met elkaar in overleg te doen treden en daartoe de zitting voor enige tijd geschorst. Dit overleg tussen partijen heeft evenwel niet geleid tot overeenstemming.

1.6.

De voorzieningenrechter heeft daarop beslist dat het bevoegdheidsverweer van de man bij gebrek aan belang dient te worden verworpen. De voorzieningenrechter heeft in dat verband overwogen dat het door de man gestelde belang niet langer aanwezig is nu partijen - weliswaar zonder succes - inmiddels met elkaar het door de man gewenste overleg hebben gevoerd, terwijl niet aannemelijk is dat de vrouw in de nabije toekomst alsnog zal willen afzien van de voorgenomen reis. In geval het bevoegdheidsverweer gehonoreerd zou worden, zou dit bovendien slechts met zich brengen dat de behandeling van de zaak met enkele weken zou worden uitgesteld, om dan bij de voorzieningenrechter te Amsterdam plaats te vinden. Gevolg van deze gang van zaken zou zijn dat de maatschappij - partijen procederen elk op basis van een toevoeging - zou opdraaien voor de aan die zinloze gang van zaken verboden extra proceskosten.

1.7.

Vervolgens hebben partijen in twee termijnen hun zaak bepleit.

1.8.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De vrouw is afkomstig uit Brazilië; de man uit Schotland. Partijen zijn op [huwelijksdatum] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] geboren [de minderjarige] (hierna te noemen: [de minderjarige]).

2.2.

Partijen hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige].

2.3.

Op 14 februari 2014 heeft de vrouw bij de rechtbank Noord-Holland tegen de man de echtscheidingsprocedure aanhangig gemaakt.

2.4.

Bij in die procedure gegeven beschikking is [de minderjarige] bij wijze van voorlopige beschikking toevertrouwd aan de vrouw, bij wie [de minderjarige] thans zijn gewone verblijfplaats heeft. Partijen zijn een zorgregeling overeengekomen die erop neerkomt dat [de minderjarige] de ene week een lang weekend bij de man verblijft en de andere week een kort weekend.

3 Het geschil

3.1.

De vrouw vordert - verkort weergegeven - dat het de voorzieningenrechter moge behagen bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat dat vonnis in de plaats treedt van de door de man af te geven toestemming voor het reizen van de vrouw met [de minderjarige] naar Brazilië in de periode van 9 juni 2014 tot en met 30 juni 2014.

3.2.

De vrouw legt aan haar vordering ten grondslag dat zij in wenst te gaan op de uitnodiging van haar zus om, samen met [de minderjarige], het huwelijk van deze zus in Brazilië bij te wonen. Daarnaast biedt deze uitnodiging de vrouw de mogelijkheid om samen met [de minderjarige] haar en zijn familie te bezoeken. De man weigert echter volgens de vrouw zonder goede grond zijn benodigde toestemming voor deze reis te verlenen.

3.3.

De man voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In gevolge het bepaalde in artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

4.2.

Gesteld noch gebleken is dat het niet in het belang van [de minderjarige] moet worden geacht dat hij met zijn moeder naar Brazilië reist om daar gedurende een kleine maand met haar te verblijven. Vervolgens dient als uitgangspunt te gelden dat in beginsel een met het gezag belaste ouder van een minderjarig kind in verband met familiebezoek met de minderjarige naar het buitenland moet kunnen reizen. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering leiden, onder andere in het geval de vrees reëel is dat die ouder vervolgens in strijd met de wil van de andere ouder niet met de minderjarige naar Nederland zal terugkeren. Het bezwaar van de man tegen de voorgenomen reis van de vrouw is gelegen in zijn vrees dat de vrouw niet meer met [de minderjarige] naar Nederland zal terugkeren en dat een eventuele teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland op basis van het Haags Kinderontvoeringsverdrag feitelijk niet te realiseren zal zijn. Namens de man zijn ter onderbouwing hiervan ter zitting een tweetal sms-berichten voorgelezen waaruit, naar de man stelt, kan blijken dat de vrouw voornemens is met [de minderjarige] in Brazilië te blijven. De vrouw heeft daartegenover gesteld dat zij enkel voor het huwelijk van haar zus en een daaraan gekoppelde vakantie naar Brazilië wil reizen en vervolgens naar Nederland zal terugkeren. Zij heeft dat laatste zelf ter zitting desgevraagd nog eens uitdrukkelijk bevestigd.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, nu de man zijn stelling enkel heeft onderbouwd door het voorlezen van twee sms-berichten, hij de door hem gestelde vrees niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de inhoud van het eerste bericht zou mogelijk kunnen worden afgeleid dat de vrouw terug wil naar Brazilië. De tekst van dat sms-bericht luidt volgens de tolk, die het ter zitting heeft vertaald: ‘Hou op seks te hebben met een getrouwde vrouw. Sinds wanneer gebeurde dit? Al sinds januari? Ik had in Brazilië kunnen blijven als ik het wist’. Echter, gelet op het feit dat dit bericht een jaar oud is, kan aan dit bericht, als hier al in gelezen kan worden wat de man stelt, geen doorslaggevend belang worden toegekend. Het tweede sms-bericht dat is voorgelezen kan, gelet op de in het onderhavige verband niet relevante inhoud ervan, evenmin bijdragen aan de onderbouwing van de stelling dat de vrees van de man reëel is. Daartegenover heeft de vrouw haar gestelde intentie om naar Nederland terug te keren onderbouwd met overlegging van een huurovereenkomst geldend tot 1 april 2015, een inschrijving van haar aan een Nederlandse universiteit voor een komend najaar te beginnen opleiding van 4 jaar, stukken met betrekking tot haar huidige dienstverband en een plaatsingsovereenkomst voor [de minderjarige] bij een kinderdagverblijf geldig van 1 januari 2014 tot 15 juni 2016. De vrouw stelt dat uit de stukken en de daarin door haar aangegane verplichtingen, kan volgen dat zij van plan is om met [de minderjarige] in Nederland te blijven wonen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat - gelet op die onderbouwing van de stellingen van de vrouw - de man zijn stelling dat gevreesd moet worden dat de vrouw niet zal terugkeren naar Nederland onvoldoende handen en voeten heeft gegeven. Ter zitting is namens de man nog de geldigheid van de verlenging van de verblijfsvergunning in twijfel getrokken nu, volgens de man, de IND niet op de hoogte zou zijn van de echtscheidingsprocedure. Nu deze stelling door de vrouw is betwist, moet deze stelling van de man - wat er verder ook van zij - als louter speculatief ter zijde worden geschoven.

4.4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van de vrouw zal worden toegewezen.

4.5.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de door de man te geven toestemming voor het reizen van de vrouw met [de minderjarige], naar Brazilië in de periode gelegen tussen 9 juni en 30 juni 2014,

5.2.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.3.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op 17 april 2014.1

1 Conc.: 1285