Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3141

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-04-2014
Datum publicatie
18-08-2014
Zaaknummer
AWB-13_607
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting en inkomstenbelasting. Voor de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2008 is primair in geschil of navordering mogelijk is vanwege een nieuw feit c.q. kwader trouw. Aansluitend is voor alle belastingaanslagen in geschil of verweerder zich terecht beroept op omkering en verzwaring van de bewijslast. Voorts is in geschil of de door verweerder gemaakte schattingen redelijk zijn. Eiser beroept zich daarnaast op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van alle belastingaanslagen, omdat uit het opleggen van de definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 op 18 juni 2010 kan worden afgeleid dat verweerder akkoord was met de verbeterde auditfiles die op verzoek van de controlerend ambtenaar zijn toegestuurd. Tot slot zijn de vergrijpboetes in geschil. Eiser verzoekt voorts om toekenning van een proceskostenvergoeding en om toekenning van een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-08-18
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1949
FutD 2014-1950
V-N Vandaag 2014/1690
Belastingadvies 2014/19.1

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 13/607 tot en met 13/611

Uitspraakdatum: 11 april 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in de gedingen tussen

[X] , wonende te [Z], eiser,

gemachtigde: mr. B.J.G.L. Jaeger,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

1 Procesverloop

Verweerder heeft op 9 december 2011 aan eiser voor het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 762.464. Verweerder heeft bij beschikkingen van dezelfde datum een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nageheven belasting en heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 9 december 2011 aan eiser voor de jaren 2006, 2007 en 2008 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van respectievelijk € 555.664,
€ 687.050 en € 1.158.461 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.057,
€ 15.672 en € 21.630. Verweerder heeft bij beschikkingen van dezelfde datum tegelijk met iedere navorderingsaanslag een vergrijpboete opgelegd van 50% van de nagevorderde belasting en heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft op 9 december 2011 aan eiser voor het jaar 2006 een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) opgelegd van € 1.320. Verweerder heeft bij beschikking van dezelfde datum heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 14 december 2012 de navorderingsaanslag Zvw en de daarbij horende beschikking heffingsrente gehandhaafd en de overige belastingaanslagen en de daarbij behorende vergrijpboetes en beschikkingen heffingsrente als volgt verminderd:

- de naheffingsaanslag omzetbelasting is verminderd tot € 573.068;

- de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 is verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 424.582 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.057;

- de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 is verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 521.870 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.672;

- de navorderingsaanslag ib/pvv 2008 is verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 796.212 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 21.630;

- de vergrijpboetes zijn verminderd tot 50% van de nieuw vastgestelde bedragen;

- de heffingsrente is berekend over de nieuw vastgestelde bedragen aan enkelvoudige belasting.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar van 14 december 2012 beroep ingesteld. Het beroep tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting is geregistreerd onder nummer AWB 13/607, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2006 is geregistreerd onder nummer AWB 13/608, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2007 is geregistreerd onder nummer AWB 13/609, het beroep tegen de navorderingsaanslag ib/pvv 2008 is geregistreerd onder nummer AWB 13/610 en het beroep tegen de navorderingsaanslag Zvw is geregistreerd onder nummer AWB 13/611.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2014.

Eiser is daar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn zoon, [A] en door de gemachtigde en diens kantoorgenoot M. van der Linden. Namens verweerder zijn verschenen mr. R. Moolenburgh, mr. M.D. Koolen en H. Broers.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Eiser drijft een handel in onder meer gouden sieraden, horloges en zuiver goud onder de naam ‘[B1]’ en/of [B2]’. Daarnaast is eiser edelsmid en vervaardigt en repareert hij al dan niet op bestelling edelmetalen sieraden. Eiser werkt samen met zijn zoon, die bij hem in opleiding is tot edelsmid. Naast de zoon zijn nog andere medewerkers in loondienst bij eiser. Een van hen is ook bij eiser in opleiding tot edelsmid.

Eiser koopt in het Verenigd Koninkrijk vooral gouden sieraden in van 22 karaat. Deze sieraden zijn geliefd bij de klantenkring van eiser die voor het merendeel van Indiase of Pakistaanse afkomst is. De rest van de klantenkring van eiser is vooral van Surinaamse of Afrikaanse afkomst. Deze klanten kopen voornamelijk sieraden van een lagere karatuur. Deze sieraden, waarvoor geen groothandel bestaat, worden voornamelijk in het atelier van eiser vervaardigd.

De zoon van eiser verzorgt de administratie, de jaarstukken en de aangiften omzetbelasting, loonheffing en ib/pvv.

Eiser heeft op 31 augustus 2007 zijn aangifte ib/pvv voor het jaar 2006 ingediend. Eiser heeft op 24 september 2008 zijn aangifte ib/pvv voor het jaar 2007 ingediend. De beide aanslagen zijn vóór de aanvang van het boekenonderzoek aan eiser opgelegd. Eiser heeft op 10 mei 2010 zijn aangifte ib/pvv voor het jaar 2008 ingediend. Op 18 juni 2010 zijn de aanslagen ib/pvv 2008 en Zvw 2008 opgelegd conform de ingediende aangifte.

In de periode april 2009 tot en met oktober 2011 heeft bij eiser een boekenonderzoek plaatsgevonden. Het conceptcontrolerapport is op 27 oktober 2011 naar eiser verstuurd.

De toenmalige gemachtigde heeft na de ontvangst van het conceptcontrolerapport een klacht ingediend en de aansprakelijkstelling van de Belastingdienst en de controlerend ambtenaar aangekondigd.

Op 9 november 2011 heeft verweerder eiser een kennisgeving van het opleggen van vergrijpboetes gezonden. Verweerder geeft aan dat hij van oordeel is dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet en dat de vergrijpboetes verhoogd dienen te worden tot 100% van de nageheven c.q. nagevorderde belasting, omdat zowel in absolute als in relatieve zin sprake is van substantiële bedragen die niet in de aangiften zijn verwerkt. Vanwege de samenloop tussen de omzetbelasting en de ib/pvv worden de vergrijpboetes gematigd tot 50% van de nageheven c.q. nagevorderde bedragen.

Op 7 december 2011 heeft verweerder eiser het controlerapport, de in geding zijnde belastingaanslagen en de mededeling van het opleggen van vergrijpboetes gezonden.

Uit informatie die verweerder heeft ontvangen van Edelmetaal Waarborg Nederland te Joure en Waarborg Holland te Gouda blijkt dat eiser ter keuring en stempeling sieraden heeft aangeboden met een totaalgewicht uitgedrukt in gram van:

22 karaat

18 karaat

14 karaat

Totaal

Omgerekend naar fijngoud

2006

8.876

3.941

286

13.103

11.254

2007

6.215

591

0

6.806

6.136

2008

5.019

2.440

56

7.515

6.460

Totaal

20.110

6.972

342

27.424

23.850

In de jaren 2006 tot en met 2008 heeft eiser de volgende inkopen van gouden sieraden gedaan (eveneens uitgedrukt in gram):

22 karaat

18 karaat

14 karaat

Omgerekend naar fijngoud

2006

26.618

2.370

326

26.350

2007

14.894

954

387

14.585

2008

19.522

1.355

7

20.570

Totaal

61.034

4.679

720

61.505

In de jaren 2006 tot en met 2009 heeft eiser de volgende hoeveelheden sloopgoud ingekocht van particulieren (eveneens uitgedrukt in gram):

2006: 1.387 (22 karaat)

2007: 448 (14 en 18 karaat)

2008: 0

2009: 25.731 (waarvan 4.347 gr. 22 karaat, 7.252 gr. 18 karaat en 12.990 gr. 14 karaat)

In het kader van een derdenonderzoek heeft verweerder informatie ingewonnen bij [C] B.V. (hierna: [C]). De directeur heeft onder meer verklaard dat eiser al jaren zaken doet met [C], dat eiser een gewichtsrekening in goud bij [C] aanhoudt die zowel positief (eiser heeft zuiver goud van [C] tegoed) als negatief ([C] heeft zuiver goud van eiser tegoed) kan zijn en dat eiser en diens zoon regelmatig onzuiver goud aan [C] aanbieden, meestal in de vorm van baartjes. Eiser levert volgens de directeur geen losse sieraden aan bij [C]. Indien eiser goud aan [C] verkoopt, gebeurt dit op basis van de goudprijs van de London Fix op dat moment. Het verkochte goud wordt dan afgeschreven van de gewichtsrekening. Eiser kan ook een bepaald gewicht aan zuiver goud opnemen van de gewichtsrekening. Dit gebeurt meestal in de vorm van baartjes met een vast rond gewicht, maar soms in de vorm van goudsnippers of goudplaten. Het gewicht wordt dan van de gewichtsrekening afgeschreven. Eiser heeft in de jaren 2006 tot en met 2008 de volgende hoeveelheden goud (uitgedrukt in gram) laten omsmelten bij [C]:

22 karaat

18 karaat

14 karaat

Omgerekend naar fijngoud

2006

22.172

3.504

33.309

42.280

2007

20.274

1.560

32.934

38.898

2008

25.481

2.953

41.750

49.929

Totaal

67.927

8.017

107.993

131.117

Verweerder heeft in het controlerapport berekend dat eiser de volgende hoeveelheden zuiver goud die zijn opgenomen van de gewichtsrekening bij [C] niet als verkoop heeft verantwoord:

Jaar Gewicht Omzet Verhoging omzet t.o.v. administratie

2006: 29,77 kilogram € 460.393 79,3%

2007: 37,00 kilogram € 604.617 96,3%

2008: 38,00 kilogram € 727.814 92,6%

Verweerder heeft aan de hand van de inkoopwaarde van de handelsgoederen die is verantwoord in de aangiften ib/pvv voor de jaren 2006 tot en met 2008 en het door de zoon van eiser opgegeven brutowinstpercentage de omzet sieraden en horloges per jaar berekend. De geschatte inkoopwaarde van het tot goudblokjes omgesmolten goud is eerst van de inkoopwaarde van de handelsgoederen afgetrokken. Vervolgens heeft verweerder de niet in de administratie verantwoorde omzet gouden sieraden berekend aan de hand van de gegevens van [C] en hierop het door eiser opgegeven brutowinstpercentage voor gouden sieraden toegepast. Hierbij heeft verweerder de omzet zuiver goud volgens de administratie van eiser opgeteld en zo de totale omzet berekend. Verweerder heeft de extra kosten van de extra omzet berekend en zo een winstcorrectie voor ieder jaar vastgesteld. De berekeningen zijn in het volgende schema opgenomen (bedragen in euro, overgenomen uit het controlerapport):

2006

2007

2008

Inkoopwaarde volgens aangifte

414.611

399.775

524.878

Omgesmolten tot goudblokjes

-22.710

-14.015

-18.349

Voorraadmutatie

+1.500

-20.538

+33.072

Inkoopwaarde sieraden/horloges

393.401

365.222

539.601

Brutowinst

+215.578

+295.215

+463.374

Subtotaal omzet sieraden/horloges (A)

608.979

660.437

1.002.975

Sieraden niet verantwoord

460.393

604.617

727.814

Brutowinst

+252.289

+488.722

+625.000

Omzet niet verantwoord (B)

712.682

1.093.339

1.352.814

Omzet zuiver goud volgens de administratie (C)


218.833



36.995



321.567

Totale omzet (A+B+C)

1.540.494

1.790.771

2.677.356

Aangegeven omzet

-580.673

-627.695

-786.174

Omzetcorrectie

959.821

1.163.076

1.891.182

Kostencorrectie

-435.495

-428.940

-647.201

Winstcorrectie

524.326

734.136

1.243.981

Aangegeven winst vóór ondernemersaftrek

+35.322

+43.166

+47.610

Invloed correctie voorbelasting

+6.814

+774

0

Gecorrigeerde winst vóór ondernemersaftrek

566.462

778.076

1.291.591

2006

2007

2008

Verschuldigde omzetbelasting

251.115

333.217

447.599

Aangegeven

-76.211

-102.068

-96.074

Correctie redelijke schatting

174.904

231.149

351.525

Correctie voorbelasting

3.903

147

173

Aansluitverschil

0

663

0

Totaal

178.807

231.959

351.698

In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de omzetcorrectie voor 2008 met € 252.673 verminderd omdat de zichtinkopen niet in 2008, maar in 2009 zijn gedaan. De winst is als gevolg van deze vermindering met € 116.735 verlaagd. Daarnaast heeft verweerder de geschatte correcties met 25% verminderd omdat de door eiser gegeven verklaring volgens verweerder weliswaar niet met bewijs is onderbouwd maar wel waar zou kunnen zijn. De berekende heffingsrente en de vergrijpboetes zijn dienovereenkomstig verminderd.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil is of de belastingaanslagen op de juiste wijze zijn berekend. Voor de navorderingsaanslag ib/pvv voor het jaar 2008 is primair in geschil of navordering mogelijk is vanwege een nieuw feit c.q. kwader trouw. Aansluitend is voor alle belastingaanslagen in geschil of verweerder zich terecht beroept op omkering en verzwaring van de bewijslast. Voorts is in geschil of de door verweerder gemaakte schattingen redelijk zijn. Eiser beroept zich op het vertrouwensbeginsel ten aanzien van alle belastingaanslagen, omdat uit het opleggen van de definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 op 18 juni 2010 kan worden afgeleid dat verweerder akkoord was met de verbeterde auditfiles die op verzoek van de controlerend ambtenaar zijn toegestuurd. Tot slot zijn de vergrijpboetes in geschil. Eiser verzoekt voorts om toekenning van een proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase en om toekenning van een immateriëleschadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

3.2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat alle belastingaanslagen en beschikkingen dienen te worden vernietigd. Voor het jaar 2008 is sprake van een ambtelijk verzuim, omdat verweerder de aanslag ib/pvv heeft opgelegd voordat het boekenonderzoek was afgerond. Voor dit jaar ontbreekt ook een nieuw feit. Er is geen sprake van kwader trouw. In dit verband verwijst eiser naar het pleitbare standpunt, dat ook aan oplegging van de vergrijpboetes in de weg staat. Ook werpt eiser de vraag op of alle gedingstukken zijn overgelegd. Zo is het verslag van de bedrijfsbezoeken bij [C] niet overgelegd. Eiser voert wat betreft de enkelvoudige belasting aan dat hij de ingekochte sieraden omsmelt of laat omsmelten en van het goud zelf sieraden maakt. Indien deze sieraden niet snel genoeg worden verkocht, worden deze omgesmolten en het goud wordt vervolgens opnieuw bewerkt. Eiser voert een actief voorraadbeheer en gaat lichtzinnig om met de beslissing om sieraden om te smelten. Er is sprake van een hoge omloopsnelheid van de voorraad, omdat de kosten van het omsmelten en het bewerken niet opwegen tegen de kosten van het aanhouden van de voorraad. Met behulp van de gereedschappen en de vormen in het eigen atelier is het mogelijk om 100 gram zuiver goud per dag te bewerken. Het is mogelijk om goud drie keer in het eigen atelier om te smelten. Daarna wordt het goud te broos om te bewerken en moet het worden omgesmolten door [C], die het goud kan opwerken naar een hogere zuiverheid. In het Verenigd Koninkrijk ingekochte sieraden hoeven niet te worden gekeurd. Dit geldt ook voor sieraden die worden omgesmolten of worden gebruikt voor de opleiding van de zoon van eiser. Eiser verwijst naar de gegevens van de opleidingsplaat. De gegevens van derden zeggen dan ook niets. Eiser heeft geen behoefte aan een administratie op stuksbasis. Een dergelijke administratie voegt niets toe, omdat eiser op basis van gewicht inkoopt. De verkoop vindt plaats op basis van gewicht met een marge van ± 40%. Tijdens de controle is niet gezegd dat de administratie geen getrouw beeld geeft en aanpassingen behoeft. De administratie is naar de eisen die aan een klein bedrijf mogen worden gesteld, gevoerd en in overeenstemming met goedkoopmansgebruik. Voorts is sprake van gewekt vertrouwen, doordat verweerder de aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 na ontvangst van de aangepaste auditfiles heeft opgelegd. Eiser mocht ervan uitgaan dat de administratie alsnog was geaccepteerd. Er is sprake van een pleitbaar standpunt, zo geeft verweerder zelf toe. Er is dan geen plaats voor een vergrijpboete. De procedure heeft te lang geduurd, zodat eiser recht heeft op een immateriëleschadevergoeding.

3.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard. Verweerder stelt zich wat betreft de enkelvoudige belasting op het standpunt dat in de onderhavige procedure twee vragen centraal staan. De eerste vraag is, hoe eiser kan verklaren dat hij in de jaren 2006, 2007 en 2008 in totaal 131.117 gram goud ter omsmelting heeft aangeboden aan [C], terwijl hij 61.505 gram goud heeft ingekocht. De tweede vraag is, hoe eiser kan verklaren dat hij in de jaren 2006, 2007 en 2008 in totaal 107.993 gram aan gouden sieraden van 14 karaat ter omsmelting heeft aangeboden aan [C], terwijl hij een te verwaarlozen hoeveel gouden sieraden van 14 karaat heeft ingekocht. Verweerder wijst voorts op de informatie die van derden is verkregen. Uit de beschikbare informatie is af te leiden dat eiser in de jaren 2006 tot en met 2008 in totaal (uitgedrukt in zuiver goud) 55.736 gram goud heeft verkocht, waarvan 30.558 als fijngoud en 25.178 in sieraden. In deze jaren heeft eiser in totaal (uitgedrukt in zuiver goud) 61.505 gram gouden sieraden ingekocht en 107.993 gram aan gouden sieraden laten omsmelten bij [C]. Hetgeen eiser stelt over het voorraadbeheer kan niet kloppen. Uit berekeningen blijkt dat, indien de verklaring juist is, van iedere 8 tot 12 in eigen atelier vervaardigde sieraden er 1 wordt verkocht en de rest wordt omgesmolten. De uitspraak van de zoon van eiser dat deze vorm van voorraadbeheer lucratief is, wordt weersproken door zijn latere uitspraak dat genoegen wordt genomen met een brutowinst op zuiver goud van 2% omdat overleven prioriteit heeft. Voorts kan de verklaring van eiser dat hij in het Verenigd Koninkrijk ingekochte sieraden als fijngoud verkoopt, niet kloppen gelet op het verlies aan maakloon en de kosten voor het omsmelten die eiser niet op de koper kan verhalen. Dat de Britse groothandelaren bereid zijn met een lagere prijs genoegen te nemen, is niet aannemelijk. Er moet een andere bron zijn waaruit eiser goud betrekt. In dit verband wijst verweerder op de mogelijkheid dat aan eiser gestolen of uit een andere illegale bron afkomstige gouden sieraden zijn aangeboden, welke sieraden vervolgens, om ontdekking te voorkomen, zijn omgesmolten. Het is aan eiser om dit vermoeden te ontzenuwen. In ieder geval volgt hieruit dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan, zodat omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is.

Tijdens het boekenonderzoek heeft de controlerend ambtenaar de volgende gebreken in de administratie vastgesteld:

- het niet consequent toepassen van het kasstelsel;

- het ontbreken van aparte grootboekrekeningen voor invoer en intracommunautaire verwervingen;

- het ontbreken van een deugdelijke voorraadadministratie;

- de vele inkoopboekingen die niet aan een factuur zijn te koppelen vanwege het ontbreken van een verwijzing naar een factuurnummer in combinatie met deelbetalingen in vreemde valuta;

- zichtzendingen worden regelmatig geboekt als inkopen en bij retourzending niet correct verwerkt;

- de aanwezigheid van combinatieboekingen, zijnde boekingen waarbij het totaalbedrag van diverse facturen van dezelfde leverancier in één keer in de administratie wordt verwerkt.

Uit de inkoop-, voorraad-, verkoop- en productieadministratie kan niet worden afgeleid welke deel van de omzet die met gouden sieraden is behaald, betrekking heeft op eigengemaakte of ingekochte sieraden. In de administratie is geen onderscheid gemaakt naar karatuur. Evenmin is vastgelegd welke sieraden op bestelling naar de wensen van de klant zijn vervaardigd. Verweerder leidt hieruit af dat de goederenbeweging niet via de administratie te volgen is. De samenstelling van de voorraad sieraden per ultimo 2006, 2007 en 2008 is niet bekend. De voorraadlijst per ultimo 2006 bevat een ongespecificeerd gewicht en een schatting van de waarde. Per ultimo 2007 en 2008 is slechts de geschatte waarde bekend.

Tijdens een bespreking op 26 januari 2010 heeft de zoon van eiser erkend dat de administratie onverklaarbare c.q. onjuiste boekingen bevat en heeft de toenmalige gemachtigde van eiser beaamd dat de administratie geen getrouw beeld gaf en aanpassing behoefde. Op verzoek van de zoon van eiser heeft de controlerend ambtenaar de gelegenheid geboden om aangepaste auditfiles op te stellen en te overleggen. Op 6 mei 2010 hebben de zoon van eiser en de toenmalige gemachtigde de aangepaste auditfiles en een toelichting aan de controlerend ambtenaar verstrekt. Aangezien de auditfiles onleesbaar bleken, is telefonisch aan de zoon van eiser verzocht om een leesbare versie in te leveren. Na diverse contacten met een automatiseringsdeskundige van de Belastingdienst heeft de zoon van eiser op 3 augustus 2010 een leesbare versie van de auditfiles overgelegd. Uit de aangepaste auditfiles kan al worden afgeleid dat de aangiften ib/pvv en omzetbelasting voor het jaar 2007 niet de vereiste aangiften waren, omdat de werkelijke winst twee keer zo hoog was als de aangegeven winst. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft daarna geweigerd om de fysieke administratie ter beschikking te stellen voor toetsing van de aangepaste auditfiles.

Pas na verkrijging van de aangepaste auditfiles is nieuwe informatie verkregen, namelijk de informatie van [C]. Dit levert al een nieuw feit op dat navordering rechtvaardigt. Alle voor eiser relevante gegevens zijn in het controlerapport neergelegd. Er is niets achtergehouden.

Er is jegens eiser geen vertrouwen gewekt dat met het opleggen van de aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 de zaak was afgedaan. De controle ging gewoon door en eiser heeft nooit blijk gegeven van enige verbazing daarover. Verweerder wijst op het overleg met de zoon van eiser over de onleesbare auditfiles. Het is begrijpelijk dat de huidige gemachtigde dit standpunt inneemt, maar het is duidelijk dat de aangifte er doorheen is geglipt. Dit mag niet in alle gevallen tot vernietiging van een inhoudelijk juiste navorderingsaanslag leiden.

Verweerder ziet geen aanleiding om de vergrijpboetes verder te matigen. De matiging van de belastingaanslagen en de vergrijpboetes in de uitspraak op bezwaar is al een ruimhartige tegemoetkoming.

4 Beoordeling van het geschil

Navordering ib/pvv

4.1.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder voor het jaar 2008 geen ib/pvv kan navorderen, omdat sprake is van een ambtelijk verzuim. Verweerder heeft immers tijdens het boekenonderzoek, op 18 juni 2010, de definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 opgelegd. Er is geen sprake van een nieuw feit of kwader trouw. Eiser stelt zich op het standpunt dat het ambtelijk verzuim doorwerkt naar de overige belastingaanslagen. Verweerder bestrijdt dit standpunt. De informatie van [C] vormt een nieuw feit, dat navordering mogelijk maakt. Bovendien is sprake van kwader trouw aan de zijde van eiser.

4.2.

Indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld, dan wel dat een in de belastingwet voorziene vermindering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat de inspecteur bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behoudens in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

4.3.

Verweerder heeft verklaard dat hij na ontvangst van de aangepaste auditfiles op

3 augustus 2010 geen toegang meer kreeg tot de onderliggende administratie van eiser en dat hij daarom informatie heeft opgevraagd bij derden. Uit het controlerapport leidt de rechtbank af dat verweerder de bestreden belastingaanslagen voornamelijk heeft gebaseerd op de informatie uit de derdenonderzoeken, vooral het onderzoek bij [C], met uitzondering van een paar kleine correcties die niet in geschil zijn. Deze informatie was bij verweerder niet bekend en had ook redelijkerwijs bij hem niet bekend kunnen zijn op het moment dat als gevolg van een ambtelijk verzuim de aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 werd opgelegd. De van onder anderen [C] verkregen informatie levert een nieuw feit op als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) en een grond voor navordering, zowel voor het jaar 2008 als voor de jaren 2006 en 2007. Of sprake is van kwader trouw aan de zijde van eiser kan in het midden blijven. Het standpunt van eiser faalt.

Gewekt vertrouwen

4.4.

Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aan de definitieve aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 het in rechte te beschermen vertrouwen mag ontlenen dat het boekenonderzoek ten einde was en dat de aangifte zou worden gevolgd. Het gewekte vertrouwen strekt zich uit naar de jaren 2006 en 2007. Verweerder bestrijdt dit standpunt. De aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 is door een administratieve fout conform de aangifte afgedaan. De aangepaste auditfiles die de grondslag vormden van de aangifte, waren niet leesbaar en zijn pas op

3 augustus 2010 in leesbare vorm aangeleverd. Het boekenonderzoek ging door zonder dat dit bij eiser enige verbazing wekte. Er is geen sprake van gewekt vertrouwen.

4.5.

De rechtbank verwerpt het standpunt van eiser. De zoon van eiser heeft desgevraagd erkend dat de auditfiles die hij in mei 2010 naar de Belastingdienst had gestuurd, niet leesbaar waren en dat hij op verzoek van de Belastingdienst, na overleg met een EDP-auditor van de Belastingdienst, de aangepaste auditfiles in augustus 2010 in een leesbare vorm had ingeleverd. Het moet eiser duidelijk zijn geweest dat de aangepaste auditfiles voorafgaand aan het opleggen van de aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 niet inhoudelijk konden zijn beoordeeld en dat de aanslag ib/pvv voor het jaar 2008 op een systeemfout aan de zijde van de Belastingdienst berustte.

4.6.

Voor de jaren 2006 en 2007 is evenmin sprake van gewekt vertrouwen. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd erkend dat verweerder niets heeft gezegd of gedaan waaruit de in rechte te beschermen indruk kon ontstaan dat het boekenonderzoek ook voor deze jaren voorbij was. Verweerder heeft hierover verklaard dat hij de controle onveranderd heeft voortgezet.

Op het geding betrekking hebbende stukken

4.7.

De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder niet alle op het geding betrekking hebbende stukken heeft ingebracht. Van het derdenonderzoek bij [C] zijn niet de onderliggende stukken, zoals verslagen van de bedrijfsbezoeken, overgelegd. Het is daarom niet duidelijk of verweerder de informatie van [C] juist heeft geïnterpreteerd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle relevante gegevens in het controlerapport zijn opgenomen. Er is niets achtergehouden. De rechtbank is van oordeel dat de verslagen van de bedrijfsbezoeken weliswaar tot de gedingstukken behoren en overgelegd hadden moeten worden, maar verbindt aan het ontbreken daarvan geen consequenties. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd aangegeven dat hij er niet aan twijfelt dat de gegevens in het controlerapport juist zijn en dat de controlerend ambtenaar de waarheid spreekt. De rechtbank heeft niet de indruk dat relevante gegevens ontbreken of dat de in het controlerapport opgenomen gegevens een verkeerd beeld geven dan wel zijn gebaseerd op een (onjuiste) interpretatie van de controlerend ambtenaar. De in het controlerapport opgenomen gegevens zijn te typeren als feiten en cijfers en er is een duidelijk onderscheid aangebracht tussen de gegevens van [C] en de analyse daarvan door de controlerend ambtenaar. Eiser is door het ontbreken van de verslagen van de bedrijfsbezoeken niet in zijn verdedigingsbelangen geschaad.

Omkering en verzwaring bewijslast

4.8.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de sanctie van de omkering en verzwaring van de bewijslast aan de orde is omdat eiser de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Eiser bestrijdt dit standpunt.

4.9.1.

De rechtbank leidt, met gebruikmaking van de normale regels over de bewijslastverdeling, uit het controlerapport af dat eiser een relatief en absoluut aanzienlijk deel van zijn productie buiten de administratie heeft gehouden. Uit de informatie van [C] blijkt dat eiser in de jaren 2006 tot en met 2008 een aanzienlijke hoeveelheid onzuiver goud (in baartjes, dus niet in de vorm van sieraden) ter omsmelting aan [C] heeft aangeboden en hiervoor zuiverder goud heeft ontvangen, meestal in de vorm van baartjes. Gelet op de aard van de onderneming van eiser, de hoeveelheid goud en de vorm en aard van het ontvangen goud (zuiver, in de vorm van baartjes) moeten de desbetreffende handelingen ondernemershandelingen zijn geweest.

4.9.2.

Eiser heeft niet vastgelegd wat de herkomst van het onzuivere goud is of wat met het omgesmolten, zuivere goud is gebeurd. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van een ondernemer die met een kostbare grondstof, zoals goud, werkt, mag worden geëist dat hij op controleerbare wijze vastlegt wat hij met de voorhanden voorraad grondstof doet. Dit klemt te meer nu goud in zuivere vorm, zoals de van [C] ontvangen baartjes, internationaal wordt verhandeld als beleggingsobject en in sommige landen als alternatief betaalmiddel fungeert. Daarnaast heeft zuiver goud een zekere speculatieve waarde. Gezien de lange periode, de hoeveelheid transacties, de hoeveelheid goud en de daarmee gemoeide bedragen moet eiser de desbetreffende handelingen bewust buiten de administratie en de aangiften hebben gehouden. De rechtbank rekent de eventuele betrokkenheid van de zoon van eiser aan eiser toe.

4.9.3.

Dat eiser zelf van mening is dat hij geen behoefte heeft aan een vergaande vastlegging dan wat hij heeft vastgelegd is niet relevant. Het gaat erom dat verweerder te allen tijde inzicht kan krijgen in de gegevens die voor de belastingheffing van belang zijn. Een kostbare grondstof als goud kan, anders dan eiser betoogt, niet op één lijn worden gesteld met aluminium. In dit verband verdient opmerking dat goud met diverse metalen gelegeerd kan worden en in verschillende gradaties van zuiverheid kan worden bewerkt en verhandeld. Vastlegging van mutaties in de voorraad is zeker vereist in een geval als de onderhavige, waar het goud wordt bewerkt tot sieraden.

4.9.4.

Gelet op het door verweerder ingestelde boekenonderzoek acht de rechtbank aannemelijk dat eiser voor substantiële bedragen omzetten en winsten heeft verzwegen.

Verweerder heeft aan de hand van de regels voor de gewone bewijslastverdeling aannemelijk gemaakt dat eiser voor de jaren 2006 tot en met 2008 niet de vereiste aangiften omzetbelasting en ib/pvv heeft gedaan. De door verweerder geconstateerde en berekende afwijkingen zijn zowel relatief als absoluut aanzienlijk te noemen. De rechtbank acht de omvang van de mogelijk verzwegen omzetten van voldoende zwaarwegend belang om daaraan de sanctie van omkering en verzwaring van de bewijslast te verbinden.

4.10.

Op de voet van artikel 27e van de AWR rust op eiser de last om overtuigend aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiser is niet in de omgekeerde en verzwaarde bewijslast geslaagd. De rechtbank acht hetgeen eiser heeft verklaard over de goederenbewegingen binnen zijn bedrijf niet voldoende met objectief controleerbare en kwantificeerbare gegevens onderbouwd om aan de toets van artikel 27e van de AWR te voldoen. Eiser heeft getracht inzicht te geven in de goederenbeweging binnen zijn bedrijf, en vooral op de aanwending van de aanwezige voorraad te bewerken goud en op korte termijn onverkoopbare sieraden, maar is er niet in geslaagd om overtuigend aan te tonen dat de in de aangiften verantwoorde omzetten en winsten reëel zijn. De hoeveelheid omgesmolten goud is, indien de verklaring van eiser als leidraad wordt genomen, van een dusdanige omvang, dat deze in de administratie had moeten worden vastgelegd. Gelet op de vastgelegde inkopen moet iedere gram goud heel vaak, minstens 8 maal, zijn omgesmolten. De wel vastgelegde gegevens, die verweerder in het controlerapport heeft opgenomen en vervolgens geanalyseerd, zijn te afwijkend en werpen zoveel vragen op dat van eiser meer mag worden verwacht dan het bieden van inzicht in de gang van zaken in zijn atelier.

4.11.

De rapporten die eiser heeft ingebracht om de diverse door hem genoemde kengetallen voor de juweliersbranche en de edelmetaalhandel te onderbouwen, kunnen niet worden geaccepteerd omdat deze rapporten betrekking hebben op ondernemingen in andere landen. De rechtbank ziet niet in waarom de onderneming van eiser op één lijn moet worden gesteld met ondernemingen in Azië. In deze landen is namelijk sprake van een andere levensstandaard en een ander kostenniveau. Indien deze rapporten al betrekking hadden op ondernemingen in Nederland, dan zou eiser hieraan geen objectieve en voldoende concrete bewijzen kunnen ontlenen die zijn standpunt onderbouwen. De inhoud van de rapporten kan niet gelden als het bewijs dat voldoende is om aan te tonen dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

Redelijke schatting

4.12.

Het vaststellen van belastingaanslagen met gebruikmaking van de bewijsregel van omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder niet van de verplichting om uit te gaan van een redelijke schatting, waarbij de schatting naar het oordeel van de rechtbank aan de hoge kant mag zijn. Met de gedetailleerde en onderbouwde berekeningen in het controlerapport is verweerder van een realistische en redelijke schatting uitgegaan. Met de bij de berekening van de belastingaanslagen en de in de uitspraak op bezwaar toegepaste verminderingen is verweerder ruimschoots tegemoet gekomen aan enige twijfel die, wat daarvan ook zij, aan de onjuistheid van de verklaring van eiser gekoesterd zou kunnen worden. Voor een verdergaande vermindering ziet de rechtbank, mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de onaannemelijkheid van de tegenwerpingen van eiser, geen enkele aanleiding.

Navordering Zvw

4.13.

Met betrekking tot de navorderingsaanslag Zvw 2006 heeft eiser niet een afzonderlijke grief aangevoerd. Nu het hiervoor overwogene inhoudt dat het inkomen uit werk en woning voor 2006 hoger is dan het voor dat jaar voor de Zorgverzekeringswet geldende maximum bijdrage-inkomen, dient de navorderingsaanslag Zvw 2006 te worden gehandhaafd.

Heffingsrente

4.14.

Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Omdat de beroepsgronden tegen de belastingaanslagen geen doel treffen, zal het beroep voor zover dat is gericht tegen de beschikkingen heffingsrente eveneens ongegrond worden verklaard.

Vergrijpboetes

4.15.

Verweerder heeft eiser vergrijpboetes opgelegd van 50% wegens (voorwaardelijk) opzet, welke vergrijpboetes zijn verhoogd tot 100% wegens verzwarende omstandigheden en welke zijn gematigd tot 50% in verband met de samenloop tussen de omzetbelasting en de ib/pvv. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft bewezen dat eiser bewust aanzienlijke inkopen en verkopen buiten de administratie heeft gehouden. In ieder geval heeft eiser, gelet op de hoeveelheid transacties en de daarmee gemoeide bedragen, de kans aanvaard (op de koop toe genomen) dat hij te weinig belasting zou betalen. Het is dus aan de (voorwaardelijk) opzet van eiser te wijten dat te weinig belasting is aangegeven. De rechtbank acht vergrijpboetes van 50% van de enkelvoudige belasting gelet op de ernst van de gedragingen passend en geboden.

4.16.

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een pleitbaar standpunt, gaat de rechtbank ervan uit dat onder dit begrip wordt verstaan een opvatting over de kwalificatie van de feiten of de toepassing van het recht op de feiten die in redelijkheid verdedigbaar is. De rechtbank acht een pleitbaar standpunt niet aanwezig. Eiser heeft niet zozeer een pleitbaar standpunt ingenomen, als wel getracht via oncontroleerbare verklaringen de vragen van verweerder te beantwoorden en een verklaring te geven voor de aanzienlijke hoeveelheid zuiver goud die via zijn bedrijf is omgesmolten.

Redelijke termijn

4.17.

De rechtbank zal ambtshalve beoordelen of de vergrijpboetes dienen te worden verminderd op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. De vervolging heeft een aanvang genomen op 9 november 2011, zijnde de dag waarop verweerder de kennisgeving heeft verzonden waarin de vergrijpboetes worden aangekondigd. De redelijke termijn is met minder dan zes maanden overschreden. Overeenkomstig de uitgangspunten die zijn neergelegd in de uitspraak van gerechtshof Amsterdam van 2 juli 2009, nr. 04/03329 (ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298) zal de rechtbank de vergrijpboetes elk met € 2.500 verminderen. Voor een verdergaande vermindering ziet de rechtbank geen aanleiding.

Proceskostenvergoeding bezwaarfase

4.18.

Verweerder heeft de bezwaren inzake de omzetbelasting en de ib/pvv gegrond verklaard maar, ondanks het verzoek van de toenmalige gemachtigde van eiser, geen proceskostenvergoeding toegekend. De rechtbank zal eiser alsnog een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase toekennen. Dit betekent dat de beroepen met de nummers AWB 13/607 tot en met AWB 13/610 gegrond dienen te worden verklaard.

Immateriëleschadevergoeding

4.19.

Tot slot heeft eiser gevraagd om een immateriëleschadevergoeding. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden aangesloten bij de uitgangspunten zoals neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, nr. 09/02639 (ECLI:NL:HR:2011:BO5046). Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De termijn vangt in beginsel aan op het moment waarop verweerder het bezwaarschrift ontvangt. Indien de redelijke termijn is overschreden dient als uitgangspunt voor de schadevergoeding een tarief te worden gehanteerd van € 500 per half jaar dat die termijn is overschreden, waarbij ter bepaling van de totale vergoeding de geconstateerde overschrijding naar boven wordt afgerond. De toenmalige gemachtigde van eiser heeft het bezwaar op 13 februari 2012 gemotiveerd, zodat de redelijke termijn op deze datum is aangevangen. Tussen deze dag en de dag waarop de rechtbank uitspraak doet, is een periode van twee jaar en twee maanden verstreken. De redelijke termijn is met minder dan zes maanden overschreden, zodat eiser recht heeft op een immateriëleschadevergoeding van € 500.

4.20.

In het kader van de toerekening van de termijnoverschrijding dient te worden uitgegaan van een halfjaarstermijn voor afdoening van het bezwaar en anderhalf jaar voor de beroepsfase. Deze regel geldt behoudens bijzondere omstandigheden (HR 22 maart 2013, nr. 11/04270, ECLI:NL:HR:2013:BX6666, r.o. 3.4.4). Van bijzondere omstandigheden die in casu nopen tot een andere toerekening is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Sedert het instellen van het beroep op 22 januari 2013 is thans minder dan 15 maanden verstreken, zodat de behandeling van het beroep ruimschoots binnen de in genoemd arrest aan de rechtbank toebedeelde tijdsmarge is gebleven. De stukken laten geen andere conclusie toe dan dat de termijnoverschrijding volledig is toe te rekenen aan de bezwaarfase.

4.21.

Gelet op hetgeen onder 4.18 is overwogen dienen de beroepen met de nummers AWB 13/607 tot en met AWB 13/610 gegrond te worden verklaard. Het beroep met het nummer AWB 13/611 dient ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

Eiser verzoekt om toekenning van een integrale proceskostenvergoeding, omdat verweerder tegen beter weten in een in rechte onhoudbaar standpunt zou blijven innemen. Gelet op het oordeel over de bestreden beschikkingen is van volharding in een onjuist standpunt geen sprake. De rechtbank ziet derhalve geen reden voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding.

De rechtbank vindt voor zover het betreft de beroepen met de nummers AWB 13/607 tot en met AWB 13/610 wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.459,50 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 243, een wegingsfactor 1, en een factor 1,5 wegens samenhang, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, een wegingsfactor 0,5 en een factor 1,5 wegens samenhang).

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen met de nummers AWB 13/607 tot en met AWB 13/610 gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de omzetbelasting en de ib/pvv voor zover deze betrekking hebben op de fictieve afwijzing van het verzoek om proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase;

  • -

    vermindert de vergrijpboetes ambtshalve elk met € 2.500;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.459,50;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 160 vergoedt;
    verklaart het beroep met het nummer AWB 13/611 ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot betaling aan eiser van een bedrag van € 500 wegens immateriëleschadevergoeding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en
mr. M.C.A. Onderwater, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 april 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.