Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3128

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
14-539, 14-577. 14-579
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorlopige voorziening gevraagd in verband met besluit tot oplegging van gedoogplicht in de zin van de Belemmeringenwet privaatrecht voor verleggen van drinkwatertransportleidingen en afvalwatertransportleiding in veband met de aanleg en reconstructie van de N23. Niet de bestuurrechter maar het gerechtshof is bevoegd te oordelen over de vraag of in het gebruik van de zaak niet meer belemmering wordt aangebracht dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van het werk nodig is. De gedoogplicht kan pas worden opgelegd indien langs minnelijke weg niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt. De voorzieningenrechter oordeelt dat in voldoende mate getracht is om overeenstemming te bereiken. De gedoogplicht mocht daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter worden opgelegd. Het verzoek wordt afgewezen

Wetsverwijzingen
Belemmeringenwet Privaatrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummers: ALK 14/539, 14/577 en 14/579

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 maart 2014 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[verzoekster] B.V., te [woonplaats],

[verzoekers 1] , respectievelijk te [woonplaats] en [woonplaats], en

[verzoekers 2] , allen te [woonplaats],

samen verzoekers

(gemachtigde: mr. G.J.I.M. Seelen),

en

de minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Divis-Stein).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK), te Heerhugowaard,

N.V. PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland (PWN), te Velserbroek, en

N.V. Watertransportmaatschappij Rijn-Kennemerland (WRK), te Velserbroek

(gemachtigde: mr. J. van den Burg).

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit I) heeft verweerder verzoekers op verzoek van HHNK en op grond van de Belemmeringenwet privaatrecht (Bp) de plicht opgelegd de aanpassing, verlegging en instandhouding van de afvalwatertransportleiding Hoorn-rioolwaterzuiveringsinrichting Wervershoof en de persleiding Westwoud-Hoorn, tracé Noorderboekert met bijkomende werken in de gemeente Medemblik, in de onroerende zaken, kadastraal bekend gemeente Wervershoof, sectie S, nummers [kadastraalnummer 1], [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 3], te gedogen. Daarbij heeft verweerder bepaald dat met de uitvoering van het werk niet kan worden gewacht totdat de in artikel 4, eerste lid, van de Bp genoemde termijn is verstreken of op het in dat lid bedoelde verzoekschrift is beslist.

Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit II) heeft verweerder verzoekers op verzoek van PWN en op grond van de Bp de plicht opgelegd de aanpassing, verlegging en instandhouding van de drinkwatertransportleiding Andijk-Hoorn, tracé nabij Noorderboekert met bijkomende werken in de gemeente Medemblik, in de hiervoor genoemde percelen te gedogen en bepaald dat ook met de uitvoering van dit werk niet kan worden gewacht.

Bij besluit van 24 februari 2014 (bestreden besluit III) heeft verweerder verzoekers op verzoek van WRK en op grond van de Bp de plicht opgelegd de aanpassing, verlegging en instandhouding van de drinkwatertransportleidingen Andijk-Heemskerk en Andijk-Hoorn, tracé nabij Noorderboekert met bijkomende werken in de gemeente Medemblik, in de hiervoor genoemd percelen te gedogen en bepaald dat ook met de uitvoering van dit werk niet kan worden gewacht.

Verzoekers hebben tegen de bestreden besluiten I, II en III bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2014. Voor verzoekers zijn[naam 1] [naam 2] en [naam 3] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en mr. M.N. van Amersfoort. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. L.A.G. Verduyn Lunel en S.Y. Lee. HHNK, PWN en WRK hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde, mr. F. Mulder, M. Heesakker, T. Bennen en J. Hoek Spaans.

Overwegingen

1.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ter plaatse van de betrokken percelen, waarvan verzoekers eigenaar en/of gebruiker zijn, aanpassing en verlegging van de genoemde leidingen nodig is vanwege de opwaardering van de N23, tracé Heerhugowaard-Enkhuizen. Deze opwaardering (aanleg en reconstructie) is planologisch vastgelegd in het provinciaal inpassingsplan “Westfrisiaweg”, dat bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 10 juli 2013 onherroepelijk is geworden. De verplaatsing van de leidingen en de opwaardering van de N23 zijn volgens verweerder zodanig met elkaar verweven dat vertraging in de uitvoering van de verplaatsing van de leidingen ook leidt tot vertraging in de uitvoering van het inpassingsplan ”Westfrisiaweg”. De verlegging van deze leidingen is met name nodig voor de aanleg van op- en afritten van de N23 ter plaatse. HHNK, PWN en WRK hebben daarom van gedeputeerde staten van Noord-Holland het verzoek ontvangen om hun leidingen zodanig aan te passen dan wel te verleggen dat deze geen belemmeringen meer vormen voor de aanleg en reconstructie van de N23. Volgens verweerder betekent dit dat de aanpassings- en verleggingswerkzaamheden uiterlijk vóór het vierde kwartaal van 2014 moeten zijn gerealiseerd. Verweerder heeft verzoekers daarom, behoudens hun recht op schadevergoeding, de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanpassing, verlegging en instandhouding van de leidingen in de betrokken percelen. Deze plicht houdt ook in dat verzoekers de werkstroken moeten gedogen die nodig zijn om de aanpassing, verlegging en instandhouding van de leidingen mogelijk maken. Op de werkstroken zal een tijdelijke watergang worden aangelegd en is ruimte opgenomen voor de leidingaanleg (uitlegstrook), voor de opslag van vrijgekomen grond, voor het boormateriaal ten behoeve van de gestuurde boring en voor de te plaatsen buizen, opslagcontainers en keten.

2.

Verzoekers hebben zich gemotiveerd tegen het opleggen van de gedoogplicht gekeerd. Zij stellen zich - kort samengevat- op het standpunt dat de beschikkingen leiden tot rechtsonzekerheid, dat de opgelegde gedoogplicht meer belemmerend is dan noodzakelijk en dat er onvoldoende is gepoogd om tot minnelijke overeenstemming te komen.

3.1

Op grond van artikel 1 van de BP kan, wanneer ten behoeve van openbare werken die ingevolge het reglement voor de instelling door een waterschap worden of zijn ondernomen of van welke het algemeen nut uitdrukkelijk bij wet is erkend, een werk nodig is waarvoor duurzaam of tijdelijk gebruik moet worden gemaakt van onroerende zaken, ieder die enig recht heeft ten aanzien van die zaken, behoudens het recht op schadevergoeding, worden verplicht te gedogen dat dit werk wordt aangelegd en in stand gehouden, indien de belangen van de rechthebbenden naar het oordeel van verweerder redelijkerwijs onteigening niet vorderen en in het gebruik van de zaken niet meer belemmering wordt gebracht, dan redelijkerwijs voor de aanleg en de instandhouding van het werk nodig is.

3.2

Gelet op het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Bp is niet de bestuursrechter, maar het gerechtshof bevoegd om te oordelen over de vraag of in het gebruik van de zaak niet meer belemmering wordt aangebracht dan redelijkerwijs voor de aanleg en instandhouding van het werk nodig is. De voorzieningenrechte onthoudt zich daarom van een oordeel over hetgeen verzoekers in dat kader hebben aangevoerd. Dat kan ook geen reden zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening.

3.3

Verzoekers hebben op zichzelf niet betwist dat hier sprake is van een in artikel 1 van de Bp benoemde situatie waarin verweerder een gedoogplicht kan opleggen. Ook de voorzieningenrechter acht verweerder daartoe in dit geval bevoegd.

4.1

Uit artikel 2, vijfde lid, van de BP volgt dat verweerder de gedoogplicht pas kan opleggen, indien langs minnelijke weg redelijkerwijs niet in de gewenste vorm overeenstemming kan worden bereikt.

4.2

Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS brengt dit mee dat verweerder zich er voor oplegging van een gedoogplicht van dient te vergewissen dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen. In dit kader dient verweerder te beoordelen of de voorstellen tot vergoeding niet op voorhand als onwerkelijk en onredelijk moeten worden aangemerkt. De voorzieningenrechter verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 18 december 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2468).

4.3

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat HHNK, PWN en WRK geen redelijke en serieuze poging hebben ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen.

4.4

Verweerder stelt zich daartegenover op het standpunt dat hij zich er voldoende van heeft vergewist dat HHNK, PWN en WRK wel een redelijke en serieuze poging hebben ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen.

4.5

De voorzieningenrechter stelt vast dat HHNK, PWN en WRK van het minnelijke overleg met verzoekers logboeken hebben bijgehouden, waarvan de inhoud niet door verzoekers is betwist. Uit deze logboeken blijkt dat in mei 2013 voor het eerst contact met verzoekers is gezocht, dat verzoekers bij brieven van 4 en 5 juli 2013 schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorgenomen verlegging van de leidingen en dat aan verzoekers bij brieven van 29 juli 2013 schriftelijke aanbiedingen zijn gedaan. Voor het gebruik van het perceel[kadastraalnummer 1] is een vergoeding aangeboden van € 48.578,00 en voor het gebruik van de percelen [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 3] een vergoeding van € 19.875,00. Uit de logboeken blijkt dat daarna nog meermalen contact is geweest tussen M. Heesakker, onderhandelaar namens HHNK, PWN en WRK, en [naam 3], onderhandelaar van verzoekers, dat daarbij aan [naam 3] is gevraagd om op de aanbiedingen te reageren en dat op 1 november 2013 een bespreking heeft plaatsgevonden tussen Heesakker en [naam 3] waarbij [naam 3] zich op het standpunt heeft gesteld dat de schade dient te worden vergoed op basis van reconstructie op aan te kopen, vervangende grond maar Heesakkers meent dat reconstructie op dezelfde locatie mogelijk is. Uit de logboeken blijkt dat op 28 november 2013 door Heesakker aan [naam 3] is meegedeeld dat de gedoogbeschikkingen in maart 2014 worden verwacht en dat het aanbod tot dan bespreekbaar blijft. Op 19 december 2013 is [naam 3] verzocht op uiterlijk 20 december 2012 met een inhoudelijk tegenvoorstel te komen. Op diezelfde dag heeft [naam 3] aangegeven dat er een tegenvoorstel zal komen en dat hem tijdens de hoorzitting over de oplegging van de gedoogplicht is toegezegd dat hij daarvoor de tijd heeft tot 11 januari 2014. [naam 3] heeft vervolgens op 7 en 8 januari 2014 in concept een schadeloosstellingsberekening naar Heesakker gestuurd waarbij hij is uitgegaan van aankoop van vervangende grond. Voor het gebruik van het perceel[kadastraalnummer 1] is een schade berekend van € 150.761,- en voor het gebruik van de percelen [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 3] een schade van € 198.92,17. Op 3 februari 2003 heeft Heesakker verzoekers nieuwe aanbiedingen gedaan, uitgaande van reconstructie op dezelfde grond. Voor het gebruik van het perceel[kadastraalnummer 1] is een vergoeding aangeboden van € 107.692,09 en voor het gebruik van het percelen [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 3] € 130.771,-. Op 21 februari 2014 heeft [naam 3] Heesakker een conceptschadeloosstellingsberekening doen toekomen waarbij hij het uitgangspunt van de aankoop van vervangende grond heeft verlaten.

4.6

Bij brief van 18 maart 2014 hebben verzoekers de rechtbank schadeberekeningen doen toekomen van ir. J.P.J.M. Peeters (taxateur van verzoekers) waarbij uitgaande van reconstructie op dezelfde grond voor de percelen [kadastraalnummer 2] en [kadastraalnummer 3] een schade is begroot van tenminste € 292.000,- en voor perceel S1031 (het na splitsing nog in eigendom van [verzoekers 2] zijnde deel van het perceel[kadastraalnummer 1]) een schade van tenminste € 246.000,-.

4.7

De voorzieningenrechter is gezien het voorgaande van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat een serieuze en redelijke poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen.

4.8

De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit het voorgaande blijkt dat verzoekers in juli 2013 een schriftelijke aanbieding is gedaan, dat verzoekers ruim de gelegenheid hebben gehad om op dat voorstel te reageren, dat hun uiteindelijke reactie in de vorm van een gespecificeerd schriftelijk tegenbod in januari 2014 heeft geleid tot een aangepast aanbod in februari 2014 en dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op voorhand duidelijk was dat de hoogte daarvan onredelijk was, zodanig, dat niet van reële en serieuze onderhandelingen kan worden gesproken. De stelling van verzoekers dat het aanbod in juli 2013 veel te laag was en dat alleen al daarom niet gesproken kan worden van reële onderhandelingen volgt de voorzieningenrechter niet. Zoals Heesakker ter zitting heeft toegelicht was het aanbod uit juli 2013 slechts een aanzet tot het openen van onderhandelingen, gebaseerd op standaardbedragen. Daarna zijn er, zoals [naam 3] ter zitting heeft bevestigd, altijd goede gesprekken gevoerd over de hoogte van de schadeloosstelling en niet in geschil is dat verzoekers ‘input’ diende aan te leveren om verweerder in staat te stellen een adequate schadeloosstelling vast te stellen.

4.9

Dat [naam 3] uiteindelijk in februari 2014 en Peeters in maart 2014 tot de conclusie zijn gekomen dat de schadeloosstelling mogelijk nog veel hoger dient te zijn, doet aan het oordeel dat serieuze en reële onderhandelingen zijn gevoerd niet af. De voorzieningenrechter heeft hierbij in aanmerking genomen dat de schadeberekening van verzoekers in januari 2014 ook veel lager was dan de latere berekeningen van [naam 3] en Peeters, terwijl mag worden aangenomen dat verzoekers ook in januari 2014 en februari 2014 getracht hebben om in ieder geval een reële schadevergoeding te verkrijgen. De verschillen in de hoogte van de schadeberekeningen lijken daarom niet zozeer het gevolg van een onredelijk aanbod van HHNK, PWN en WRK, maar eerder het gevolg van voortschrijdend inzicht over de aspecten die bij de schadeberekening betrokken moeten worden, zowel bij verzoekers als bij HHNK, PWN en WRK. Aan de hoogte van de geboden schadeloosstellingen kan derhalve niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat geen serieuze poging is ondernomen om langs minnelijke weg tot overeenstemming te komen.

4.10

Overigens is [naam 3] tot 21 februari 2014 vast blijven houden aan zijn uitgangspunt dat de schadeloosstelling moest worden gebaseerd op reconstructie op aan te kopen, vervangende grond, terwijl het hem blijkens het logboek in ieder geval op 28 november 2013 duidelijk moet zijn geweest dat HHNK, PWN en WRK dat uitgangspunt niet volgen omdat, zoals Heesakker ter zitting heeft toegelicht, het gebruik van de gronden van verzoekers slechts tijdelijk is en reconstructie ter plaatse mogelijk. Dat geen overeenstemming is bereikt lijkt daarom ook zijn oorzaak te vinden in de omstandigheid dat verzoekers hebben vastgehouden aan een uitgangspunt voor de schadeberekening waarvan zij wisten dat dit niet werd gedeeld.

4.11

Ter zitting hebben HHNK, PWN en WRK verklaard van begin af aan uit te zijn geweest op vergoeding van alle schade die verzoekers lijden. Daarom nemen zij de schadeberekening van Peeters, wiens deskundigheid niet ter discussie staat, zeer serieus. Wel vinden zij onderbouwing van de door Peeters gebruikte cijfers voor de situatie van verzoekers nodig. De voorzieningenrechter ziet geen reden om aan de intentie van HHNK, PWN en WRK te twijfelen.

De voorzieningenrechter concludeert, het voorgaande overziend, dat aan de uit artikel 2, vijfde lid, van de Bp volgende vereisten voor oplegging van een gedoogplicht in dit geval is voldaan.

5.

De stelling van verzoekers dat de bestreden besluiten leiden tot rechtsonzekerheid omdat de precieze duur van de gedoogplicht niet is vastgelegd en omdat niet voldoende duidelijk is welke grond benodigd is voor het verleggen van de leidingen en bijkomende werken, volgt de voorzieningenrechter niet. Uit de tekeningen waarnaar in de bestreden besluiten wordt verwezen, blijkt duidelijk welk deel van de percelen gebruikt zal gaan worden. Van de duur van de werkzaamheden zijn inmiddels concrete planningen gemaakt. Dat daarover eerst later meer duidelijkheid is gekomen - daar waar er eerst een globale indicatie was - heeft volgens HHNK, PWN en WRK te maken met de omstandigheid dat ook pas later de concrete te verrichten werkzaamheden zijn vastgesteld. De voorzieningenrechter ziet hierin echter geen grond om te oordelen dat sprake is van rechtsonzekerheid.

6.

Al met al ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verweerder niet mocht besluiten om verzoekers te verplichten om de verlegging van de leidingen en het gebruik van de werkstroken op hun percelen te gedogen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kon verweerder het belang bij de verlegging van de leidingen in redelijkheid zwaarder laten wegen dan het belang van verzoekers bij het ongestoord gebruik van de percelen.

7.

Verweerder heeft op grond van artikel 4, zesde lid, van de Bp geoordeeld dat met de uitvoering van de werkzaamheden niet kan worden gewacht. Hiertoe kon verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid beslissen, gelet op het grote algemene belang bij een spoedige uitvoering van de reconstructie van de N23 en de zeer spoedige verlegging van de leidingen die daarvoor weer nodig is.

8.

De voorzieningenrechter ziet, gelet op al het voorgaande, geen grond om aan te nemen dat de bestreden besluiten in bezwaar geen stand kunnen houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechstmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open