Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:3117

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-04-2014
Datum publicatie
07-04-2014
Zaaknummer
15/740085-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; zware mishandeling, begaan tegen haar kind, bewezenverklaring primair ten laste gelegde; verweren met betrekking tot bewijsuitsluiting dan wel vormverzuimen dan wel volledige ontoerekenbaarheid dan wel ontslag van alle rechtsvervolging verworpen.

Verdachte heeft zich opzettelijk schuldig gemaakt aan kindermishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, door haar zoontje die toen net één jaar was, een hulpeloos en kwetsbaar kind dus, volledig afhankelijk van verdachte als ouder en voor wie verdachte op dat moment de zorg had, in veel te heet badwater te plaatsen en hem daarin te houden. De gevolgen voor haar zoontje zijn dramatisch geweest nu hij tweede- en derdegraads brandwonden, ernstige blaarvorming en huiddefecten heeft opgelopen. Zijn lichaam is voor een groot gedeelte verbrand hetgeen levenslange verminking oplevert. Het kleine slachtoffer heeft, gepaard aan een gedwongen besnijdenis en huidtransplantaties van hoofdhuid naar been en billen, drie weken in het ziekenhuis gelegen. Dit letsel en de noodgedwongen ondergane behandelingen kunnen het slachtoffertje in de toekomst psychische maar ook fysieke ongemakken opleveren hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/740085-13

Uitspraakdatum: 7 april 2014

Tegenspraak

Strafvonnis (Promis)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 maart 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G. Visser en van wat verdachte en haar raadsman, mr. R. van den Berg, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

zij op of omstreeks 12 december 2012 te Spaarndam, aan haar kind genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (tweede- en/of derdegraads brandwonden en/of meerdere huiddefecten en/of ernstige blaarvorming), heeft toegebracht, door deze opzettelijk

- ( voor enige tijd) met (een deel van) diens lichaam in een (zeer) hete vloeistof te brengen en/of te duwen en/of te dompelen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met kracht) in voornoemde (zeer) hete vloeistof (enige tijd) vast te houden en/of gefixeerd te houden en/of

- ( voor enige tijd) met (een deel van) diens lichaam in een vloeistof te brengen en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, een (zeer) hete vloeistof bij de vloeistof, waarin zich die [slachtoffer] reeds bevindt, te voegen en/of te gieten en/of (daarbij) die [slachtoffer] (met kracht) (enige tijd) vast te houden en/of gefixeerd te houden;

subsidiair:

zij op of omstreeks 12 december 2012 te Spaarndam, opzettelijk mishandelend haar kind, althans een persoon, te weten [slachtoffer],

- ( voor enige tijd) met (een deel van diens) lichaam in een (zeer) hete vloeistof heeft gebracht en/of geduwd en/of gedompeld en/of (vervolgens) die [slachtoffer] (met kracht) in voornoemde (zeer) hete vloeistof (enige tijd) heeft vastgehouden en/of gefixeerd gehouden en/of

- ( voor enige tijd) met (een deel van) diens lichaam in een vloeistof heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, een (zeer) hete vloeistof bij de vloeistof, waarin zich die [slachtoffer] reeds bevond, heeft gevoegd en/of gegoten en/of (daarbij) die [slachtoffer] (met kracht) (enige tijd) heeft vastgehouden en/of gefixeerd gehouden,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

meer subsidiair:

zij op of omstreeks 12 december 2012 te Spaarndam, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig

(haar één jarig zoontje) [slachtoffer]

- met diens lichaam in een (zeer) hete vloeistof heeft gebracht en/of geduwd en/of gedompeld en/of

- met diens lichaam in een vloeistof heeft gebracht en/of (vervolgens) meermalen, althans eenmaal, een (zeer) hete vloeistof bij de vloeistof, waarin zich die [slachtoffer] reeds bevond, heeft gevoegd en/of gegoten,

waardoor het aan haar schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel, te weten tweede- en/of derdegraads brandwonden en/of meerdere huiddefecten en/of ernstige blaarvorming, heeft bekomen.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.1. Beroep op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat sprake is geweest van ernstige vormverzuimen: na een door het Rode Kruis Ziekenhuis (hierna: RKZ) bij het Advies- en Meldpunt Kindermishandeling (hierna: AMK) gedane melding van mogelijke kindermishandeling heeft verdachte bij het AMK een voor haar belastende verklaring afgelegd; het desbetreffende gespreksverslag is zonder meer doorgeschoven naar de politie. Omdat een AMK-onderzoeker een getrainde ondervrager is, die geleerd heeft hoe je belastende informatie kunt loskrijgen, moet het gesprek met verdachte als het eerste van haar afgenomen verhoor worden aangemerkt. Voorafgaand aan dat verhoor is zij er evenwel niet op gewezen dat zij zichzelf niet hoefde te belasten en heeft zij ook geen consultatiebijstand van een advocaat gehad.

Door de geschetste gang van zaken heeft de politie informatie ontvangen, die zij niet zou hebben verkregen als meteen een advocaat zou zijn ingeschakeld. Ook deskundige [NFI deskundige] heeft zijn rapport opgemaakt op basis van verdachte’s verhaal zoals dat was opgenomen in het gespreksverslag. Het belastende AMK-gespreksverslag is door de officier van justitie via de politie met open armen ontvangen, terwijl juist de officier van justitie zou moeten begrijpen dat het doen van meldingen en daarover vrij kunnen spreken, zonder de angst vervolgd te worden, vele malen belangrijker is dan het rondkrijgen van een strafzaak.

De door de raadsman getrokken conclusie is, dat het Openbaar Ministerie verdachte’s recht op een eerlijk proces heeft geschonden en niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat het AMK, hoewel onderdeel uitmakend van Bureau Jeugdzorg, niet behoort tot een opsporende instantie en ook niet onder het gezag, de verantwoordelijkheid of aansturing van politie en/of justitie valt.

Hetgeen door het AMK is verricht behoort dus niet tot het opsporingsonderzoek. Het onder gezag van de officier van justitie plaatsvindende onderzoek is pas aangevangen naar aanleiding van de aangifte door het AMK op 19 december 2012. De door de raadsman aangevoerde argumenten kunnen derhalve niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging.

De rechtbank heeft ook overigens vastgesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit met de toevoeging dat verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van de feitelijke handelingen genoemd na het tweede gedachtestreepje in de tenlastelegging.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van de haar onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten.

3.3. Partiële vrijspraak
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen verdachte onder primair na het tweede gedachtestreepje is ten laste is gelegd en dat zij daarvan moet worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe dat de stukken van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de vaststelling dat verdachte zich opzettelijk schuldig heeft gemaakt aan de in dat tweede gedachtestreepje beschreven feitelijke handelingen, die er kort gezegd op neerkomen dat zij heet water zou hebben toegevoegd aan het water waarin zich haar zoontje reeds bevond en/of dat ze hem daarin enige tijd zou hebben vastgehouden. Nu dat niet is gebleken moet verdachte van dit onderdeel dan ook worden vrijgesproken.

3.4. Bespreking van een op bewijsuitsluiting gericht verweer

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat het door het AMK opgemaakte verslag van het gesprek met verdachte, op de gronden zoals reeds onder 2.1. weergegeven, van het bewijs moet worden uitgesloten. Deze gronden houden kort gezegd in dat verdachte zonder voorafgaande consultatiebijstand als verdachte is gehoord door het AMK. Terwijl van een verhoorsituatie sprake was, is haar niet de cautie gegeven. Naar het oordeel van de raadsman zou verdachte een dergelijke, voor haar belastende, verklaring niet hebben afgelegd indien zij op voornoemde rechten was gewezen.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer geen inhoudelijke bespreking behoeft, nu zij het door het AMK opgemaakte gespreksverslag niet tot het bewijs zal bezigen.

3.5. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 12 december 2012 doet verdachte in haar woning in Spaarndam haar zoontje [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer]) in bad. Als ze [slachtoffer] op zijn billen in het badje zet, geeft hij een schrikreactie en draait hij zich op handen en knieën.2 Zijn ogen werden groot, verklaarde verdachte bij de politie.3 Toen zij hem in bad zette, ging hij hard huilen, een soort huil die verdachte herkende als zijn ‘pijnhuil’, een manier van huilen die [slachtoffer] volgens verdachte heeft als hij pijn heeft. Ondanks deze ‘pijnhuil’ grijpt verdachte niet direct in; die situatie kan twee minuten geduurd hebben.4 Als ze ziet dat [slachtoffer] rood kleurt, haalt ze hem uit bad5 en stuurt ze een Whatsapp-bericht naar haar buurvrouw Kim, die het vreemd vindt dat verdachte nog niets had gedaan aan de ontstane situatie en [slachtoffer] meteen gaat koelen met lauw water en het alarmnummer belt.6 De centralist van de ambulancedienst stuurt een ambulance en [slachtoffer] wordt opgenomen in het ziekenhuis.7 Aldaar blijkt dat [slachtoffer] met name 2e graads en 3e graads verbrandingen heeft opgelopen.8 Voor de brandwonden bleek huidtransplantatie noodzakelijk en vanwege de derdegraads verbranding van de voorhuid werd circumcisie (besnijdenis) verricht.9

Over de verdeling en aard van die brandwonden merkt de deskundige [NFI deskundige] in zijn rapport het volgende op. Het verbrande lichaamsoppervlak bedraagt ongeveer 50%, waarvan 4 tot 5% met huiddefecten en enige uitbreiding van blaarvorming, onder meer aan beide billen. Een klein deel is 3e graads verbrand, onder andere de voorhuid. Gezien de aanwezigheid van 2e en 3e graads brandwonden als gevolg van onderdompeling in een hete vloeistof, moet de minimale watertemperatuur boven de 45°C hebben gelegen. Een watertemperatuur boven de 45°C leidt – bij normale pijnzin – tot pijn, die gepaard gaat met huilen en het ontstaan van brandwonden. Deze pijn zal ervoor zorgen dat een kind zal proberen afstand te nemen tot de pijnbron. De verdeling van de brandwonden vertoonde een relatief scherpe begrenzing tussen de aangedane en niet aangedane huid, hetgeen zeer veel meer waarschijnlijk ontstaat bij een gefixeerde (‘stilzittende’) houding, die wijst op afwezigheid van (meer dan geringe) beweging tussen de vloeistof en het lichaam tijdens het ontstaan van die grens. De verdeling van de uitsparingen maakt een verandering in de houding tijdens de onderdompeling zeer onwaarschijnlijk. De verdeling van de brandwonden over het lichaam van [slachtoffer] toont derhalve dat het zeer waarschijnlijk is, dat hij niet heeft geprobeerd of niet in staat is geweest de pijnbron te ontvluchten.

Ten aanzien van de lokatie van de brandwonden van [slachtoffer] merkt de deskundige het volgende op. Het hoofd, gelaat, hals, bovenste deel van de rug, schouders en bovenste deel van de armen waren vrij van brandwonden. Op grond van deze uitsparingen in het letsel kan de meest waarschijnlijke houding gereconstrueerd worden. De huid van de oksels was beschermd doordat de bovenarmen tegen de romp lagen. De bovenzijde van de huid van de pols was beschermd doordat de huid van de pols door rugwaartse buiging in het polsgewricht beschermd werd. De huid van de liezen werd beschermd doordat de heupen gebogen waren. De huid van de knieholten en delen van de boven- en onderbenen waren beschermd, doordat de knieën gebogen waren en de achterzijde van de bovenbenen tegen de achterzijde van de onderbenen aanlag. De combinatie van de lokatie van lichaamsdelen met en zonder brandwonden is veel waarschijnlijker indien sprake is geweest van onderdompeling in handkniehouding.10 Ter terechtzitting heeft deskundige [NFI deskundige] zijn bevindingen nogmaals bevestigd en is hij daarbij gebleven.11

Uit onderzoek is gebleken dat de kraan met douchekop bij verdachte thuis water levert met een temperatuur van 53 graden Celsius bij een volledig geopende warmwaterkraan en levering van ongeveer 10 liter.12

3.6. Bewijsoverwegingen

Anders dan verdachte’s raadsman, die heeft bepleit dat zijn cliënte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, heeft gehad op zware mishandeling van haar zoon [slachtoffer], acht de rechtbank opzet van verdachte bewezen en overweegt daaromtrent als volgt.

Vaststaat dat [slachtoffer] op 12 december 2012 door verdachte in te heet badwater is geplaatst en daardoor onder meer 2e en 3e graads brandwonden heeft opgelopen. De rechtbank acht vol opzet op het plaatsen en enige tijd houden van [slachtoffer] in te heet badwater aanwezig, op grond van het volgende. Verdachte heeft wisselend verklaard omtrent de temperatuur van het badwater en het controleren daarvan. Deskundige [NFI deskundige] heeft in zijn rapport uiteengezet dat 2e en 3e graads brandwonden ontstaan bij onderdompeling in water met een temperatuur vanaf 45°C of hoger en dat iedereen met een normale pijnzin bij water van deze temperatuur pijn zal ervaren. De rechtbank acht het daarom niet mogelijk, dat verdachte het badwater heeft gecontroleerd en daarbij zelf geen pijn heeft ervaren, zoals zij heeft verklaard. Nu verdachte ook heeft verklaard dat [slachtoffer] schrok en hard huilde met zijn ‘pijnhuil’ toen zij hem in het water plaatste, maar hem toch in dat badwater heeft geplaatst en niet heeft ingegrepen in reactie op die ‘pijnhuil’, kan de conclusie slechts zijn dat zij willens en wetens gehandeld heeft. Daarbij komt dat verdachte ook heeft verklaard dat [slachtoffer], nadat hij in het water was geplaatst, een houding op handen en knieën heeft aangenomen, welke beschrijving overeenkomt met hetgeen deskundige [NFI deskundige], gelet op de door hem geconstateerde verdeling en lokatie van de brandwonden, wordt omschreven als de meest waarschijnlijke houding, die enige tijd gedwongen is aangenomen. De bedoelde houding heeft verdachte ter terechtzitting aangewezen als de handkniehouding die op afbeelding 7 in het door [NFI deskundige] opgemaakte rapport is geschetst.

Nu deskundige [NFI deskundige] in zijn rapport heeft vastgesteld dat de afgrenzing tussen de door verbranding aangedane en niet-aangedane huid scherp is en dat er geen spatletsel is, trekt de rechtbank daaruit met de deskundige de conclusie dat sprake moet zijn geweest van een gefixeerde houding van [slachtoffer] waarin verdachte hem heeft gehouden, omdat [slachtoffer] anders, als gevolg van bewegingen om de pijnbron te ontvluchten, een andere (minder scherpe) aftekening van het letsel en/of spatletsel te zien zou hebben gegeven.

De rechtbank acht gelet op het voorgaande bewezen dat verdachte ten minste voorwaardelijk opzet had op het bij [slachtoffer] opgetreden zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte heeft [slachtoffer] immers in te heet badwater geplaatst, ondanks zijn zichtbare schrikreactie en ‘pijnhuil’, waaruit bleek dat hij pijn had. Door [slachtoffer], ondanks zijn door verdachte opgemerkte reactie, in de ‘handkniehouding’ in het badwater te houden, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat dit – naast pijn – zwaar lichamelijk letsel ten gevolge zou hebben, hetgeen zich heeft verwezenlijkt in 2e en 3e graads brandwonden met huiddefecten en ernstige blaarvorming.

Voor haar bewezenverklaring maakt de rechtbank gebruik van het NFI-rapport, opgesteld door deskundige [NFI deskundige], ofschoon de raadsman van verdachte dit rapport onvolledig en suggestief acht waardoor het niet als bewijs voor opzettelijke verbranding gebezigd kan worden.

De rechtbank overweegt in dit verband dat de deskundige ter terechtzitting heeft verklaard dat hij zich, op basis van zijn deskundigheid en de hem verstrekte gegevens, waaronder de foto’s van [slachtoffer]s letsel, voldoende een oordeel heeft kunnen vormen over de eigenschappen van het letsel alsmede de meest waarschijnlijke wijze waarop het is ontstaan. Hij heeft daarbij ter toelichting nogmaals gewezen op de gerelateerde bevindingen ten aanzien van de temperatuur van het water in relatie tot de mate van verbranding en zijn conclusie herhaald en toegelicht dat de waargenomen verbrandingen moeten zijn ontstaan bij een gefixeerde houding; dat moet worden afgeleid uit de scherpe afgrenzing van het door verbranding aangetaste en niet-aangetaste deel van de huid en de uitsparingen in de knieholten, de liezen, de oksels en de bovenzijde van de huid van de polsen.

Dat deskundige [NFI deskundige] in dit oordeel over het ontstaan van het letsel niet alleen staat wordt bevestigd door de tevens ingewonnen opvatting van de forensische poli te Utrecht en door hetgeen ter terechtzitting door de van de zijde van de verdediging ingeschakelde deskundige [onafhankelijk deskundige] is verklaard.

De rechtbank ziet dan ook geen enkele aanleiding het rapport van deskundige [NFI deskundige] als onvolledig of suggestief aan te merken. Doordat de deskundige ter terechtzitting vragen van de rechtbank en de verdediging heeft beantwoord op een wijze die een bevestiging opleverde van zijn deskundigheid op het bevraagde gebied, neemt de rechtbank diens conclusies over en maakt deze tot de hare.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank bewezen dat aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel is toegebracht. Voor zijn hier bedoelde standpunt heeft de raadsman een beroep gedaan op door hem aangehaalde jurisprudentie en aangevoerd dat sprake is van volledig herstel nu er weliswaar nog littekens zijn overgebleven, maar dat deze vlak en soepel zijn, terwijl deze littekens naar algemeen spraakgebruik niet zijn aan te merken als zwaar lichamelijk letsel nu deze niet zichtbaar zijn bij deelneming aan het openbare leven. Evenmin levert de circumcisie (besnijdenis) zwaar lichamelijk letsel op nu geen sprake is van verminking. Deze circumcisie is immers lege artis door een arts in het ziekenhuis uitgevoerd en dit deel van het lichaam is niet zichtbaar bij deelneming aan het openbare leven.

Voor haar oordeel dat wel sprake is van zwaar lichamelijk letsel vindt de rechtbank steun in vaste jurisprudentie waaruit moet worden afgeleid, dat 2e en 3e graads brandwonden als die van [slachtoffer], waardoor 50% van de huid van het lichaamsoppervlak is verbrand en het slachtoffer als gevolg van een gedwongen besnijdenis en huidtransplantaties van hoofdhuid naar been en billen permanent en blijvend zichtbaar letsel heeft opgelopen, zonder meer als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangemerkt.

3.7. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

zij op 12 december 2012 te Spaarndam, aan haar kind genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (tweede- en derdegraads brandwonden en meerdere huiddefecten en ernstige blaarvorming), heeft toegebracht, door deze opzettelijk voor enige tijd met een deel van diens lichaam in een (zeer) hete vloeistof te brengen en vervolgens die [slachtoffer] in voornoemde (zeer) hete vloeistof enige tijd gefixeerd te houden.

Hetgeen aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van primair:

zware mishandeling, begaan tegen haar kind.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich onder verwijzing naar het psychologisch onderzoek verricht door [psycholoog] op het standpunt gesteld, dat verdachte op grond van het bepaalde in artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Daartoe heeft hij aangevoerd, dat verdachte blijkens het rapport van drs. [psycholoog] lijdt aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en dat sprake is van zwakbegaafdheid welke de kwetsbaarheid van verdachte vergroot. Iemand met een borderline persoonlijkheidsstoornis kan door affectlabiliteit op stress reageren met intense woede die een impulsdoorbraak kan veroorzaken en kan zo komen tot grensoverschrijdend en (zelf)beschadigend gedrag. Volgens [psycholoog] waren de voorwaarden voor een impulsdoorbraak wel aanwezig ten tijde van het plegen van het tenlastegelegde en indien wordt aangenomen dat de stoornis en de zwakbegaafdheid hebben doorgewerkt, kan worden gesteld dat verdachte niet vrij is geweest in haar denken en handelen, zodat zij geen weerstand heeft kunnen bieden aan een zogenoemde impulsdoorbraak, aldus de raadsman.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Het rapport en de toelichting die de deskundige [psycholoog], als GZ-psycholoog verbonden aan het NIFP te Haarlem, daarop ter terechtzitting heeft gegeven, voor zover betrekking hebbende op de psychische toestand van verdachte ten tijde van het tenlastegelegde, geven de rechtbank geen aanleiding te komen tot het oordeel dat sprake is van volledige ontoerekenbaarheid van verdachte. Bij verdachte was immers geen sprake van een zodanige psychische toestand, dat zij in het geheel niet in staat was de gevolgen van haar handelen te overzien. Verdachte verkeerde niet in een psychose, voor haar stonden naar het oordeel van de deskundige nog keuzemogelijkheden open.

De rechtbank sluit zich aan bij de conclusie van de deskundige [psycholoog] en zal die betrekken bij haar oordeel over de op te leggen straf.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, waarvan een deel, groot 362 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren onder algemene en bijzondere voorwaarden zoals weergegeven in het advies van de Reclassering. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot het uitvoeren van een werkstraf van honderd uur.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat – mocht de rechtbank onverhoopt toch aan strafoplegging toekomen – zij het feit bewezen zal verklaren en verdachte met toepassing van het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht schuldig zal verklaren zonder oplegging van enige straf of maatregel.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en in het bijzonder de hieronder genoemde rapporten is gebleken:

- het psychologisch onderzoek Pro Justitia betreffende verdachte gedateerd 19 juni 2013, opgesteld door [psycholoog], als GZ-psycholoog verbonden aan het NIFP te Haarlem;

- het reclasseringsadvies betreffende verdachte gedateerd 24 mei 2013, opgesteld door mevrouw [reclasseringswerker], als reclasseringswerker verbonden aan Stichting Reclassering Nederland, adviesunit Haarlem.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich opzettelijk schuldig gemaakt aan kindermishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, door haar zoontje die toen net één jaar was, een hulpeloos en kwetsbaar kind dus, volledig afhankelijk van verdachte als ouder en voor wie verdachte op dat moment de zorg had, in veel te heet badwater te plaatsen en hem daarin te houden. De gevolgen voor haar zoontje zijn dramatisch geweest nu hij tweede- en derdegraads brandwonden, ernstige blaarvorming en huiddefecten heeft opgelopen. Zijn lichaam is voor een groot gedeelte verbrand hetgeen levenslange verminking oplevert. Het kleine slachtoffer heeft, gepaard aan een gedwongen besnijdenis en huidtransplantaties van hoofdhuid naar been en billen, drie weken in het ziekenhuis gelegen. Dit letsel en de noodgedwongen ondergane behandelingen kunnen het slachtoffertje in de toekomst psychische maar ook fysieke ongemakken opleveren hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Ten aanzien van strafbare feiten van de aard en ernst als de onderhavige acht de rechtbank in beginsel dan ook slechts de oplegging van een vrijheidsbenemende straf passend en geboden. Echter met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank nog het volgende in aanmerking genomen.

Het psychologisch onderzoek Pro Justitia houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene lijdt aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid en een borderline persoonlijkheidsstoornis. Deze stoornis dan wel de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens hebben de gedragskeuzen en gedragingen van verdachte ten tijde van het ten laste gelegde beïnvloed. Het relaas van betrokkene lijkt niet te stroken met de bevindingen rond het letsel van haar zoontje. Zij geeft in de loop van de tijd verschillende verklaringen. Dit maakt dat het verband tussen stoornis en delict niet met zekerheid is vast te stellen en hypothetisch moet blijven. Van mensen met een borderline persoonlijkheidsstoornis is bekend dat zij door affectlabiliteit, zoals sterke gevoelsschommelingen op basis van een kwetsbaar zelfbeeld, op stress kunnen reageren met intense woede die een impulsdoorbraak kan veroorzaken, waarbij grensoverschrijdend en (zelf)beschadigend gedrag kan voorkomen.

De zwakbegaafdheid van betrokkene vergroot haar kwetsbaarheid, omdat ze sneller dan anderen het overzicht verliest. Indien door de rechtbank wordt aangenomen dat de borderline persoonlijkheidsstoornis en de zwakbegaafdheid van betrokkene hebben doorgewerkt in het ten laste gelegde en indien dit bewezen wordt geacht, kan gesteld worden dat betrokkene niet vrij is geweest in haar denken en handelen, zodat geadviseerd wordt om betrokkene in dat geval op grond van voornoemde stoornis en zwakbegaafdheid als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Het recidiverisico wordt ingeschat als zijnde matig, maar dit kan door (toenemende) stress worden verhoogd.

Het reclasseringsadvies houdt onder meer het volgende in:

Betrokkene ervaart op enkele leefgebieden geen problemen. Zo zijn de haar beschermende factoren onder andere dat zij een stabiele huisvesting heeft, er geen sprake is van alcohol- of drugsproblematiek en daarbij heeft zij een partner door wie ze zich gesteund voelt en schoonouders die het gezin ondersteunen en helpen. Wel komt uit het onderzoek naar voren dat binnen het gezin sprake is van financiële problemen waarvoor schuldhulpsanering op gang is gebracht. Bij betrokkene is sprake van een verstandelijke beperking nu door stichting MEE een IQ van 82 is vastgesteld. Hierdoor zou zij bepaalde situaties moeilijk overzien en zich snel overbelast voelen hetgeen zij ook zegt zo te ervaren. Dit uit zij dan door te schelden en te gaan schreeuwen. Vanuit stichting MEE is aangegeven dat wanneer er bij iemand met een verstandelijke beperking factoren als tijdsdruk en stress gaan meespelen dit kan drukken op het niveau hetgeen inhoudt dat zij dingen doet die zij onder normale omstandigheden niet zou doen. Deze factoren tezamen met de borderline persoonlijkheidsstoornis worden gezien als de criminogene factoren voor betrokkene. Betrokkene erkent en ziet haar eigen aandeel wanneer sociale situaties met haar worden besproken en laat hiermee zien dat ze enig inzicht heeft in haar eigen gedrag. Ze geeft aan te willen veranderen en alle hulp te accepteren en mee te zullen werken. Inmiddels is er al hulpverlening opgestart waaraan betrokkene op vrijwillige basis meewerkt en deze bestaat uit individuele behandelingen en hulpverlening specifiek gericht op betrokkene en haar partner en voor het hele gezin. Hierdoor wordt de kans op recidive als laag geschat indien zij meewerkt aan alle hulpverlening. Geadviseerd wordt dan ook om een voorwaardelijke straf op te leggen met een meldplicht zodat binnen het toezicht de reeds gestarte begeleiding/hulpverlening gemonitord kan worden; indien het binnen de meldplicht noodzakelijk wordt geacht dat betrokkene ook een behandeling moet volgen bij de Forensische Polikliniek De Waag dient zij hieraan mee te werken.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting heeft de rechtbank geen ander beeld van verdachte gekregen dan uit voormelde rapporten naar voren komt. Met de conclusies in voornoemde rapporten kan de rechtbank zich verenigen. Zij maakt deze tot de hare. Bij het opleggen van de straf zal de rechtbank dan ook ermee rekening houden dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd moet worden.

Ten voordele van verdachte neemt de rechtbank in aanmerking dat zij blijkens het haar betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 april 2013, niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld.

De rechtbank merkt op, dat de officier van justitie bij een eis van een gevangenisstraf voor de duur van driehonderdvijfenzestig (365) dagen, waarvan driehonderdtweeënzestig (362) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van vijf (5) jaren en daarnaast de oplegging van een taakstraf in de vorm van het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van honderd (100) uren subsidiair vijftig (50) dagen hechtenis – kennelijk – de zaak anders waardeert dan de rechtbank.

Daar komt naar het oordeel van de rechtbank bij dat, gelet op de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van [reclasseringswerker 2], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland en [gezinsondersteuner], gezinsondersteuner bij Stichting Philadelphia, verdachte alle haar geboden hulpverlening van verschillende instanties accepteert en daaraan goed meewerkt. Mede gelet op haar parttime baan en het feit dat zij daarnaast is belast met de zorg en opvoeding van haar kinderen, wordt van verdachte al een grote inspanning verlangd.

In het licht van hetgeen hiervoor is overwogen komt het de rechtbank – gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de persoon van verdachte – zinvoller voor, dat in het kader van de speciale preventie aan verdachte slechts een (grotendeels) voorwaardelijke gevangenisstraf en niet ook de door de officier van justitie geëiste werkstraf wordt opgelegd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van drie (3) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met en begeleiding door Stichting Reclassering Nederland, adviesunit Haarlem, noodzakelijk. Een dergelijke voorwaarde met verplichtingen van die strekking zal als bijzondere voorwaarde aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.7. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het onder 3.7. bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DRIEËNNEGENTIG (93) DAGEN;

beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot NEGENTIG (90) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van drie (3) jaren;

stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich meldt bij Reclassering Nederland te Haarlem en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij de reclassering zo frequent en zolang als deze dit noodzakelijk acht, ook indien zulks inhoudt dat veroordeelde zich gedurende de proeftijd voor haar psychische problematiek ambulant zal laten behandelen bij de Forensische Polikliniek De Waag of een soortgelijke instelling zolang als dit door de behandelaars en de reclassering noodzakelijk wordt geacht;

waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden, zolang deze instelling dit, in overleg met de officier van justitie te Haarlem noodzakelijk oordeelt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.J.M. Verpalen, voorzitter,

mr. J.C.M. Swinkels en mr. G.D. de Jong, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 7 april 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2014.

3 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 april 2013 (dossierparagraaf 1.12, p. 3).

4 Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 april 2013 (dossierparagraaf 1.15, p. 5).

5 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 maart 2014.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [buurvrouw] d.d. 25 februari 2013 (dossierparagraaf 2.15, p. 2).

7 Het proces-verbaal van bevindingen gesprek 112-melding d.d. 31 januari 2013 (dossierparagraaf 2.6).

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 maart 2013 (dossierparagraaf 2.4).

9 Brief van het Rode Kruis ziekenhuis d.d. 6 februari 2013, behorend tot het door de raadsman ingebrachte ‘medisch dossier’.

10 Een schriftelijk bescheid, zijnde een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag, opgemaakt door [NFI deskundige], forensisch arts KNMG, d.d. 18 maart 2013 (dossierpagina 2.10).

11 De toelichting van deskundige [NFI deskundige], gegeven ter terechtzitting van 24 maart 2014.

12 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] d.d. 3 april 2013 (losse dossierbijlage).