Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2919

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
11-04-2014
Zaaknummer
15/801289-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; medeplegen invoer van verdovende middelen (cocaïne) te Schiphol; bewijsoverweging; bewezenverklaring; verweer psychische overmacht verworpen; straftoemeting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801289-13 (P)

Uitspraakdatum: 12 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 30 januari 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië)

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland;

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A. Vroombout en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.D. Kupelian, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 november 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid cocaïne (met een nettogewicht van totaal 3,3 kilogram), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak, met uitzondering van het tenlastegelegde medeplegen, is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

- de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 10 november 2013 (dossierparagraaf 1.1.2.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van verdachte
[medeverdachte] d.d. 10 november 2013 (dossierparagraaf 1.1.5.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aanhouding van verdachte
[verdachte] d.d. 10 november 2013 (dossierparagraaf 1.2.5.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte
[medeverdachte] d.d.12 november 2013 (dossierparagraaf 1.1.7.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 9 december 2013 (dossierparagraaf 1.2.8.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 11 november 2013 (dossierparagraaf 2.1.3.);

- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal d.d. 14 november 2013, (dossierparagraaf 2.1.5.);

- een schriftelijk bescheid, te weten een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 12 december 2013, zaaknummer 2013.11.14.022 (aanvraag 001) (losse dossierbijlage).

3.3. Bewijsoverweging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte], zodat het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen kan worden.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt hieromtrent het volgende. Verdachte is naar Schaffhausen gereisd, alwaar hij medeverdachte [medeverdachte] heeft ontmoet. Het plan was dat zij samen naar Ecuador zouden vliegen, daar een koffer met drugs zouden krijgen en deze koffer mee zouden nemen naar Duitsland. Zij moesten zich voordoen als een stel. Enkele dagen voor vertrek zijn de tickets geboekt voor beide verdachten. Eén dag voor vertrek is verdachte naar [medeverdachte] in Stuttgart gegaan en heeft daar bij haar thuis verbleven. Zij zijn samen naar Ecuador gevlogen en hebben daar samen twee nachten in een hotel verbleven. Vervolgens hebben zij vier dagen in een ander hotel verbleven. Daarna zijn zij weer terug gegaan naar het eerste hotel en hebben aldaar de koffers met verdovende middelen gekregen. Zij kregen allebei één koffer. Zij wisten beiden dat er cocaïne in de koffers zat. Zij zouden per koffer € 10.000,- beloning krijgen. De verdachten hebben in Guayaquil samen ingecheckt voor hun reis naar Amsterdam. De luchtvaartmaatschappij heeft de beide koffers op naam van [medeverdachte] gezet. Vervolgens zijn zij samen vanuit Ecuador naar Amsterdam gevlogen. Hierna zou verdachte de koffers, één voor één, meenemen naar Zwitserland.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachten het gezamenlijke plan hadden om cocaïne naar Nederland te smokkelen en dit plan ook gezamenlijk uitgevoerd hebben. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het opzettelijk binnen Nederland brengen van ongeveer 3,3 kilogram cocaïne. Verdachte heeft aangevoerd dat het niet de bedoeling was dat zij twee koffers met cocaïne mee zouden krijgen en dat zij daar pas vlak voor vertrek mee werden geconfronteerd. Dit doet echter aan het voorgaande niet af. Dat geldt evenzeer voor de omstandigheid dat verdachten ieder afzonderlijk voor de door hem of haar ingevoerde koffer beloond zou worden.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 november 2013 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne (met een nettogewicht van totaal 3,3 kilogram).

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Beroep op psychische overmacht

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij zich gedwongen voelde om drugs te smokkelen. De organisatie zou hem een foto van de school van zijn zoontje hebben laten zien en zou daarbij gezegd hebben dat er zomaar een ongeluk met zijn zoontje zou kunnen gebeuren. Verdachte zou heel bang zijn geweest en zou geen uitweg hebben gezien.

De rechtbank kwalificeert de verklaring van verdachte als een beroep op psychische overmacht en overweegt hieromtrent als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van hem gevergd kon worden dat hij anders zou handelen dan hij thans heeft gedaan. Wellicht was er sprake van een situatie waarin verdachte zich onder druk gezet voelde, maar deze omstandigheid hoeft nog niet te betekenen dat hij als enige uitweg wel moést overgaan tot het smokkelen van drugs. Verdachte had ook op enig moment de hulp van politie of justitie kunnen inroepen of zich op andere wijze aan het drugstransport kunnen onttrekken. Bovendien geldt dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard dat hij deze persoon zelf benaderd heeft, naar eigen zeggen om geld te verdienen met de smokkel van geld, hoewel het hem bekend was dat deze persoon uit het criminele milieu afkomstig is en deze persoon eerder mensen heeft bedreigd en mishandeld. Verdachte had kunnen weten dat hij mogelijk gedwongen zou worden om criminele handelingen, in welke vorm dan ook, voor deze persoon te verrichten. Ook om die reden kan het beroep van verdachte op psychische overmacht niet slagen.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig (20) maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van circa 3,3 kilogram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Op grond van de aard en de ernst van het bewezen verklaarde is de rechtbank van oordeel dat alleen een gevangenisstraf als passende straf in aanmerking komt. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de omstandigheden van onderhavige zaak – te weten dat de verdachten allebei één koffer zouden meenemen en hiervoor ook ieder afzonderlijk een beloning zouden krijgen – bij het opleggen van de straf aan verdachte, enerzijds in aanmerking moet worden genomen dat verdachte dit feit samen met een ander heeft gepleegd, maar anderzijds aansluiting moet worden gezocht bij het gewicht dat verdachte zelf zou invoeren, te weten ongeveer 1,63 kilogram en de straf die bij een dergelijk gewicht in beginsel wordt opgelegd.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond is gelegen enigszins af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht;

artikel 2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. Smits, voorzitter,

mr. Ph. Burgers en mr. L.C. Bannink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 februari 2014.

Mr. Bannink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.