Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2890

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
2274912 - CV EXPL 13-3338
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Geen schending zorgplicht school nu genoegzaam gebleken is dat de school een andere onderwijsinstelling bereid heeft gevonden om de leerling toe te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WVO Commentaar en Jurisprudentie 2014/355

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknummer/rolnummer: 2274912 \ CV EXPL 13-3338 (PA)

Uitspraakdatum: 2 april 2014

Vonnis in de zaak van:

[naam eiser], wonende te [plaats]

eisende partij

verder ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. W. Wallinga, werkzaam bij Stichting Univé Rechtshulp te Assen

tegen

Stichting De Stichting Petrus Canisius College, Katholieke Scholengemeenschap voor Voortgezet Onderwijs, gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar

gedaagde partij

verder ook te noemen: PCC

gemachtigde: mr. J.M.V. Dubelaar, advocaat in dienstbetrekking VKO te Woerden.

Het procesverloop

1. [eiser] heeft bij dagvaarding van 7 augustus 2014 een vordering ingesteld. PCC heeft schriftelijk geantwoord. [eiser] heeft vervolgens bij conclusie van repliek op het antwoord gereageerd, waarna PCC van dupliek heeft gediend. Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

De feiten

2. PCC is een onderwijsinstelling die gerekend wordt tot het bijzonder onderwijs, te weten het katholiek onderwijs.

3. Artikel 27 lid 1 Wet op het Voortgezet Onderwijs (hierna te noemen: WVO) bepaalt onder meer het volgende:

Definitieve verwijdering van een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school, dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten.

4. [eiser], geboren op [datum], heeft gedurende het schooljaar 2010/2011 onderwijs gevolgd aan de afdeling VWO van PCC.

5. In de Schoolgids (het daarin opgenomen Leerlingstatuut) van PCC is onder meer bepaald dat een leerling die voor een tweede maal doubleert, wordt verwijderd van de opleiding die de leerling tot dan gevolgd heeft.

6. [eiser] zou voor de tweede maal doubleren. PCC heeft aan [eiser] geadviseerd om de MBO-opleiding te volgen. [eiser] heeft dit advies niet gevolgd. [eiser] heeft zich ingeschreven bij het ROC Horizon College, voor de VAVO-opleiding.

Het geschil

7. [eiser] vordert betaling van een bedrag van € 5.268,- van PCC. Daarbij stelt [eiser] – kort weergegeven – dat tussen partijen een onderwijsovereenkomst bestaat en dat PCC tekortgeschoten is in de uitvoering hiervan door haar zorgplicht te schenden dan wel onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door niet te voldoen aan de zorgplicht jegens hem. [eiser] zou voor een tweede maal doubleren. PCC heeft [eiser] vervolgens geadviseerd de studierichting MBO te vervolgen. Hier was [eiser] het niet mee eens. Nu [eiser] PCC zou moeten verlaten en hij niet werd aangenomen bij de reguliere onderwijsinstellingen zag hij zich genoodzaakt zich in te schrijven bij het ROC Horizon College. De kosten voor de HAVO-opleiding bedragen € 5.268,-. Deze kosten zou [eiser] niet hebben gehad, als PCC zorg had gedragen voor toelating van [eiser] tot een nieuwe, reguliere onderwijsinstelling. Dit heeft PCC nagelaten. [eiser] maakt voorts aanspraak op de wettelijke rente en de buitengerechtelijke incassokosten ad € 833,-.

8. PCC heeft verweer gevoerd. Daartoe stelt PCC – samengevat – dat artikel 27 lid 1 WVO niet bedoeld is rechtstreeks rechten van [eiser] in het leven te roepen. De bepaling van artikel 27 WVO ziet op een bekostigingsvoorwaarde, die geldt in de rechtsverhouding tussen de bekostigende overheid en het schoolbestuur. PCC wordt gerekend tot het bijzonder onderwijs terwijl de bepaling waar [eiser] zich op beroept staat in titel II, afdeling I, hoofdstuk I, zijnde regelen voor het openbaar onderwijs, tevens voorwaarden voor bekostiging van het bijzonder schoolonderwijs. De bepaling is voorts niet geschreven om financiële belangen van ouders of leerlingen te dienen, maar om vroegtijdig schoolverlaten te voorkomen. De vordering van [eiser], gebaseerd op een onrechtmatige daad, voldoet niet aan het relativiteitsvereiste. De volgens [eiser] geschonden norm (zorgen dat een andere school bereid is de leerling op te nemen) strekt niet tot bescherming van het financiële belang waarin [eiser] zegt geschaad te zijn. [eiser] heeft zelf een school bereid gevonden hem toe te laten en hij heeft aldus aan de leerplicht kunnen voldoen en is hij niet geschaad doordat PCC niet voldaan zou hebben aan de (inspannings)verplichting tot het zoeken van een andere school. PCC stelt verder dat zij zich wel heeft ingespannen voor een goede keuze van vervolgonderwijs voor [eiser] en ook een school bereid heeft gevonden hem per 1 september 2011 toe te laten tot een vorm van MBO-opleiding. Tot slot stelt PCC dat op 31 juli 2011 geen definitieve verwijdering heeft plaatsgevonden, maar een uitschrijving zodat [eiser] zich kon laten inschrijven aan de nieuwe school. Indien hij zich niet elders had ingeschreven, had PCC hem weer toegelaten.

9. Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

10. Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] recht heeft op vergoeding van het door hem betaalde cursusgeld aan ROC Horizon College.

11. [eiser] heeft aan zijn vordering primair een toerekenbare tekortkoming en subsidiair een onrechtmatige daad ten grondslag gelegd. De tekortkoming baseert [eiser] op de schending van de in artikel 27 WVO neergelegde verplichting. In haar verweer maakt PCC geen onderscheid tussen de beide grondslagen, omdat de reikwijdte van de zorgplicht volgens haar in beide situaties dezelfde is.

12. Partijen twisten over de vraag of er tussen partijen een onderwijsovereenkomst bestaat. De kantonrechter stelt voorop dat de precieze kwalificatie van de rechtsverhouding in het midden kan blijven, omdat tussen partijen niet (wezenlijk) ter discussie staat dat het handelen van PCC moet worden beoordeeld naar de norm van hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam onderwijsinstituut mag worden verwacht, ongeacht de vraag of aan de rechtsverhouding een overeenkomst ten grondslag ligt.

13. [eiser] heeft aangevoerd dat PCC hem in strijd met het bepaalde in artikel 27, eerste lid van de WVO van school heeft verwijderd nu het PCC geen andere school bereid had gevonden om [eiser] toe te laten en zich hier in het geheel niet voor heeft ingespannen. Daarmee heeft PCC haar zorgplicht geschonden. PCC heeft in dit kader gesteld dat zij het Horizon College bereid had gevonden om [eiser] tot de MBO-opleiding toe te laten, dat dit ook vele malen aan [eiser] en zijn ouders is geadviseerd maar dat [eiser] absoluut niet de MBO-opleiding wilde volgen maar de VAVO-opleiding wilde. [eiser] heeft betwist dat PCC een onderwijsinstelling bereid heeft gevonden om hem toe te laten.

14. De kantonrechter stelt voorop dat een leerling in beginsel alleen definitief verwijderd kan worden wanneer het bevoegd gezag een andere school bereid heeft gevonden de leerling toe te laten. De redelijkheid en het primaire belang, namelijk een zo goed mogelijke schoolloopbaan van de leerling, vereisen dat de school een andere school zoekt. De primaire verantwoordelijkheid voor inschrijving, en dus de keuze van school waar de leerling wordt ingeschreven, ligt bij de ouders. Vast staat dat [eiser], nu hij voor een tweede maal zou doubleren, PCC zou moeten verlaten. Eveneens staat vast dat PCC [eiser] heeft geadviseerd om de MBO-opleiding te volgen. Verder staat vast dat [eiser] en zijn ouders het niet eens waren met het advies van PCC en dat [eiser] graag de HAVO-opleiding wilde volgen. PCC heeft onbetwist gesteld dat er geen schriftelijke bevestiging van de bereidheid van het Horizon College is en dat de oorzaak daarvan is dat de ouders geen MBO-opleiding wilden zodat ook geen bevestiging kon worden verkregen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] bereid was om de MBO-opleiding op het Horizon College te willen volgen. Dit blijkt ook uit de inschrijving van [eiser] tot de VAVO-opleiding op 13 september 2011. Indien ouders en leerling zich ondanks het overleg met de school niet kunnen vinden in het formele besluit van de school, dan staan er voldoende wegen open om dit besluit aan te vechten. Ouders kunnen zich allereerst wenden tot de klachtencommissie waarbij de school is aangesloten. De school kan dan op basis van het advies van deze commissie haar besluit heroverwegen. Indien de leerling en de ouders het ook met dit besluit niet eens zijn kunnen ze formeel bezwaar maken bij de school. Ten slotte kan het besluit worden aangevochten bij de burgerlijke rechter in geval van een bijzondere school. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] deze weg heeft gevolgd om het besluit van PCC aan te vechten.

De kantonrechter is gelet op bovenstaande omstandigheden van oordeel dat PCC genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat zij het Horizon College bereid heeft gevonden om [eiser] tot de MBO-opleiding toe te laten. Dat [eiser] zich niet heeft aangemeld bij het Horizon College voor de MBO-opleiding komt voor zijn rekening en risico en ondersteunt niet zijn stelling dat PCC geen andere school had gevonden die [eiser] wilde toelaten. Onbetwist is, en derhalve staat vast, dat geen sprake is geweest van verwijdering door het PCC en dat [eiser] na de gebleken bereidheid van het Horizon College om [eiser] toe te laten tot de MBO-opleiding gesproken heeft met het Horizon College voor de aanmelding voor de VAVO-opleiding en dat hij zich ook daadwerkelijk voor die opleiding heeft ingeschreven. [eiser] heeft derhalve zelf gekozen voor een commerciële opleiding. De conclusie van het voorgaande is dan ook dat PCC haar zorgplicht niet heeft geschonden.

15. [eiser] heeft subsidiair aan zijn vordering ook een onrechtmatige daad ten grondslag gelegd, bestaande in een schending van de hiervoor besproken zorgplicht. Nu niet is komen vast te staan dat PCC is tekortgekomen in de nakoming van die zorgplicht, kan een onrechtmatige daad van PCC evenmin worden aangenomen.

16. Het bovenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

17. De uitslag van de procedure brengt mee dat de proceskosten voor rekening van [eiser] komen. Daarbij zullen geen punten worden toegekend voor het salaris van de gemachtigde van PCC, nu die gemachtigde kennelijk in (loon)dienst is bij PCC.

De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor PCC worden vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. Merkus, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en op 2 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter