Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2797

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
C/14/142594 / ES RK 12-1591
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank ziet in de feiten en omstandigheden aanleiding om de zorg 50/50 te verdelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

HZ

zaaknummer / rekestnummer: C/14/142594 / ES RK 12-1591

beschikking van 12 februari 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. R.A. van Wijk, gevestigd te Hoofddorp,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. A.I. Lunshof, gevestigd te Zwaag.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 19 december 2012;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.

- aanvullende financiële stukken van de vrouw.

- aanvullende financiële stukken van de man.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2013.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Van Wijk, alsmede de man, bijgestaan door mr. Lunshof.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats].

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Zowel de vrouw als de man hebben ieder een eenzijdig door hen opgesteld ouderschapsplan overgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam gebleken dat overlegging van een door beide partijen ondertekend ouderschapsplan redelijkerwijs niet mogelijk is.

2.3.2

De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De man heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.4.

Verblijfplaats van de minderjarigen en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling).

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn. Ter zitting heeft de vrouw verzocht een zorgregeling vast te stellen waarbij de minderjarigen een weekend in de veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag naar school bij de man verblijven en verder in onderling overleg. Vakanties verzoekt de vrouw bij helfte te bepalen en feestdagen in onderling overleg.

2.4.2.

De man heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de man zal zijn en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw zal zijn. Voorts heeft hij verzocht een zorgregeling vast te stellen, waarbij de minderjarigen om de week bij ieder van de ouders zullen zijn, met als wisselmoment maandagmiddag uit school.

De man heeft ter onderbouwing van zijn verzoeken aangevoerd dat hij een zorgregeling voorstaat waarbij de minderjarigen in een zogenoemde week op/week af-regeling afwisselend bij de vrouw, dan wel de man zijn. De man is van mening dat een zorgregeling waarbij de minderjarigen de helft van de tijd bij elk van de ouders doorbrengen, het meest in hun belang is. In het verlengde daarvan acht de man het wenselijk dat [minderjarige] bij hem haar hoofdverblijf heeft en [minderjarige] bij de vrouw. Al vanaf het uiteengaan van partijen heeft de man zijn wensen omtrent de zorgregeling bij de vrouw kenbaar gemaakt, maar tevergeefs.

2.4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

De vrouw heeft ter zitting erkend dat de man reeds vanaf het uiteengaan van partijen heeft aangegeven een gelijke verdeling van de zorg voor te staan. De vrouw heeft ter zitting niet gemotiveerd waarom de door haar voorgestane weekendregeling het meest in het belang van de minderjarigen zou zijn. Gebleken is dat partijen in dezelfde plaats wonen en allebei flexibele werktijden hebben. De man heeft ter zitting gemotiveerd de stelling van de vrouw betwist dat hij er niet zou kunnen zijn voor de minderjarigen in verband met zijn werk. Hij zal gebruik moeten maken van opvang voor de minderjarigen, maar dat geldt ook voor de vrouw, zoals ter zitting is gebleken. Partijen hebben allebei een nieuw gezin en ouders in de buurt op wie zijn een beroep kunnen doen. Er zijn naar het oordeel van de rechtbank geen signalen dat een gelijke verdeling van de zorgtaken niet in het belang van de minderjarigen zou zijn. De vrouw heeft daarbij ter zitting verklaard dat de minderjarigen het goed hebben bij de man en vrolijk thuiskomen. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een zorgregeling waarbij de zorg gelijk over de ouders is verdeeld in het belang van de minderjarigen is en zal overeenkomstig het verzoek van de man bepalen dat de minderjarigen om de week bij de man verblijven. De vrouw heeft ter zitting verzocht te bepalen dat de vakanties en de feestdagen bij helfte worden verdeeld, in onderling overleg nader te bepalen. De rechtbank is van oordeel dat een vakantie- en feestdagenregeling in het belang van de minderjarigen is en zal deze in de beschikking vastleggen.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats is de rechtbank van oordeel dat deze voor beide minderjarigen bij dezelfde ouder dient te zijn. De verhouding tussen partijen is niet slecht, maar ook niet van dien aard dat het hebben van verschillende hoofdverblijfplaatsen voldoende door partijen gedragen kan worden. Een verschil in hoofdverblijfplaats voor de minderjarigen zou kunnen leiden tot verschillen tussen de kinderen op het gebied van bijvoorbeeld de besteding van de kinderbijslag of ten aanzien van de zorgregeling overstijgende kosten, zoals kleding, sport en onderwijskosten. Deze verschillen dienen te worden vermeden, nu dit niet in het belang van de minderjarigen is. Dat neemt uiteraard niet weg, integendeel, dat partijen als verantwoordelijke ouders met elkaar over deze zaken dienen te overleggen. Het verzoek van de man zal dan ook worden afgewezen, onder toewijzing van het verzoek van de vrouw, nu dit verzoek de rechtbank gegrond en rechtmatig voorkomt. Niet gebleken is dat het belang van de minderjarigen zich verzet tegen toewijzing van het verzoek.

2.5.

Onderhoudsbijdrage

2.5.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 475,00 per maand per kind.

2.5.2.

De man heeft bestreden de draagkracht te hebben om de verzochte kinderbijdrage te kunnen voldoen.

2.5.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu er geen ingangsdatum is verzocht, zal een eventuele kinderbijdrage worden vastgesteld met ingang van de datum inschrijving van deze beschikking. Gelet op het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen (hierna: Tremarapport) dient derhalve de kinderbijdrage berekend te worden aan de hand van de richtlijnen zoals deze door de Expertgroep zijn vastgesteld met ingang van 1 april 2013. Bij de bepaling van de draagkracht gaat de rechtbank uit van de richtlijnen conform de versie van het Tremarapport van januari 2014. De rechtbank houdt voorts rekening met de fiscale regelgeving zoals deze geldt vanaf
1 januari 2014.

de behoefte

De man heeft onweersproken gesteld dat de behoefte van de minderjarigen € 537,50 per kind per maand bedraagt. Hierop dient het kindgebonden budget in mindering te worden gebracht. De vrouw heeft ter zitting verklaard dit budget niet te hebben aangevraagd, noch heeft zij aangetoond of zij wel of geen recht heeft op het kindgebonden budget. Dit had op haar weg gelegen. Gezien het inkomen van de vrouw zal de rechtbank met een kindgebonden budget van € 120,00 per maand rekening zal houden. De behoefte is aldus € 477,50 per kind per maand.

Teneinde te kunnen vaststellen met welk aandeel ieder van partijen kan bijdragen in de behoefte van de minderjarigen, dient de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van zowel de vrouw als de man vast te stellen.

draagkracht van de vrouw

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de vrouw de loonspecificaties van september 2013 en oktober 2013 zoals die door de vrouw zijn overgelegd. Uitgaande van de betalingen en inhoudingen op deze specificaties heeft de vrouw een bruto jaarinkomen van € 27.730,00. Rekening houdend met de op de vrouw van toepassing zijnde heffingskortingen (de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) bedraagt het NBI van de vrouw € 1.771,00 per maand.

Gelet op de draagkrachttabel, behorende bij het Tremarapport, kan de draagkracht van de vrouw als volgt worden berekend:

70% (NBI – (0.3 x NBI + 850) = € 273,00 per maand, oftewel € 136,50 per kind per maand.

draagkracht van de man

De man heeft een eigen onderneming, zijnde een eenmanszaak. De man heeft gesteld dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat het resultaat over de jaren 2010 tot en met 2012 als volgt was: over 2010 negatief zijnde - € 14.262,00 (productie 2, pagina 6), over 2011
€ 45.801 en over 2012 € 21.063,00 (productie 4, IB-aangifte en jaarstukken). De post buitengewone baten dient buiten beschouwing gelaten te worden, nu dat incidenteel is geweest en is verwerkt in de vermogensopstelling, aldus de man.

De rechtbank is van oordeel dat in casu niet uitgegaan kan worden, zoals te doen gebruikelijk, van de gemiddelde winst van de afgelopen drie jaren. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt niet hetgeen door hem is gesteld. De jaarstukken 2011 komen niet overeen met hetgeen over 2011 is opgenomen in de jaarstukken 2012. Er is een discrepantie tussen de omzet 2011 zoals vermeld in de jaarstukken 2011 (€ 261.015,00) en in de resultaatsvergelijking in de jaarstukken van 2012 (omzet 2011 € 246.715,00). De man heeft geen IB-aangifte 2011 overgelegd. Ook het resultaat uit onderneming over 2011 verschilt in de stukken over 2011 en 2012. De man heeft geen, dan wel onvoldoende uitleg gegeven over de door hem overgelegde cijfers. Ook heeft de man geen uitleg gegeven over de door de vrouw ter zitting aangehaalde passage in de conceptjaarstukken 2010, waarin is vermeld dat geen rekening is gehouden met de genoten inkomsten buiten de eenmanszaak. De man heeft over 2013 onvoldoende aangetoond wat het te verwachten resultaat zal zijn. De rechtbank ziet in deze zaak aanleiding uit te gaan van het gemiddelde resultaat over vijf jaren, zijnde de jaren 2008 tot en met 2012, zoals opgenomen in de overgelegde jaarstukken. Gelet op de discrepantie in de resultaatcijfers in de jaarstukken zal de rechtbank daarbij tevens uitgaan van het hoogst genoemde resultaat in deze stukken. Dit betekent:

2008: € 79.132,00

2009: € 139.153,00

2010: - € 5.751,00

2011: € 78.141,00

2012: € 39.276,00

= het gemiddelde resultaat bedraagt aldus € 65.990,00.

De rechtbank houdt geen rekening met de buitengewone baten zoals door de man gesteld. De man heeft niet aangetoond of uitgelegd waarop deze buitengewone baten zien. Bovendien blijkt uit de jaarstukken 2011 niet van deze buitengewone baten, terwijl deze over dat jaar wel in de jaarstukken 2012 zijn opgenomen. Daarmee is dan geen sprake meer van een incidenteel karakter, nu deze ook over 2012 worden vermeld. Een onderbouwing ontbreekt.

De rechtbank houdt rekening met de op de man van toepassing zijnde heffingskortingen. Het NBI van de man bedraagt aldus € 3.814,00 per maand.

Gelet op de draagkrachttabel, behorende bij het Tremarapport, kan de draagkracht van de man als volgt worden berekend:

70% [NBI – (0.3 x NBI + 850)] = € 1.274,00 per maand. Rekening houdend met het fiscaal voordeel van € 70,00 per maand bedraagt de draagkracht van de man € 1.344,00 per maand.

De man heeft ter zitting onweersproken gesteld dat hij voor zijn 18-jarige zoon uit een eerdere relatie een kinderbijdrage dient te betalen van € 475,00 per maand, maar dat hij deze bijdrage in overleg met de moeder van de jongen op dit moment niet betaalt. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de wettelijke onderhoudsplicht van de man naar zijn zoon, de draagkracht van de man over drie kinderen verdeeld dient te worden. De draagkracht van de man bedraagt aldus € 448,00 per kind per maand, oftewel € 896,00 in totaal ten behoeve van [minderjarige] en [minderjarige].

De man heeft ten slotte gesteld dat bij de berekening van zijn draagkracht rekening gehouden dient te worden met een aantal schulden en lasten. Daartoe is namens de man ter zitting gesteld dat partijen met de privéonttrekkingen tijdens het huwelijk op te grote voet hebben geleefd. De man heeft gesteld dat de zaken slecht gaan, dat de schulden hoger zijn dan de winst en dat een faillissement dreigt. Namens de vrouw is ter zitting onweersproken gesteld dat over de jaren 2009 tot en met 2012 privé-onttrekkingen zijn gedaan van respectievelijk
€ 133.069,00, € 94.007.00, € 111.339,00 en € 30.390,00. Nu uit de voorlopige saldilijst grootboekrekeningen van 26 november 2013 blijkt dat de man in 2013 - aldus nadat partijen de samenleving hebben verbroken en de man bekend is met zijn onderhoudsverplichting jegens de minderjarigen- in staat blijkt tot privéonttrekkingen van minimaal € 95.412,00 tot en met november 2013, is de rechtbank van oordeel dat de stelling van de man niet slaagt. De huidige mate van welstand is voor de man blijkbaar niet anders dan tijdens het huwelijk. Kennelijk bestaat hiervoor de benodigde financieringsruimte. De man heeft volstrekt niet inzichtelijk gemaakt wat zijn vermogenspositie is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, gelet op de consequente wijze van onttrekken aan de onderneming geen rekening gehouden dient te worden met de opgegeven schulden. Waarbij de rechtbank nog opmerkt dat schulden betreffende een betalingsachterstand in kinderalimentatie aan een eerdere partner niet ten laste van de onderhoudsverplichting naar andere minderjarigen kunnen gaan. Ook zakelijke schulden komen doorgaans niet in aanmerking voor verlaging van de draagkracht, nu deze in de resultaten van de onderneming dienen te worden opgenomen. De man draagt per maand bij in de studie van zijn 21-jarige dochter, voor wie de man niet meer onderhoudsplichtig is. De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de man deze last uit zijn vrije ruimte dient te voldoen.

Tenslotte merkt de rechtbank op dat de man geen -onderbouwd- beroep heeft gedaan op de aanvaardbaarheidstoets, laat staan heeft aangetoond dat er sprake is van een onaanvaardbare situatie.

draagkrachtvergelijking

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen (zijnde € 1.169,00 per maand) de totale behoefte van de minderjarigen (zijnde € 955,00 per maand) overstijgt, dient een draagkrachtvergelijking te worden gemaakt.

De verdeling van de kosten over beide ouders kan dan berekend worden volgens de formule: ‘ieders draagkracht gedeeld door totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte’, oftewel:

het aandeel van de vrouw: 273 / 1169 x 955 = € 223,00 per maand;

het aandeel van de man: 896 / 1169 x 955 = € 732,00 per maand.

zorgkorting

Gelet op de door de rechtbank vast te stellen zorgregeling houdt de rechtbank conform het Tremarapport rekening met een zorgkorting van 35%. De zorgkorting wordt berekend over de behoefte en in mindering gebracht op het door de man te betalen aandeel.

De zorgkorting bedraagt in dit geval 35% x € 955,00 = € 334,00 per maand. Het aandeel van de man komt daarmee op € 398,00 per maand, oftewel € 199,00 per kind per maand. De rechtbank is van oordeel dat de man geacht kan worden deze kinderbijdrage te betalen.

6. Verdeling

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt afgesplitst. De man heeft hiermee ingestemd.

2.6.2.

Conform het verzoek van partijen, zal de zaak ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats], op [huwelijksdatum];

3.2.

bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], bij de vrouw zal zijn.

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- de minderjarigen verblijven om de week bij de man, met als wisselmoment maandagmiddag uit school;

- de vakanties en de feestdagen worden bij helfte verdeeld, nader in onderling overleg te bepalen.

3.4.

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van genoemde minderjarigen op € 199,00 per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

3.5.

verklaart de beslissing met betrekking tot de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

houdt iedere verdere behandeling met betrekking tot de tussen partijen in geschil zijnde verdeling van algehele gemeenschap van goederen pro forma aan tot donderdag

14 april 2014 en bepaalt dat conform artikel 9.3 van het procesreglement scheiding uiterlijk vier weken vóór deze datum na te melden bescheiden in het geding dienen te worden gebracht:

  • -

    een bewijs van inschrijving van de echtscheiding;

  • -

    een overzicht per datum ontbinding van de samenstelling van de gemeenschap(pen) en de waarde van de verschillende boedelbestanddelen per overeengekomen peildatum, dan wel, indien geen overeenstemming over de peildatum bestaat, de actuele waarde;

  • -

    indien verschil van mening bestaat over de waarde, de wijze waarop de waarde moet worden vastgesteld vergezeld van een voorstel met betrekking tot eventueel te benoemen taxateur(s):

  • -

    een voorstel tot verdeling.

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 12 februari 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.