Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2502

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
25-04-2014
Zaaknummer
C14/148039 / FA RK 13/1644
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De grootouders van moederszijde hebben verzocht om een omgangsregeling tussen hen en hun kleinzoon vast te stellen. De moeder van de minderjarige is ten gevolge van een

auto-ongeluk overleden. Vervolgens is de verstandhouding tussen de grootouders en de vader van de minderjarige verslechterd. Op een gegeven moment stond de vader het contact tussen de grootouders en de minderjarige niet meer toe. De rechtbank heeft een omgangsregeling tussen de grootouders en de minderjarige vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2014/84
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

DL

zaak- en rekestnummer: C/14/148039 / FA RK 13/1644

datum: 19 maart 2014

Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken

in de zaak van:

[grootvader],

en

[grootmoeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekende partij,

advocaat: mr. J.M.H. Devis,

tegen:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

gerekwestreerde,

advocaat: mr. B. Bos.

Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de grootouders c.q. grootvader of grootmoeder en de vader.

HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Ter griffie van deze rechtbank is op 15 augustus 2013 een verzoekschrift van de grootouders ingekomen, waarin wordt verzocht om te bepalen:

  • -

    dat de grootouders de eerste drie maanden om de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang zullen hebben met de minderjarige: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige]);

  • -

    nadat drie maanden zijn verstreken [minderjarige] (naast hetgeen hierboven genoemd) iedere maand van zaterdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de grootouders blijft logeren;

  • -

    [minderjarige] enkele dagen in de schoolvakanties bij de grootouders blijft logeren;

  • -

    [minderjarige] op de verjaardagen van de grootmoeder (10 februari) en grootvader (20 juni) bij de grootouders is van 16.00 uur tot 18.30 uur;

  • -

    [minderjarige] een gedeelte van de feestdagen bij de grootouders is;

  • -

    althans een zodanige omgangsregeling vast te stellen tussen de grootouders en [minderjarige] die de rechtbank juist acht.

Op 10 februari 2014 is ter griffie van deze rechtbank een verweerschrift van de vader ingekomen, waarin wordt verzocht om het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling af te wijzen.

De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 12 februari 2014, alwaar zijn verschenen: de grootouders bijgestaan door mr. Devis voornoemd alsmede de vader bijgestaan door mr. Bos voornoemd.

Ter zitting zijn door mr. Bos nadere producties overgelegd.

DE BEHANDELING VAN DE ZAAK

De feiten

[minderjarige] is geboren uit een affectieve relatie. [minderjarige] is door de vader erkend. De moeder van [minderjarige] is op 15 juli 2012 overleden ten gevolge van een auto-ongeluk. Na het overlijden van de moeder is de vader met het ouderlijk gezag belast over [minderjarige].

De grootouders zijn de ouders van de moeder. Sinds het voorjaar van 2013 is het contact tussen [minderjarige] en de grootouders verbroken.

Het standpunt van de grootouders

Namens de grootouders is het volgende gesteld.

De ouders woonden op enkele minuten afstand van de grootouders en er was dagelijks contact. Na de geboorte van [minderjarige] werd de band tussen de grootouders en de ouders nog hechter. De grootouders pasten vaak op [minderjarige] en [minderjarige] bleef regelmatig bij de grootouders logeren. Na het overlijden van de moeder ontlastten de grootouders de vader waar zij konden. Zo hielp de grootmoeder de vader in het huishouden, kwamen de vader en [minderjarige] regelmatig bij de grootouders eten, ging de grootvader altijd met [minderjarige] naar peuterzwemmen en bracht de grootmoeder [minderjarige] naar het consultatiebureau.

Enkele maanden na het overlijden van de moeder van [minderjarige] kreeg de vader een nieuwe relatie. De vader en de grootouders kregen vervolgens een conflict, omdat de vader vlak voor de rechtszaak tegen de verdachte van het auto-ongeluk van de moeder een weekend weg ging met zijn nieuwe vriendin. Dit was ook nog eens het (jaarlijkse) weekend dat partijen met elkaar een weekend naar de Efteling zouden gaan met [minderjarige].

Sindsdien verslechterde het contact tussen de vader en de grootouders. De vader stelde voorwaarden aan de omgang tussen [minderjarige] en de grootouders en uiteindelijk heeft de vader een half jaar na het overlijden van de moeder besloten om het contact met de grootouders te verbreken. De grootouders hebben de huisarts en Stichting de Wering ingeschakeld om te bemiddelen tussen partijen, dit heeft echter niet tot het gewenste resultaat geleid. De vader heeft ook afwijzend gereageerd op brieven van de grootouders en de zus van de moeder, die eveneens gepoogd heeft om te bemiddelen. De grootouders betreuren dit omdat zij ontzettend veel van [minderjarige] houden en [minderjarige] missen. Daarbij is het volgens de grootouders tevens in het belang van [minderjarige] dat het contact met hen in stand blijft. De grootouders zijn van mening dat zij in een ‘nauwe persoonlijke betrekking’ tot [minderjarige] staan en volgens hen zijn er geen bezwaren ten aanzien van de omgang en zij wensen dan ook dat de door hen verzochte regeling zal worden vastgesteld.

Het standpunt van de vader

Namens de vader is het volgende aangevoerd.

Het is juist dat partijen bij elkaar in de buurt woonden en dat de moeder dagelijks naar haar ouders ging. Direct na het overlijden van de moeder hebben de vader en [minderjarige] een aantal keer bij de grootouders gegeten. Er moest veel worden geregeld voor de begrafenis en partijen handelden uit wederzijds respect naar elkaar. Op een gegeven moment begon de vader het vervelend te vinden dat de grootmoeder huishoudelijke taken bij hem thuis verrichtte, waardoor de vader zich niet meer thuis voelde in zijn eigen huis. Uiteindelijk heeft de vader het slot op zijn voordeur vervangen.

De vader is van mening dat de grootouders zich in deze periode bemoeizuchtig hebben opgesteld. De vader is in gesprek gegaan met de grootouders toen bleek dat de grootouders er moeite mee hadden dat de vader het weekend voor de rechtszaak weg zou gaan met zijn nieuwe vriendin. De vader is echter boos op hen geworden, nadat de grootouders een e-mail naar zijn vriendin hebben gestuurd waaruit hun afkeuring bleek. Dit conflict is echter niet de reden waarom de vader niet open staat voor contactherstel tussen [minderjarige] en de grootouders. De vader is van mening dat de grootouders zich niet alleen bemoeizuchtig, maar ook manipulerend opstelden. Volgens de vader hielden de grootouders zich niet aan de afspraken, die partijen met betrekking tot [minderjarige] hebben gemaakt. Daarbij reageerde [minderjarige] volgens de vader niet goed op het contact met zijn grootouders. [minderjarige] werd betrokken bij de rouwverwerking van de grootouders. Zo werd [minderjarige] door hen meegenomen naar het graf van zijn moeder en hebben de grootouders de peuterspeelzaal benaderd om handafdrukken van [minderjarige] te verkrijgen voor in de grafsteen van zijn moeder. Volgens de vader is dit slecht voor de ontwikkeling van [minderjarige]. Volgens de vader is [minderjarige] zelfs bang voor zijn grootmoeder en slaapt hij slecht, omdat hij enge dromen heeft over haar. De vader heeft bovengenoemde bezwaren ook naar voren gebracht tijdens een gesprek bij Stichting de Wering. De vader begrijpt dat de grootouders verdriet hebben. De vader is echter van mening dat er sprake was van aanmerkelijke onrust en spanningen die voortvloeiden uit de omgang tussen de vader, [minderjarige] en de grootouders. De vader verzoekt dan ook om het verzoek van de grootouders af te wijzen. De vader sluit niet uit dat er sprake van omgang kan zijn, nadat de grootouders hun verdriet beter hebben kunnen verwerken en dit niet meer projecteren op [minderjarige].

De mondelinge behandeling

Namens de grootouders is naar voren gebracht dat hun gedragingen na het overlijden van hun dochter verkeerd zijn geïnterpreteerd door de vader. De grootouders voelden zich geroepen om de vader en [minderjarige] te helpen. De grootmoeder is erg geraakt door de opmerking dat [minderjarige] bang voor haar zou zijn. Sinds het contact tussen de grootouders en [minderjarige] is verbroken, zijn de grootouders [minderjarige] drie keer per toeval tegengekomen, waaronder recentelijk in de supermarkt. Alle drie de keren omhelsde [minderjarige] zijn grootouders en gaf hij aan hen te missen. [minderjarige] vertelde dat zijn vader boos is op zijn grootouders. De grootouders willen het contact met [minderjarige] zo snel mogelijk herstellen.

De grootouders hebben er ter zitting blijk van gegeven dat zij in de periode direct na het overlijden van hun dochter door het verdriet dat zij hadden en de emotie die zij voelden bepaalde dingen hebben gedaan, die zij nu niet meer zouden doen. Zo zien zij nu in dat zij [minderjarige] te veel hebben betrokken bij hun rouwverwerking. Inmiddels zijn zij ruim een jaar verder en hebben de grootouders hulpverlening ontvangen om het verlies van hun dochter te verwerken en zij zullen [minderjarige] hier niet meer mee belasten. De grootouders hebben zich uitdrukkelijk bereid verklaard om door middel van mediation te willen werken aan een verbetering van de verstandhouding met de vader.

Namens de vader is naar voren gebracht dat het contact volgens de vader minder frequent was dan wordt gesteld, maar dat de vader niet betwist dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de grootouders. De vader heeft ter zitting desgevraagd aangegeven het belang van contact tussen [minderjarige] en de grootouders in te zien. Desondanks is de vader van mening dat omgang op dit moment niet in het belang van [minderjarige] is. De problemen tussen partijen zijn na het overlijden van de moeder ontstaan. Inmiddels zijn partijen dusdanig van elkaar verwijderd geraakt dat er geen communicatie mogelijk is. Sinds het contact tussen de grootouders en [minderjarige] is verbroken, heeft [minderjarige] rust gekregen. De vader is van mening dat de grootouders verder moeten zijn in hun rouwverwerking dan thans het geval is. In ieder geval dient te worden gewacht met het herstellen van het contact totdat [minderjarige] een beter gevoel heeft over het contact. Daarbij vreest de vader dat de grootmoeder zich net zo dwingend en manipulerend zal gedragen richting [minderjarige], zoals zij zich in het verleden tegen de moeder heeft gedragen. De vader wil [minderjarige] hier tegen beschermen.

Naar aanleiding van de door de vader naar voren gebrachte zorgen is namens de vader verzocht om de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) onderzoek te laten doen naar de wenselijkheid van omgang.

DE BEOORDELING

Conform het bepaalde in artikel 1: 377a Burgerlijk Wetboek (BW) heeft onder meer degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot een minderjarige staat het recht op omgang met deze minderjarige. Van een nauwe persoonlijke betrekking wordt gesproken als sprake is van een band die op grond van artikel 8 EVRM kan worden aangemerkt als ‘family life’. Het recht op omgang kan alleen worden ontzegd als zich een van de in het derde lid van voornoemd artikel genoemde ontzeggingsgronden voordoen.

De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De eerste vraag die ter beoordeling voorligt is of de grootouders kunnen worden ontvangen in hun verzoek. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de grootouders zeer betrokken waren bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] en veelvuldig contact met hem hebben gehad. Hoewel het contact volgens de vader minder frequent was dan door de grootouders werd gesteld is namens de vader aangegeven dat hij niet betwist dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking. De rechtbank is ook van oordeel dat deze contacten ruimer waren dan de gebruikelijke, in het dagelijks verkeer plaatsvindende contacten tussen grootouders en hun kleinkind, zodat geconcludeerd kan worden dat de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staan en daarmee ontvankelijk zijn in hun verzoek.

Uit artikel 1: 377a BW blijkt dat omgang het uitgangspunt is en dat omgang alleen wordt ontzegd indien zich een van de zoals hiervoor vermelde ontzeggingsgronden voordoet. Genoemde ontzeggingsgronden hebben als gemeenschappelijk kenmerk dat omgang wordt ontzegd als deze in strijd is met de zwaarwegende belangen van het kind. Thans dient te worden beoordeeld of dit het geval is.

De rechtbank is van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat de omgang met zijn grootouders wordt hersteld, zodat hij de mogelijkheid krijgt om zijn herkomst van moederszijde beter te leren kennen, hetgeen in het belang van zijn identiteitsontwikkeling is. De vader heeft ter zitting desgevraagd aangegeven het belang van omgang tussen [minderjarige] en de grootouders in te zien. Desondanks heeft de vader bezwaren tegen omgang. Zijn bezwaren zijn drieërlei. De vader vindt het heel vervelend dat de grootouders de met hem gemaakte afspraken geregeld niet zijn nagekomen. Daarnaast is de vader van mening dat de grootmoeder manipulatief is en vreest hij ervoor dat [minderjarige] net als zijn moeder door haar zal worden gemanipuleerd. Tot slot heeft de vader aangegeven dat [minderjarige] bang is voor zijn grootmoeder. De rechtbank zal de bezwaren van de vader hieronder één voor één behandelen.

Ter zitting is duidelijk geworden dat de grootouders niet bewust het gezag van de vader hebben ondermijnd, maar dat er sprake was van miscommunicatie tussen partijen. Daarbij hebben de grootouders vanuit hun eerste emoties na het overlijden van hun dochter niet altijd weloverwogen gehandeld, waardoor de irritaties zijn opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen is voorgevallen niet van dien aard is dat omgang niet meer in het belang van [minderjarige] kan worden geacht. Daarbij hebben de grootouders ter zitting aangegeven dat dit niet meer zal gebeuren, mede omdat zij thans met behulp van hulpverlening beter in staat zijn om het overlijden van hun dochter een plek te geven.

Het standpunt van de vader dat de grootmoeder te veel invloed zal hebben op [minderjarige], omdat zij volgens de vader te veel invloed op de moeder had, wordt door de rechtbank verworpen. Enerzijds is dit standpunt onvoldoende onderbouwd. Anderzijds dient te worden opgemerkt dat een relatie tussen een moeder en haar kind anders is dan een relatie tussen een

grootmoeder en haar kleinkind. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat de moeder werd beïnvloed door de grootmoeder dan is daarmee nog niet gezegd dat [minderjarige] bij een omgangsregeling van een aantal uur per maand in dezelfde invloedsfeer zal raken als zijn moeder destijds.

De vader heeft evenmin onderbouwd waarom [minderjarige] bang zou zijn voor de grootmoeder en hierom niet zou kunnen slapen. Dit is tevens in tegenspraak met de ter zitting door de vader overgelegde stukken, waaruit naar de stelling van de vader zelf blijkt dat het op dit moment juist zo goed gaat met [minderjarige]. De rechtbank kan dan ook niet uitsluiten dat het de vader is die weerzin heeft veroorzaakt bij [minderjarige] ten aanzien van het contact met zijn grootouders, omdat hij zelf negatief over dit contact denkt.

Uit het voorgaande volgt dat er geen zwaarwegende belangen van [minderjarige] zijn, die zich tegen omgang tussen [minderjarige] en zijn grootouders verzetten.

[minderjarige] heeft inmiddels al een jaar lang geen contact meer gehad met zijn grootouders. Aangezien de vader heeft aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige], gaat de rechtbank ervan uit dat [minderjarige] over voldoende draagkracht beschikt om het contact met zijn grootouders te hervatten. Uit de recente ontmoetingen met de grootouders blijkt dat [minderjarige] in een klassiek loyaliteitsconflict is geraakt. Daarom is het van groot belang dat de vader zich over zijn eigen weerzin heen zet en naar [minderjarige] gaat uitdragen dat hij het contact met de familie van zijn overleden moeder steunt.

De grootouders dienen zich op hun beurt te voegen in hun rol als grootouders. Dit betekent dat van hen verwacht wordt dat zij leuke dingen met [minderjarige] zullen doen. Hierbij wordt gedacht aan activiteiten die grootouders gebruikelijk met hun kleinkinderen ondernemen, zoals bijvoorbeeld spelletjes doen of naar de speeltuin gaan. Het is van groot belang dat zij hun rol als grootouder op verantwoorde wijze invulling zullen geven en [minderjarige] niet zullen betrekken bij de rouwverwerking van hun dochter.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de rechtbank zich voldoende voorgelicht om een beslissing te nemen met betrekking tot de omgang. Deze zaak zal daarom niet voor onderzoek worden verwezen naar de Raad.

De rechtbank is van oordeel dat omgang tussen [minderjarige] en zijn grootouders in het belang van [minderjarige] kan worden geacht en zal een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de omgang gefaseerd zal worden opgebouwd en dat zal worden toegewerkt naar een regeling van eenmaal per maand op zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] naar de grootouders zal brengen en de grootouders [minderjarige] op de afgesproken tijd terug zullen brengen. De eerste keer zal de omgang slechts twee uur duren en vervolgens zal de omgang ieder omgangsmoment met een uur worden uitgebreid, zodat [minderjarige] de mogelijkheid krijgt om voorzichtig weer te wennen aan het contact met zijn grootouders.

De rechtbank zal tevens bepalen dat de grootouders, zolang de omgangsregeling zich in de opbouwende fase bevindt, in en om het huis dienen te blijven. Daarna staat het de grootouders vrij om de tijd tijdens de omgang zelf in te vullen.

De rechtbank hecht er ten slotte aan op te merken dat het op de weg van partijen ligt te werken aan herstel van hun onderlinge communicatie en geeft hen in overweging alsnog in mediation te gaan, nu dat werkelijk in het belang van [minderjarige] is.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

DE BESLISSING

De rechtbank:

Bepaalt dat tussen de grootouders en de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], de volgende gefaseerde omgangsregeling zal gelden:

  • -

    [minderjarige] zal op zondag 30 maart 2014 vanaf 12.00 uur tot 14.00 uur bij de grootouders verblijven;

  • -

    [minderjarige] zal op zondag 27 april 2014 vanaf 12.00 uur tot 15.00 bij de grootouders verblijven;

  • -

    [minderjarige] zal op zondag 25 mei 2014 vanaf 12.00 uur tot 16.00 uur bij de grootouders verblijven;

  • -

    [minderjarige] zal vanaf zondag 22 juni 2014 eenmaal per vier weken vanaf 12.00 uur tot 17.00 uur bij de grootouders verblijven.

Bepaalt dat de vader [minderjarige] naar de grootouders zal brengen en dat de grootouders [minderjarige] zullen terugbrengen bij de vader.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af hetgeen anders of meer is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, lid van gemelde kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2014 in tegenwoordigheid van mr. D.A. Lengyel, griffier.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.