Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2500

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-02-2014
Datum publicatie
20-03-2014
Zaaknummer
15/700438-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; diefstal met bedreiging met geweld; bewijsoverweging t.a.v. bestanddeel 'bedreiging met geweld'; bewezenverklaring; straftoemeting.

Verdachte heeft zich met zijn twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een woninginbraak in een seniorencomplex, terwijl de 92-jarige bewoonster lag te slapen. Aan de buitenkant van het complex is duidelijk te zien dat dit een seniorencomplex betrof. Verdachte en zijn medeverdachten hebben uit de kast in de slaapkamer niet alleen de kluis, maar zelfs de plank waar deze aan was bevestigd ontvreemd. Het feit dat de bewoonster lag te slapen op het bed waarvan het hoofdeinde zich bevond naast de kast waaruit de diefstal plaatsvond heeft de verdachten niet weerhouden het feit te plegen. Zelfs toen aangeefster wakker werd en vroeg wat ze gingen doen werd er geantwoord: ‘Gebruiken’. De rechtbank rekent verdachte deze woninginbraak extra zwaar aan, nu deze op de bovenomschreven brutale wijze heeft plaatsgevonden en verdachte bovendien bedreigend gedrag op zijn vlucht heeft getoond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700438-13

Uitspraakdatum: 7 februari 2013

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 24 januari 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Wouters en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.L. Plas, advocaat te Bunnik, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 oktober 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis (inclusief inhoud), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die kluis onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een breekijzer ter hand heeft genomen en/of (vervolgens) in de richting van die [slachtoffer 2] is gaan staan en/of (vervolgens) die breekijzer boven zijn hoofd heeft opgeheven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2 Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 22 oktober 2013 wordt er omstreeks 23.30 uur ingebroken in de woning van aangeefster [slachtoffer 1] in Haarlem.2 Om de woning binnen te komen is een gat gemaakt in de hordeur ter hoogte van de sluiting. Hierdoor kon de hordeur worden geopend waardoor het huis kon worden betreden.3 In de kast in de slaapkamer stond een kluis die aan een plank was vastgemaakt. De kast bevond zich aan het hoofdeinde van het bed, waarin [slachtoffer 1] op dat moment lag te slapen. De kluis wordt met de plank waaraan deze was bevestigd, uit de kast weggenomen, waarbij de kastdeuren zijn ontzet. Aangeefster ziet twee personen haar kamer verlaten.4 Buiten, ter hoogte van perceel [huisnummer], wordt een persoon – naar later blijkt verdachte – aangesproken door getuige [slachtoffer 2]. Verdachte gaat in de richting van deze [slachtoffer 2] staan en heft het breekijzer in zijn handen boven zijn hoofd.5 Vervolgens rent verdachte, met in zijn handen de kluis en vergezeld door twee andere personen, naar de rode personenauto (kenteken [kenteken]) die hierna wegrijdt.6 Omstreeks 00.10 uur op 23 oktober 2013, worden verdachte en medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in voornoemde auto bij een tankstation op de A13 te Delft aangehouden. De verbalisanten treffen hierin onder andere een breekijzer en de weggenomen kluis met plank aan.7 Volgens medeverdachte [medeverdachte 2] was hij de hele avond in het gezelschap van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en is niemand tussendoor alleen met de auto weggeweest.8 De telefoon van verdachte straalt op het moment van de woninginbraak een zendmast aan in de buurt van voornoemde woning. Vervolgens verplaatst de telefoon zich over de A4 in de richting van Delft.9

3.3 Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het bestanddeel “bedreiging met geweld”, omdat verdachte niet aan het signalement voldoet van de persoon die met het breekijzer in zijn handen heeft gestaan. Voorts blijkt niet dat verdachte anderszins de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat door deze persoon middels het breekijzer zou worden gedreigd. Bovendien zijn de verklaringen van getuige [slachtoffer 2] niet eenduidig en kan daar niet uit worden geconcludeerd dat de vermeende bedreiging zou zijn gepleegd met het oogmerk de vlucht mogelijk te maken en/of het bezit van het gestolene te verzekeren.

De rechtbank volgt de raadsvrouw niet in haar betoog en overweegt hieromtrent als volgt. Getuige [slachtoffer 2] heeft verklaard dat een man een breekijzer boven zijn hoofd brengt en daarmee dreigend in zijn richting staat wanneer getuige hem vraagt of hij hier (in het seniorencomplex, rechtbank) thuishoort. Daardoor is bij [slachtoffer 2] een redelijke vrees ontstaan dat hij met het breekijzer zou worden geslagen. Bovendien heeft [slachtoffer 2] direct verdachte herkend op een foto als degene die met het breekijzer in zijn handen stond. Tevens is verdachte één van de drie mannen die in de auto stappen waarin niet veel later een breekijzer en de buit van de diefstal worden aangetroffen. De bovengenoemde omstandigheden in combinatie met het feit dat kort voor de melding van [slachtoffer 2] een inbraak is gemeld in hetzelfde seniorencomplex maakt dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte degene is geweest die na de inbraak in de richting van getuige [slachtoffer 2] heeft gedreigd door het breekijzer boven zijn hoofd te houden.

3.4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 22 oktober 2013 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een kluis (inclusief inhoud), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die kluis onder hun bereik

hebben gebracht door middel van braak en welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte met een breekijzer in zijn hand en in de richting van en/of voor die [slachtoffer 2] is

gaan staan en vervolgens dat breekijzer boven zijn hoofd heeft opgeheven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en waarbij deze diefstal is gevolgd van bedreiging met geweld tegen personen om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers van het misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1 Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden en de hoofdelijke toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2 Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich met zijn twee medeverdachten schuldig gemaakt aan een woninginbraak in een seniorencomplex, terwijl de 92-jarige bewoonster lag te slapen. Aan de buitenkant van het complex is duidelijk te zien dat dit een seniorencomplex betrof. Verdachte en zijn medeverdachten hebben uit de kast in de slaapkamer niet alleen de kluis, maar zelfs de plank waar deze aan was bevestigd ontvreemd. Het feit dat de bewoonster lag te slapen op het bed waarvan het hoofdeinde zich bevond naast de kast waaruit de diefstal plaatsvond heeft de verdachten niet weerhouden het feit te plegen. Zelfs toen aangeefster wakker werd en vroeg wat ze gingen doen werd er geantwoord: ‘Gebruiken’. De rechtbank rekent verdachte deze woninginbraak extra zwaar aan, nu deze op de bovenomschreven brutale wijze heeft plaatsgevonden en verdachte bovendien bedreigend gedrag op zijn vlucht heeft getoond.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 307,88,- en de parkeerkosten van de zitting ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde materiële schade bestaat uit reiskosten.

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De rechtbank schat de parkeerkosten op € 2,- per uur voor de duur van 13.00 uur tot en met 17.00 uur. In totaal komt er dus nog € 8,- parkeerkosten bij de materiële schadevergoeding. Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. De vordering zal dan ook worden toegewezen voor het bedrag van € 315,88.

Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien een van de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: medeplegen van een woninginbraak] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 36f, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van tien (10) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1] geleden schade tot een bedrag van € 315,88, bestaande uit € 15,88 voor de materiële en
€ 300,- voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, tegen behoorlijk bewijs van kwijting. Bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een van de medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 315,88, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 6 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een van de medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. I.M. Nusselder, voorzitter,

mr. M. Daalmeijer en mr. S.M. Christiaan, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. C.W. van der Hoek,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 7 februari 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 31 oktober 23 oktober 2013, dossierpagina’s 235-236.

3 Proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 24 oktober 2013, dossierpagina’s 242-243.

4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 31 oktober 23 oktober 2013, dossierpagina’s 235-236 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2013, dossierpagina’s 244-245.

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] d.d. 23 oktober 2013, dossierpagina’s. 301-302 jo. proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2013, dossierpagina 310.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 30 oktober 2013, dossierpagina’s 273-274.

7 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 oktober 2013, dossierpagina’s 15-16, proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 oktober 2013, dossierpagina 37 jo. proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer 1] d.d. 31 oktober 2013, dossierpagina 259.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 23 oktober 2013, dossierpagina 156-157.

9 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 november 2013, dossierpagina’s 282-284.