Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2483

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
AWB-14_478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het onwenselijk is dat verzoekster nog langer gebruik maakt van de maatschappelijke opvang voor gezinnen. Niet aannemelijk is geworden dat een langer verblijf van verzoekster in de opvang ertoe zal leiden dat de patstelling wordt doorbroken. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/478

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 4 februari 2014 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te[woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. J. Klaas

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekster medegedeeld dat haar indicatie voor maatschappelijke opvang is vervallen en dat verzoekster uiterlijk op 4 februari 2014 de maatschappelijke opvang voor gezinnen moet verlaten.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. R. Braeken en H.J. Knotnerus-Sanstra.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een patstelling. Vaststaat dat verzoekster niet langer in de opvang voor gezinnen kan blijven. Verweerder heeft verzoekster hulp aangeboden en verklaard dat zij elders onderdak kan krijgen. Voorwaarde hiervoor is dat verzoekster bereid moet zijn zich te laten helpen. Vooralsnog heeft verzoekster een dergelijke bereidheid niet. Verzoekster heeft verklaard dat zij van mening is dat zij recht heeft op een woning. Verweerder heeft er ter zitting terecht op gewezen dat er niet zomaar een woning voor verzoekster beschikbaar is. Een woning is immers een schaars goed. Op korte termijn zal er voor verzoekster geen woning beschikbaar komen.

3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het onwenselijk dat verzoekster nog langer gebruik maakt van de maatschappelijke opvang voor gezinnen. Niet aannemelijk is geworden dat een langer verblijf van verzoekster in die opvang ertoe zal leiden dat voormelde patstelling zal worden doorbroken. Verzoekster zal zich moeten realiseren dat het van groot belang is dat zij zich laat helpen. Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat uit het hulpverleningstraject naar voren zal komen dat er zich bij verzoekster geen (ernstige) problematiek voordoet. Echter, het is van groot belang dat zij een dergelijk traject ingaat.

4.

Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijst. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

5.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 4 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: