Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2393

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
04-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_5179 en 14-316
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het verzoek om voorlopige voorziening dat betrekking heeft op de opschorting van de bijstand is niet-ontvankelijk. Verder heeft verzoeker niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres. Het tweede verzoek om voorlopige voorziening wordt om die reden afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 13/5179 en 14/316

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 4 februari 2014 in de zaken tussen

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde in de zaak met nr. 13/5179 mr. R.A. Dayala

gemachtigde in de zaak met nr. 14/316 mr. B. Mous

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2013 (het eerste primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoeker ontvangt in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) ingaande 2 december 2013 opgeschort, omdat er onduidelijkheid bestaat over verzoekers woonsituatie.

Verzoeker heeft tegen dit primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 13/5179.

Bij besluit van 29 januari 2014 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang. Hiertegen heeft verzoeker beroep ingesteld. Het beroep is geregistreerd onder nr. HAA 14/552.

Bij besluit van 9 januari 2014 (het tweede primaire besluit) heeft verweerder de Wwb-uitkering van verzoeker per 2 december 2013 beëindigd, omdat verzoeker de gevraagde gegevens niet heeft ingeleverd. Ook wordt verzoekers uitkering per 13 december 2012 ingetrokken, omdat niet is gebleken dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Zaanstad.

Tegen dit primaire besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Hij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder nr. HAA 14/316.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. M.G. Böhm.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 13/5179 niet-ontvankelijk;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316 af.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 13/5179 heeft betrekking op het besluit van verweerder van 6 december 2013 waarbij verzoekers Wwb-uitkering is opgeschort. Dit opschortingsbesluit is echter komen te vervallen, nu verweerder bij besluit van 9 januari 2014 de Wwb-uitkering van verzoeker heeft beëindigd en ingetrokken. Dit betekent dat verzoeker geen procesbelang meer heeft bij voormeld verzoek om voorlopige voorziening. Gelet hierop verklaart de voorzieningenrechter dit verzoek niet-ontvankelijk.

3.

Verzoeker heeft een spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316. Dit verzoek is gericht op verweerders intrekkings- en beëindigingsbesluit van 9 januari 2014. In dit verband is van belang het antwoord op de vraag of verzoeker daadwerkelijk zijn hoofdverblijf heeft op het adres [adres].


4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat niet aannemelijk is dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft op voormeld adres. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting zijn, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, voldoende aanwijzingen naar voren gekomen die erop duiden dat verzoeker niet zijn hoofdverblijf heeft op het adres[adres]. Het gaat in casu om de volgende aanwijzingen, die de voorzieningenrechter zowel apart als in onderlinge samenhang heeft beoordeeld.
- De woning van verzoeker is nagenoeg geheel leeg. Verzoeker heeft dit weliswaar ter zitting betwist, maar de voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de waarnemingen die door twee medewerkers van verweerder in verzoekers woning zijn gedaan.

  • -

    Er is in verzoekers woning sprake van een zeer gering energieverbruik. Met name het waterverbruik is zeer laag. Dit strookt niet met verzoekers bewering dat hij daadwerkelijk in de woning overnacht.

  • -

    Drie buren hebben een verklaring afgelegd waaruit naar voren komt dat zij verzoeker vrijwel nooit in de woning zien. Het is een gehorige flat. De buren verklaren echter dat zij nooit enig geluid in verzoekers woning horen.
    - Uit de door verzoeker overgelegde bankafschriften komt naar voren dat zijn pin- en betaaltransacties vrijwel alle in Amsterdam hebben plaatsgevonden. Verzoeker heeft overigens ook verklaard dat zijn gehele sociale leven zich in Amsterdam afspeelt.

    5. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente [plaats]. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat verweerder hem kennelijk ziet als een oplichter. Verweerder heeft dit ter zitting ontkend. De vraag of verzoeker een oplichter is, is niet aan de orde. Van verzoeker had kunnen worden verwacht dat hij zich wat meer zou hebben ingespannen om zijn hoofdverblijf op het adres [adres] aannemelijk te maken. Dit heeft verzoeker nagelaten.

6.

Het voorgaande leidt ertoe dat de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening met nr. 14/316 afwijst.

7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 4 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: