Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2392

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
AWB-14_534
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij verzoekster op zolder is een hennepplantage aangetroffen. Verweerder heeft de opbrengst hiervan geschat, omdat verzoekster deze niet bij verweerder heeft opgegeven. Het recht op bijstand is terecht ingetrokken. Het is aan verzoekster om aannemelijk te maken dat zij uit de hennepkwekerij geen inkomsten heeft gehad. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/534

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 13 februari 2014 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. K. Yigit

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2013 (het primaire besluit] heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) beëindigd met ingang van 29 november 2013 en ingetrokken per 10 september 2013. Ook heeft verweerder een bedrag van € 1.496,27 van verzoekster teruggevorderd.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. G. Velthuizen namens haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. C.E. van der Tuuk.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat er in beginsel aanleiding is om een verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, als geoordeeld moet worden dat het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft. In het geval van verzoekster komt de voorzieningenrechter tot het voorlopige oordeel dat hiervan geen sprake is.

3.

Het besluit tot intrekking van verzoeksters Wwb-uitkering is gebaseerd op verweerders standpunt dat verzoekster de inlichtingenplicht van artikel 17, eerste lid, van de Wwb op een zodanige wijze heeft geschonden dat verzoeksters recht op uitkering per de datum van toekenning van de bijstand, 10 september 2013, niet is vast te stellen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is dit standpunt van verweerder juist.

4.

Verzoekster heeft erkend dat zij in september 2013 in haar huurwoning in Purmerend een hennepkwekerij heeft opgezet. Uit het rapport van 27 november 2013 van twee beambten van verweerder ([namen]) blijkt genoegzaam van een onderzoek dat kort na de brand op 11 november 2013 door brandweer en politie is ingesteld. Het onderzoeksrapport van de brandweer en de politie kan in bezwaar nog aan het dossier worden toegevoegd. Dit onderzoek vormt op grond van hetgeen op de zolderverdieping van verzoeksters woning is aangetroffen – onder meer 60 kweekpotten gevuld met potgrond en restanten van hennepplantjes – aanleiding om aan te nemen dat ten minste sprake is geweest van een oogst. Van investeringen voor en inkomsten uit deze hennepteelt is door verzoekster geen melding gemaakt bij verweerder en zij heeft daarvan ook geen administratie bijgehouden.

5.

Het voorgaande is, gelet op de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), voldoende grond voor verweerder om aan te nemen dat de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid, Wwb is geschonden. Op grond hiervan kon verweerder overgaan tot intrekking van de uitkering met terugwerkende kracht tot datum toekenning en ook tot terugvordering van de verstrekte bijstand.

6.

Verzoekster heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder ten onrechte verzoeksters uitkering niet per 12 november 2013 heeft hervat. Op dat moment bestond de hennepkwekerij immers niet meer en duidelijk is, zo stelt zij, dat verzoekster zich in bijstandsbehoevende omstandigheden bevindt. Met deze stelling miskent verzoekster echter dat het aan haar is om aannemelijk te maken dat zij uit de hennepkwekerij geen inkomsten heeft genoten. Tot op heden heeft verzoekster hierover geen verifieerbare gegevens verstrekt. Het is dus in theorie mogelijk dat er van inkomsten sprake is geweest. Een indicatie hiervoor is dat verzoekster niet onmiddellijk na de intrekking van haar Wwb-uitkering een nieuwe aanvraag heeft ingediend. Er bestond voor verweerder dan ook geen aanleiding verzoekster Wwb-uitkering per 12 november 2013 te hervatten.

7.

Nu het bezwaar van verzoekster naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen heeft, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

8.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 13 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: