Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2390

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
AWB-14_406
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er in het geval van verzoekster geen sprake van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van gehele of gedeeltelijke terugvordering zou moeten afzien. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/406

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 20 februari 2014 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. P.H. van Dijck

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontvangt in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) herzien vanaf 17 juli 2013. Ook heeft verweerder een bedrag van € 313,63 van verzoekster teruggevorderd in verband met ten onrechte ontvangen bijstand in de periode 17 juli 2013 tot en met 16 oktober 2013.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R.C.F. de Vos.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

Vaststaat dat verzoekster in de periode tussen 17 juli 2013 en 17 oktober 2013 een WW-uitkering heeft ontvangen, terwijl verzoekster in die periode eveneens een Wwb-uitkering ontving. Niet in geschil is dat verweerder bevoegd is het deel van de WW uitkering dat ziet op een eerdere periode dan waarover verzoekster bijstand ontvangt maar betaald is in de relevante periode terug te vorderen. In dit geval is verweerder voorts op grond van artikel 58, vierde lid, Wwb bevoegd de ontvangen WW-uitkering gedurende drie maanden te verrekenen met de bijstand. Hierbij is de beslagvrije voet niet van toepassing. Deze verrekening heeft inmiddels plaatsgevonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik kunnen maken.

3.

Na de verrekening bleef een restantbedrag over van € 313,63. Dit bedrag heeft verweerder van verzoekster teruggevorderd. Bij deze terugvordering is de beslagvrije voet wel van toepassing. In dit verband heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij maandelijks 6% van verzoeksters bijstandsnorm inhoudt ter aflossing van voormeld bedrag. Hierdoor houdt verweerder rekening met de beslagvrije voet. Ter zitting is niet duidelijk geworden of het op de berekeningsspecificatie van december 2013 vermelde bedrag van 90,93, aflossing vordering, ziet op het restantbedrag. Dit vormt echter geen reden om het verzoek toe te wijzen.

4.

Verzoekster heeft onder meer aangevoerd dat er in haar geval sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder van gehele dan wel gedeeltelijke terugvordering zou moeten afzien. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is in het geval van verzoekster geen sprake van dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat neemt niet weg dat zij grote problemen heeft als gevolg van de samenloop van de WW uitkering en de bijstandsuitkering, terwijl die WW uitkering bedoeld was voor een eerdere periode.

5.

Op grond van het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 20 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: