Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2389

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
28-03-2014
Zaaknummer
AWB-14_665
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder verdenkt verzoekster ervan dat zij samenwoont met haar ex-partner A. Verweerder heeft echter nagelaten om de woon- en leefsituatie van A., die ook een Wwb-uitkering heeft, te onderzoeken. Dit is voor de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/665

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 20 februari 2014 in de zaak tussen

[verzoekster]

wonende te[woonplaats],

verzoekster,

gemachtigde mr. M.P. Spanjer

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering die verzoekster ontving in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) per datum beschikking beëindigd en per 23 januari 2014 ingetrokken, omdat verzoekster niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft voorts de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 februari 2014. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. R.C.F de Vos.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst het primaire besluit van 23 januari 2014 met ingang van 7 februari 2014 tot twee weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar;
    - draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45,-- aan verzoekster te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-- , te betalen aan verzoeksters gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2.

De voorzieningenrechter wijst allereerst op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), zoals bijvoorbeeld de uitspraak van 15 april 2008 (ECLI:NL:CRVB:BD0154). In deze uitspraak heeft de CRvB onder meer het volgende overwogen:
‘Naar vaste rechtspraak van de Raad kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek gevolgen worden verbonden (in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand) indien voor dat huisbezoek in het individuele geval een redelijke grond bestaat. Van een dergelijke grond is sprake indien op basis van concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene omtrent zijn woon- en leefsituatie verstrekte inlichtingen, voor zover deze gegevens onmiskenbaar van belang zijn voor (het vaststellen van) het recht op bijstand en deze gegevens niet op een voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd.’

3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder in respectievelijk april, oktober en november 2013 over verzoekster een drietal anonieme meldingen heeft ontvangen. Deze meldingen zijn niet gelijkluidend.

4.

Voormelde meldingen waren voor verweerder aanleiding om op 16 januari 2014 een bezoek te brengen aan het adres van[naam], de ex-partner van verzoekster. Hiervan is een verslag opgemaakt. In die verslag staat onder meer het volgende vermeld:
‘De deur wordt geopend door[naam 2], één van de ingeschrevenen. Door collega Lagerweij wordt aan hem gevraagd of[naam] ook op dit adres woonachtig is. Omdat [naam 2] de Nederlandse taal niet goed beheerst, wordt er een medebewoonster bij gehaald, [naam 3] (sinds 05-12-2013 ingeschreven op het adres). Zowel [naam 2] als [naam 3] verklaren dat [naam] niet op dit adres woont maar alleen af en toe zijn post komt halen. In de gang liggen 3 aan hem geadresseerde brieven van de gemeente Haarlem, alle drie ongeopend.’

5.

Op 23 januari 2014 hebben medewerkers van verweerder met verzoekster een gesprek gevoerd. In dit gesprek heeft verzoekster ontkend dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [naam]. Ook ter zitting heeft verzoekster dit ontkend.

6.

Namens verzoekster is aangevoerd dat aan het huisbezoek op het adres van [naam] geen waarde kan worden toegekend, omdat de twee medebewoners niet kunnen weten dat [naam] op dat adres woont, omdat zij zelf nog maar kort op dat adres woonachtig zijn. Bovendien lag er post voor [naam] op dat adres. Dat zegt iets over het wonen van [naam] aldaar. Voorts is namens verzoekster aangevoerd dat verweerder ook een minder ingrijpend middel dan een huisbezoek bij verzoekster had kunnen toepassen.

7.

De voorzieningenrechter heeft ter zitting aan verzoekster de inhoud van de drie anonieme meldingen voorgehouden. Verzoekster ontkent dat zij recentelijk heeft gewerkt in het door de tipgever genoemde bedrijf. Ook is zij niet recentelijk naar Turkije geweest. Stempels in haar paspoort kunnen hierover uitsluitsel geven, aldus verzoekster.


8. Ter zitting kon verweerder desgevraagd geen informatie geven over de vraag of ook de ex-partner van verzoekster, [naam], door verweerder is opgeroepen voor een gesprek over zijn woon- en leefsituatie. Vaststaat immers dat [naam] ook een Wwb-uitkering ontvangt en

iets zou moeten kunnen vertellen over zijn woonsituatie.

9. Bij deze stand van zaken is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat het onvoldoende duidelijk is of het primaire besluit in bezwaar kan worden gehandhaafd.

Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter aanleiding het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en het primaire besluit van 23 januari 2014 te schorsen met ingang van 7 februari 2014 tot twee weken na bekendmaking van de door verweerder te nemen beslissing op bezwaar.

10.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 45,-- vergoedt.

11.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder voorts in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,-- (een punt voor het indienen van het verzoekschrift, een punt voor het verschijnen ter zitting; de waarde per punt bedraagt € 487,--; de zwaarte van de zaak is gemiddeld). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de Rechtsbijstand, moet verweerder op grond van 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten vergoeden aan verzoeksters gemachtigde.

12.

De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van P.M. van der Pol, griffier, op 20 februari 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op: