Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2213

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
10-02-2014
Datum publicatie
08-07-2014
Zaaknummer
2688913 KG EXPL 14-6
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

In kort geding wordt werkgever veroordeeld tot loondoorbetaling, omdat de dringende reden voor ontslag op staande voet – cocaïnegebruik op of rond het werk – niet aannemelijk is gemaakt.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Burgerlijk Wetboek Boek 7 678
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2014/205
TvPP 2014, afl. 5, p. 159
AR 2014/494
JAR 2014/205

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 2688913 KG EXPL 14-6

Uitspraakdatum: 10 februari 2014

Vonnis in kort geding

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding, heeft het volgende vonnis gewezen in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats],

eisende partij in kort geding

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. F.W. Brugman, advocaat te Zwaag

[WRB-nr.: [nummer]]

tegen

de besloten vennootschap Autodemontagebedrijf De Ooievaar B.V., gevestigd te Blokker

gedaagde partij in kort geding

verder ook te noemen: De Ooievaar

vertegenwoordigd door: [X], directeur.

Het procesverloop

1.

[werknemer] heeft op de gronden zoals vermeld in de dagvaarding van 16 januari 2014 een voorziening gevorderd.

2.

De zaak is behandeld op de zitting van 27 januari 2014, waar [werknemer] is verschenen, vergezeld door zijn vader en bijgestaan door mr. Brugman, en waar voor De Ooievaar zijn verschenen [X], en [Y], secretaresse. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht, [werknemer] aan de hand van een pleitnotitie.

3.

Na afloop van de zitting is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

De feiten

4.

[werknemer], geboren [datum], is op 15 oktober 2012 in dienst getreden bij De Ooievaar in de functie van buitendienst medewerker, tegen een salaris van € 1.500,00 bruto per maand.

5.

In augustus 2013 heeft [werknemer] zich ziek gemeld en de bedrijfsarts van De Ooievaar heeft [werknemer] vanaf de ziekmelding ongeschikt geacht voor het verrichten van zijn werk. [werknemer] heeft zijn werk nadien niet hervat.

6.

Op 1 oktober 2013 is [werknemer] op staande voet ontslagen. Dat ontslag is bevestigd bij brief van 3 oktober 2013. De Ooievaar heeft in die brief aan [werknemer] meegedeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet was gelegen in “het feit dat u drugs gebruikt/gebruikt heeft”. Daarbij heeft De Ooievaar erop gewezen dat in de schriftelijke arbeidsovereenkomst duidelijk staat aangegeven dat drugsgebruik een reden is voor ontslag op staande voet. De Ooievaar heeft na 1 oktober 2013 geen loon meer betaald.

7.

Bij brief van 13 oktober 2013 heeft [werknemer] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van het ontslag op staande voet.

Het geschil

8.

[werknemer] vordert in dit kort geding – na vermindering van eis – dat De Ooievaar wordt veroordeeld om het loon door te betalen vanaf het moment dat De Ooievaar is opgehouden met betalen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en wettelijke rente. [werknemer] legt aan zijn vordering ten grondslag – kort weergegeven – dat hij ten onrechte op staande voet is ontslagen.

9.

De Ooievaar stelt dat [werknemer] geen recht heeft op loondoorbetaling, omdat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Volgens De Ooievaar heeft [werknemer] meerdere malen cocaïne gebruikt en weet hij dat dit niet wordt getolereerd in het bedrijf. De Ooievaar stelt dat er meerdere collega’s zijn die het cocaïnegebruik kunnen bevestigen, ook tijdens werktijd, en dat [werknemer] is aangehouden door de politie wegens rijden onder invloed van cocaïne.

10.

Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

11.

Voor toewijzing van een vordering in kort geding is om te beginnen vereist dat sprake is van een spoedeisend belang. Dat is hier het geval, omdat het gaat om een vordering tot doorbetaling van loon na een ontslag op staande voet.

12.

Verder is voor toewijzing van de vordering van [werknemer] in dit kort geding nodig dat die vordering voldoende aannemelijk is en dat het in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vordering ook in een gewone procedure (bodemprocedure) zal worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding geen plaats. Dat dient te gebeuren in een eventuele bodemprocedure. De beoordeling in dit kort geding is dan ook niet meer dan een voorlopig oordeel over het geschil tussen partijen.

13.

Het gaat in dit kort geding om de vraag of De Ooievaar moet worden veroordeeld tot doorbetaling van loon op en na 1 oktober 2013. Daarbij moet worden beoordeeld of het ontslag op staande voet per 1 oktober 2013 rechtsgeldig is of niet. Daarover wordt het volgende overwogen.

14.

In artikel 7:678 lid 1 BW staat dat voor de werkgever als dringende redenen voor een ontslag op staande voet worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.

15.

De Ooievaar geeft in haar brief van 3 oktober 2013 als dringende reden voor het ontslag op staande voet dat [werknemer] “drugs gebruikt/gebruikt heeft”. Naar het oordeel van de kantonrechter levert het enkele feit dat [werknemer] drugs gebruikt of zou hebben gebruikt geen dringende reden op voor ontslag op staande voet. Drugsgebruik kan zich immers voordoen in vele vormen en kan zich ook beperken tot gebruik uitsluitend in de privésfeer, zonder dat dit raakt aan de arbeidsrelatie.

16.

De stelling van De Ooievaar dat drugsgebruik volgens de schriftelijke arbeidsovereenkomst altijd leidt tot ontslag op staande voet, treft geen doel. In de eerste plaats geldt dat een afspraak in een arbeidsovereenkomst waarbij aan de werkgever de beslissing wordt overgelaten of er een dringende reden is, niet geldig is. Dat volgt uit artikel 7:678 lid 3 BW. Het is uiteindelijk de kantonrechter die oordeelt over de vraag of er een dringende reden was voor ontslag op staande voet. In de tweede plaats volgt uit artikel 9 van de schriftelijke arbeidsovereenkomst niet dat drugsgebruik in zijn algemeenheid een dringende reden oplevert voor ontslag op staande voet, maar alleen dat drugsgebruik op het werk of tijdens woon-/werkverkeer een dergelijke reden oplevert.

17.

Blijkens de toelichting van De Ooievaar ter zitting heeft De Ooievaar kennelijk bedoeld om aan het ontslag op staande voet (mede) ten grondslag te leggen de stelling dat [werknemer] op het werk drugs heeft gebruikt of tijdens werktijd onder invloed is geweest van drugs. [werknemer] heeft ontkend dat daarvan sprake is geweest. Het is aan De Ooievaar om te bewijzen dat zich een dringende reden voor ontslag op staande voet heeft voorgedaan. In het kader van dit kort geding moet De Ooievaar daarom voldoende aannemelijk maken dat [werknemer] inderdaad op het werk drugs heeft gebruikt of tijdens werktijd onder de invloed is geweest van drugs. Daarin is De Ooievaar niet geslaagd. De Ooievaar heeft tegenover de betwisting van [werknemer] geen argumenten of stukken naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat dergelijk drugsgebruik zich heeft voorgedaan. Indien De Ooievaar verklaringen daarover van collega’s had kunnen overleggen, zoals zij stelt, had zij dat in de procedure moeten doen. Zoals hiervoor is overwogen, leent dit kort geding zich niet voor nadere bewijslevering door middel van getuigenverhoren.

18.

Ter zitting heeft De Ooievaar nog opgemerkt dat er ook andere redenen zijn voor het ontslag op staande voet. Die andere redenen blijven echter buiten beschouwing in deze zaak. Indien De Ooievaar meer of andere redenen had voor het ontslag, dan had zij dit direct bij het ontslag op staande voet aan [werknemer] moeten meedelen, zoals artikel 7:677 lid 1 BW vereist.

19.

Gelet op het voorgaande is de dringende reden voor het ontslag op staande voet naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter niet aannemelijk geworden. Dat komt voor risico van De Ooievaar, op wie immers de bewijslast van die dringende reden rust. Dat betekent dat [werknemer] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het ontslag niet geldig is en dat ervan moet worden uitgegaan dat bij de huidige stand van zaken zijn loonvordering in een bodemprocedure waarschijnlijk zal worden toegewezen.

20.

De kantonrechter zal de vordering tot betaling van het loon daarom toewijzen over de periode vanaf 1 oktober 2013 tot aan het moment waarop er rechtsgeldig een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst. De gevorderde verhoging als bedoeld in artikel 7:625 BW wegens de vertraging in de betaling van loon zal worden toegewezen, zij het gematigd tot 10%. Ook de wettelijke rente wordt toegewezen, nu de verschuldigdheid daarvan niet is betwist.

21.

Nu De Ooievaar overwegend ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten betalen. Daarbij wordt De Ooievaar ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan gevorderde nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

Veroordeelt De Ooievaar om het loon van [werknemer] door te betalen vanaf 1 oktober 2013 tot aan het moment waarop er rechtsgeldig een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de verhoging van artikel 7:625 BW tot een maximum van 10%, en vermeerderd met de wettelijke rente, tot het moment van algehele betaling van het achterstallig loon.

Veroordeelt De Ooievaar in de proceskosten, die tot heden voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 577,19 (€ 104,19 aan dagvaardingskosten, € 73,00 aan griffierecht en
€ 400,00 voor salaris van de gemachtigde van [werknemer]), waarvan te voldoen:

- € 473,00 aan [werknemer];

- € 104,19 voor kosten van de dagvaarding aan de griffier van deze rechtbank door overmaking op rekeningnummer 56.99.90.513 (Royal Bank of Scotland) ten name van MVVEJ Noord-Holland onder vermelding van “proceskosten-veroordeling” en het zaaknr/rolnr. 2688913 KG EXPL 14-6;

en veroordeelt De Ooievaar tot betaling van € 100,00 aan nakosten, voor zover daadwerkelijk nakosten door [werknemer] worden gemaakt.

Verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 10 februari 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter