Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:2090

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
21-03-2014
Datum publicatie
24-09-2014
Zaaknummer
AWB-13_3754
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Forensenbelasting. Eiser, eigenaar van een woning in de gemeente, stond (gedurende een gedeelte van het jaar) niet ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij desondanks zijn hoofdverblijf had in de gemeente.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1911
V-N 2014/55.26.4
FutD 2014-2246
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Zaaknummer: AWB 13/3754

Uitspraakdatum: 21 maart 2014

Uitspraak in het geding tussen

[X], te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 30 juni 2013 een aanslag forensenbelasting voor het jaar 2012 opgelegd ten bedrage van € 1.437,90.

1.2.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 2 augustus 2013 de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2014. Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. E. Brouwer.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

Eiser, geboren in [JAARTAL], was in 2012 eigenaar van de woning [adres]. Eiser was in 2012 ook eigenaar van de woning [adres]. Eiser heeft zich op 8 mei 2012 vanuit de gemeente Voerendaal laten inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) van de gemeente Zandvoort, als ingezetene van die gemeente. Op 2 januari 2014 heeft hij zich bij de gemeente Voerendaal weer in laten schrijven op het adres in[Z].

3 Geschil en standpunten van partijen

In geschil is of verweerder terecht aan eiser een aanslag forensenbelasting heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser al dan niet in 2012 zijn hoofdverblijf buiten de gemeente Zandvoort had.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 223, eerste lid van de Gemeentewet luidt als volgt:
“Er kan een forensenbelasting worden geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er gedurende het belastingjaar meer dan negentig malen nachtverblijf houden, anders dan als verpleegde of verzorgde in een inrichting tot verpleging of verzorging van zieken, van gebrekkigen, van hulpbehoevenden of bejaarden, of er op meer dan negentig dagen van dat jaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.”

4.2.

Artikel 223, derde lid van de Gemeentewet luidt als volgt:

“Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld”.

4.3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening forensenbelasting 2012 van de gemeente Zandvoort (hierna: de Verordening) wordt onder de naam “forensenbelasting” een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

4.4.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, nu hij zich pas op 8 mei 2012 heeft laten inschrijven in de GBA van de gemeente Zandvoort als ingezetene van die gemeente, gedurende de voorliggende periode van 1 januari tot en met 7 mei 2012, die meer dan 90 dagen beslaat, elders zijn hoofdverblijf had en dat eiser niet heeft betwist dat hij niet zijn hoofdverblijf in de gemeente Zandvoort had.

Eiser heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat hij in 2012 zijn hoofdverblijf had in Zandvoort en geen, dan wel minder, forensenbelasting zou moeten betalen.

4.5.

De vraag die hier voorligt is of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in 2012 buiten Zandvoort zijn hoofdverblijf had. Naar het oordeel van de rechtbank dient die vraag bevestigend te worden beantwoord.

Waar iemand zijn hoofdverblijf heeft moet worden beoordeeld naar de omstandigheden, waarbij de inschrijving in de GBA er één van is. Deze inschrijving per 8 mei 2012 wettigt de veronderstelling dat eiser pas vanaf die datum daadwerkelijk hoofdverblijf hield in Zandvoort. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat daarvan ook al eerder sprake was. Eiser is daarin, met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet geslaagd.

De ter zitting toegelichte stelling dat hij sinds 1992 in Zandvoort woont in verband met werk in de Randstad, daar van maandag tot vrijdag verblijf hield en enkel in de weekends terugkeerde naar zijn woning in Limburg, is onvoldoende specifiek om de conclusie te rechtvaardigen dat dit ook in heel 2012, toen eiser de pensioengerechtigde leeftijd reeds bereikt had, het geval was. Daar komt bij dat eiser, zoals hij ter zitting ook heeft gesteld, in 2012 over een woning in Limburg beschikte waarin zijn echtgenote verbleef, en hij die woning bij de aangifte inkomstenbelasting als ‘eigen woning’ heeft opgevoerd. Eiser heeft daar nog aan toegevoegd dat hij de woning in Zandvoort op zijn curriculum vitae als ‘dependance’ aanduidt en dat hij zich uitsluitend in 2012 in de gemeente Zandvoort heeft ingeschreven nadat iemand hem had getipt dat hij zodoende een aanslag in de forensenbelasting zou kunnen voorkomen.

4.6.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiser in ieder geval gedurende meer dan 90 dagen (en mogelijk het gehele jaar) buiten Zandvoort zijn hoofdverblijf had. Nu verder niet in geschil is dat hij in die periode ook de beschikking had over een gemeubileerde woning in Zandvoort, is eiser terecht in de heffing betrokken.

4.7.

Eiser heeft nog gesteld dat verweerder hem alleen mag aanslaan voor de periode dat hij niet stond ingeschreven in de gemeente Zandvoort. Deze grief faalt, alleen al omdat eiser, nu hij heeft voldaan aan het belastbaar feit, op grond van de Verordening het belastingbedrag voor het belastingjaar 2012 ad € 1.437,90 verschuldigd is en de verordening geen ontheffing naar tijdsgelang kent.

4.8.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.A. Boersma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.J.M. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.