Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:185

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
31-03-2014
Zaaknummer
AWB-13_2593
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betrokkene ontving in het jaar 2010 woonkostentoeslag op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb). Verweerder vorderde een deel van deze toeslag terug, omdat betrokkene een hoger bedrag van de belastingdienst zou hebben ontvangen dan waarmee verweerder rekening had gehouden bij de berekening van de hoogte van de woonkostentoeslag. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd, omdat de wijze waarop verweerder het belastingvoordeel van de hypotheekrenteaftrek heeft berekend niet in overeenstemming is met het door betrokkene daadwerkelijk behaalde voordeel. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.

De rechtbank heeft voorts uitgesproken dat verweerder een dwangsom verschuldigd is, omdat hij de beslissingstermijn voor het nemen van het besluit op bezwaar heeft overschreden. Daarbij is overwogen dat aan de ingebrekestelling geen bijzondere wettelijke vereisten worden gesteld. Het schrijven van gemachtigde waarin is gewezen op de overschrijding van de beslistermijn moet dan ook als een ingebrekestelling worden aangemerkt. Ook op dit punt voorziet de rechtbank zelf in de zaak.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 13/2593

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 januari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. P.H. van Dijck),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij in 2010 te veel bijzondere bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb) heeft ontvangen en dat deze kosten, zijnde een bedrag van € 1.055,05, van haar teruggevorderd worden. Tevens is eiseres meegedeeld dat in 2010 met een te hoog bedrag aan alleenstaande ouderkorting is gerekend, waardoor een te laag bedrag aan algemene bijstand is betaald. Dit bedrag, € 884,--, wordt verrekend met de terugvordering van bijzondere bijstand, waardoor het bedrag dat nog van eiseres wordt teruggevorderd € 171,05 is.

Bij besluit van 24 april 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het verzoek om een dwangsom te bepalen afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2013.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vos.

Overwegingen

1.

Aan eiseres is met ingang van 4 maart 2009 als bijzondere bijstand een woonkostentoeslag (wkt) verstrekt. Voor het jaar 2010 heeft verweerder rekening gehouden met een voorlopige teruggaaf van de belastingdienst in verband met de hypotheekrenteaftrek van € 118,83 per maand (€ 1425,96 op jaarbasis).

2.

Uit de vermindering belastingaanslag 2010 van eiseres heeft verweerder afgeleid dat enerzijds met een te laag bedrag aan belastingteruggave in verband met de hypotheekrenteaftrek rekening is gehouden en anderzijds met een te hoog bedrag aan alleenstaande ouderkorting (AOK). Er resteert volgens verweerder een vordering van
€ 171,05. Er is inmiddels ingevorderd door verrekening met de uitkering (€ 56,-- per maand).

3.

Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte van haar terugvordert.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat een correcte berekening heeft plaatsgehad, op grond waarvan de terugvordering eveneens correct is.

4.

Ter zitting is naar voren gekomen dat geen sprake is geweest van een extra belastingteruggave aan eiseres over het belastingjaar 2010. Verder heeft verweerder ter zitting verklaard dat bij de berekening van het belastingvoordeel is uitgegaan van een voordeel ter hoogte van een standaardpercentage van de hypotheekrenteaftrek. In het geval van eiseres is berekend dat zij 33,45% van € 7416,-- = € 2481,-- belastingvoordeel behaalt.

Deze wijze van berekening komt in het geval van eiseres echter niet overeen met het door eiseres in werkelijkheid verkregen belastingvoordeel. Als gevolg van haar lage inkomsten kan zij het haar door verweerder toegerekende belastingvoordeel door de aftrek vanwege de hypotheekrente niet realiseren. De beroepsgrond van eiseres treft dan ook doel. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 11 van de Wwb. Nu zich in het dossier de stukken bevinden die nodig zijn voor de juiste berekening (de vermindering inkomstenbelasting 2010, B22/23, en de belastingaangifte 2010, B28 t/m B31), ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij is meegedeeld dat aan eiseres in 2010 een bedrag van € 1.055,05 te veel aan bijzondere bijstand is betaald en uiteindelijk een bedrag van € 171,05 van haar is teruggevorderd. De rechtbank zal tevens het juiste bedrag van de terugvordering in verband met de woonkostentoeslag te bepalen. Het belastingvoordeel dat eiseres in werkelijkheid heeft behaald, bedraagt € 1598,-- en is als volgt te berekenen:

Met hypotheekrenteaftrek Zonder hypotheekrenteaftrek

Inkomen 13547 13547

Eigen woning -7416

Verzamelinkomen 6131 13547

Inkomstenbelasting 141 311

Premie volksverzekering 1909 4219

Algemene heffingskorting -1987 -1987

Alleenstaande ouderkorting -945 -945

Verschuldigde belasting 0 1598

Verweerder heeft reeds met een bedrag van € 1.425,96 als belastingvoordeel rekening gehouden. Dat betekent dat het verschil met het door eiseres werkelijk behaalde belastingvoordeel € 1598 - € 1.425,96 = € 172,04 bedraagt in plaats van € 1.055,04, waarvan verweerder is uitgegaan. De rechtbank stelt de terugvordering vast op € 172,04. Nu staan blijft dat verweerder in 2010 met een te hoog bedrag aan AOK rekening heeft gehouden en eiseres reeds een bedrag van € 171,05 aan verweerder heeft terugbetaald, betekent dit dat verweerder eiseres een bedrag van (€ 884,-- + € 171,05 - € 172,04 =) € 883,01 dient te betalen.

5.

Eiseres heeft voorts verzocht om schadevergoeding in verband met de schending van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een schending van de redelijke termijn geen sprake is nu niet verwacht wordt dat de totale procedure meer dan vier jaar in beslag gaat nemen.
Voor de wijze van beoordeling van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door verweerder op 24 februari 2012 van het bezwaarschrift van eiseres tot de datum van deze uitspraak zijn minder dan twee jaar versteken. Het verzoek om schadevergoeding wordt dan ook afgewezen.

6.

Eiseres voert verder aan – zo begrijpt de rechtbank - dat verweerder ten onrechte geen dwangsom heeft vastgesteld.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres verweerder niet eerder dan op 11 april 2013 in gebreke heeft gesteld, terwijl het bestreden besluit op 23 april 2013 is genomen. Nu binnen de termijn van 2 weken is besloten, is geen dwangsom verschuldigd.

Om aanspraak te kunnen maken op een dwangsom moet de aanvrager het bestuursorgaan schriftelijk in gebreke stellen. Aan de inhoud van de ingebrekestelling zijn geen bijzondere wettelijke eisen gesteld (bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 6 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4185). In haar fax van 16 augustus 2012 heeft de gemachtigde van eiseres verweerder herinnerd aan het door haar ingediende bezwaar en erop gewezen dat de termijn voor het nemen van de beslissing op het bezwaar op dat moment reeds ruimschoots is verstreken. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze fax als een ingebrekestelling worden opgevat. Nu verweerder niet binnen twee weken nadien alsnog een beslissing op het bezwaar heeft genomen, heeft verweerder ten onrechte geen dwangsom vastgesteld. In artikel 4:17, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, het bestuursorgaan een dwangsom verbeurt voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. In het onderhavige geval zijn tot het alsnog nemen van de beslissing op bezwaar meer dan 42 dagen verstreken, zodat de door verweerder verbeurde dwangsom wordt bepaald op € 1.260,--.

7.

Het beroep is gegrond. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1948,-- (2 punten voor het indienen van het bezwaar- en beroepschrift, 2 punten voor het verschijnen bij de hoorzitting en ter zitting, met een waarde per punt van € 487,--, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres toevoeging is verleend moet verweerder de proceskostenveroordeling betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- herroept het primaire besluit voorzover daarbij is meegedeeld dat eiseres over 2010 een bedrag van € 1.055,05 te veel bijzondere bijstand is betaald en dat uiteindelijk een bedrag van € 171,05 wordt teruggevorderd;

- bepaalt het bedrag dat van eiseres wordt teruggevorderd in verband met de te veel betaalde woonkostentoeslag 2010 op € 172,04;

- bepaalt dat verweerder eiseres een bedrag van € 883,01 zal nabetalen;

- stelt de door verweerder verbeurde dwangsom vast op € 1260,--;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 44,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1948,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzitter, mr. W.J.A.M. van Brussel en mr. I.J.B. Corbey, leden, in aanwezigheid van mr. J.H. Bosveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.