Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1720

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
06-03-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_2511
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenbelasting. Recht op teruggaaf.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/1006
FutD 2014-1235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/2511

Uitspraakdatum: 24 februari 2014

Uitspraak van de meervoudige kamer in het geding tussen

[X] B.V., thans genaamd [X1] B.V., gevestigd te[Z], eiseres,

gemachtigden: mr. H. Spaermon en mr. P.Y. Trouwborst,

en

de inspecteur van de Belastingdienst Arnhem, Landelijk Milieubelastingenteam, verweerder.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Eiseres heeft op 27 januari 2012 aangifte afvalstoffenbelasting gedaan over het tijdvak december 2011 naar een te betalen bedrag aan belasting van € 111.072.

1.2.

Bij brief van 8 maart 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de ingediende aangifte.

1.3.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 12 april 2013 het bezwaar ongegrond verklaard.

1.4.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

1.5.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.6.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 januari 2014. Namens eiseres is verschenen [A], bijgestaan door de gemachtigden voornoemd. Namens verweerder zijn verschenen mr. J.H. van Wolfen, W.H. Dogger en H. Quispel.

2 Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.

Eiseres is houdster van een inrichting tot het verwerken van afvalstoffen en heeft daarvoor een vergunning op grond van de Wet milieubeheer.

2.2.

Eiseres deed maandelijks aangifte voor de afvalstoffenbelasting.

2.3.

De in geding zijnde afvalstoffen waarover eiseres teruggaaf van afvalstoffenbelasting claimt, zullen per 1 april 2014 niet van de inrichting van eiseres zijn afgevoerd.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of eiseres recht heeft op teruggaaf van afvalstoffenbelasting tot een bedrag van € 5.047.981. Het gaat hier om afvalstoffenbelasting die in 2005 en 2006 is voldaan over 59.132 ton brandbaar afval dat in het bijzonder geschikt is om te worden afgegraven en afgevoerd ter verbranding, aldus eiseres. Ter zitting hebben partijen aangegeven het erover eens te zijn dat, indien eiseres in het gelijk wordt gesteld, de claim van eiseres met tien procent verminderd dient te worden tot € 4.543.813 omdat eiseres in haar claim nog geen rekening heeft gehouden met incourantheid van het afval.

3.2.

Eiseres stelt in de eerste plaats dat zij recht heeft op teruggaaf dan wel vermindering op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In de tweede plaats stelt zij hierop recht te hebben omdat sprake is van schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: artikel 1 EP). In de derde plaats stelt zij dat recht op teruggaaf dan wel vermindering bestaat op basis van de overgangsregeling in verband met de afschaffing per 1 januari 2012 van artikel 27, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Overgangsregeling). In de vierde plaats stelt eiseres dat de Overgangsregeling eerbiedigende (uitgestelde) werking dient te hebben voor stoffen die worden afgevoerd ter verbranding of om gerecycled te worden.
Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en veroordeling van verweerder tot uitbetaling van een teruggaaf van € 4.543.813.

3.3.

Verweerder stelt primair dat eiseres niet-ontvankelijk is in bezwaar en beroep omdat ten eerste toepassing van de teruggaaf op basis van de Overgangsregeling uitsluitend kon plaatsvinden bij de laatste aangifte over 2011, en ten tweede eiseres geen belang heeft bij de procedure omdat eiseres de thans teruggevraagde afvalstoffenbelasting reeds volledig heeft doorberekend aan de aanbieders van afval aan haar inrichting. Subsidiair stelt verweerder dat geen recht op teruggaaf dan wel vermindering bestaat.
Verweerder concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar dan wel het beroep, dan wel tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Relevante regelgeving

4.1.

Tot en met 31 december 2011 bepaalde de Wet belastingen op milieugrondslag (hierna: de Wbm), voor zover van belang, als volgt:

Artikel 23

1. Onder de naam afvalstoffenbelasting wordt een belasting geheven ter zake van:

a. de afgifte ter verwijdering van afvalstoffen aan een inrichting;

b. de verwijdering van afvalstoffen binnen de inrichting waarin deze zijn ontstaan.

2. De aan een inrichting afgegeven afvalstoffen worden geacht alle te zijn afgegeven ter verwijdering.

Artikel 27

1. Op de verschuldigde belasting wordt in mindering gebracht de belasting ter zake van stoffen, preparaten of voorwerpen die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, hebben verlaten, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat of stortgas.
2. Indien bij de afgifte van een afzonderlijke, duidelijk herkenbare afvalstoffenstroom aan een inrichting bekend is dat deze niet uitsluitend bestaat uit voor verwijdering bestemde afvalstoffen, kan de inspecteur op schriftelijk verzoek van de belastingplichtige toestaan dat voor de berekening van de verschuldigde belasting met betrekking tot die afvalstroom de totale hoeveelheid afgegeven afvalstoffen door toepassing van een verhoudingsgetal wordt herleid tot de hoeveelheid voor verwijdering afgegeven afvalstoffen.
(…)

Artikel 22

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

bb. storten: storten als bedoeld in de Wet milieubeheer.

4.2.

Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder “storten” verstaan: het op of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten.

4.3.

Het systeem van de Wbm bij de afvalstoffenbelasting kwam er tot en met 31 december 2011, kort gezegd, op neer dat belasting werd voldaan over hetgeen aan de inrichting werd afgegeven, en dat belasting werd teruggegeven - indien werd voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 27 van de Wbm - over hetgeen de inrichting verliet. Deze methode werd ook wel de in-/uitmethode genoemd.

4.4.

De afvalstoffenbelasting is afgeschaft per 1 januari 2012.

4.5.

In de parlementaire geschiedenis bij het Belastingplan 2012 (Wet van 22 december 2011 houdende wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten, Stb. 2011, 639), waarvan de afschaffing van de afvalstoffenbelasting deel uitmaakte, is onder meer het volgende opgemerkt:

“De leden van de fracties van de VVD en het CDA vragen hoe het afschaffen van de afvalstoffenbelasting uitwerkt voor afvalbedrijven die veel afvalstoffen hebben die uiteindelijk niet worden gestort, maar die worden gerecycled dan wel verbrand met energieterugwinning. Tot en met 31 december 2011 geldt in het geval van het verbranden van afval een nihiltarief en in het geval van het storten van afval het reguliere tarief (uitzonderingen daargelaten). De afvalstoffenbelasting wordt verschuldigd bij afgifte van afval aan een inrichting. Een inrichting kan puur een stortplaats zijn, maar er kan bijvoorbeeld ook sprake zijn van een combinatie van een stortplaats en een afvalverbrander of recyclingbedrijf. Ook wordt afvalstoffenbelasting verschuldigd als het afval dat in een inrichting is ontstaan binnen die inrichting wordt gestort of verbrand. In het geval van verbranding geldt het nihiltarief. Vervalt de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2012, dan vervalt per die datum ook de zogenoemde in-/uitmethode. Op basis van deze methode kan de verschuldigde belasting worden verminderd met de belasting die is betaald over het afval dat de inrichting verlaat omdat het elders wordt gestort, verbrand of nuttig toegepast. Er is niet voorzien in een overgangsregeling, dit om te voorkomen dat na 31 december 2011 de situatie ontstaat dat afval enkel een inrichting verlaat om vervolgens elders belastingvrij te worden gestort. (…)”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 10, blz. 9/10.

“(…) Wat de overgangsproblematiek betreft zijn wij het eens met het antwoord van de staatssecretaris dat het niet zo mag zijn dat je na 1 januari 2012 een teruggaaf krijgt omdat je afval uit de recyclingsinstallatie exporteert en het gratis op een andere stortplaats stort. Dat kan niet de bedoeling zijn. Maar het lost het probleem niet op. Het kan toch niet zo zijn dat, door de afschaffing van de belasting, stortbelasting verschuldigd is over afval dat nu wel op de desbetreffende plaats komt te liggen, maar niet gestort, maar gerecycled wordt. Dit betekent dat wij recyclen zouden belasten in plaats van stimuleren. Is de staatssecretaris daarom bereid om, in overleg met de sector, te voorzien in een overgangsregeling, waarbij op 31 december 2011 de balans wordt opgemaakt en de verschuldigde stortbelasting wordt afgerekend, dan wel verrekend? Over wat er al ligt en gestort gaat worden, moet men betalen. Wat gerecycled wordt, moet echter niet onder de belasting vallen.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 77, blz. 17.

“Daarnaast kan ik de heer Omtzigt melden dat ik ter zake van de afvalstoffenbelasting een overgangsregeling heb ontworpen voor een soepele fiscale afhandeling van de voorraden die zich op 31 december 2011 nog in de inrichting bevinden. Op 31 december 2011 zal er binnen de inrichting afval voorradig zijn dat niet is gestort omdat bij voorbaat bekend is dat het (deels) bedoeld is om het elders te verbranden, te hergebruiken of nuttig toe te passen. De regeling om op 31 december 2011 de balans op te maken van de voorraden en in één keer af te rekenen is na overleg met de sector tot stand gekomen. Hiertoe zullen de voorraden per 31 december 2011 worden geïnventariseerd en zal worden aangegeven wat er zal worden gestort en wat de inrichting zal verlaten om elders nuttig te worden toegepast, te worden hergebruikt of te worden verbrand. De overgangsregeling zal deel uitmaken van de eerstvolgende nota van wijziging.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 17, blz. 4/5.

“Dit wetsvoorstel voorziet in de afschaffing van de afvalstoffenbelasting met ingang van 1 januari 2012. Hierdoor vervallen ook de zogenoemde in-/uitmethode en de toepassing van verhoudingsgetallen zoals bedoeld in het huidige artikel 27 van de Wbm. Op basis van de in-/uitmethode wordt de verschuldigde afvalstoffenbelasting verminderd met de belasting die is betaald over het afval dat de inrichting verlaat. (…) Op 31 december 2011 zal er binnen de inrichting afval voorradig zijn dat niet is gestort omdat bij voorbaat bekend is dat het (deels) bedoeld is om het elders te verbranden, te hergebruiken of nuttig toe te passen. Na overleg met de sector is de in het tweede en derde lid van artikel XXXVIc opgenomen overgangsregeling ontworpen om op 31 december 2011 de balans op te maken van de voorraden en in één keer af te rekenen. Hiertoe zullen de voorraden per 31 december 2011 worden geïnventariseerd en zal worden aangegeven wat er zal worden gestort en wat de inrichting zal verlaten om elders nuttig te worden toegepast of te worden hergebruikt als bedoeld in de Wet milieubeheer of elders te worden verbrand. (…)”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 003, nr. 18, blz. 9.

4.6.

De Overgangsregeling is opgenomen in artikel XXXVIc van het Belastingplan 2012 en bepaalt, voor zover van belang, het volgende:

“Artikel XXXVIc

(…)

2. Bij de aangifte van de afvalstoffenbelasting over het laatste tijdvak van het jaar 2011 wordt artikel 27, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag, zoals dit artikel luidde op 31 december 2011, zodanig toegepast dat ook de belasting ter zake van de op 31 december 2011 in de inrichting aanwezige voorraden stoffen, preparaten of voorwerpen die de inrichting, al dan niet na nuttige toepassing, na die datum zullen verlaten in mindering wordt gebracht op de verschuldigde belasting, met dien verstande dat de vermindering niet wordt toegepast ter zake van percolaat of stortgas. Deze toepassing geldt slechts voor zover deze voorraden bestemd zijn om de inrichting met het oog op nuttige toepassing of hergebruik als bedoeld in de Wet milieubeheer of verbranding te verlaten en uit boeken en bescheiden blijkt dat de stoffen, preparaten of voorwerpen niet gestort als bedoeld in de Wet milieubeheer geweest zijn.
(…)”

4.7.

De Wet van 18 december 2013 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2014) voorziet met ingang van 1 april 2014 in een herinvoering van de afvalstoffenbelasting. In een eerder stadium werd nog uitgegaan van herinvoering per 1 oktober 2014. Tevens wordt hierbij een overgangsregeling getroffen ten aanzien van stoffen waarvoor de overgangsregeling bij de afschaffing van de afvalstoffenbelasting per 1 januari 2012 is of wordt toegepast, maar die de inrichting per datum van herinvoering van de afvalstoffenbelasting nog niet hebben verlaten. In de parlementaire geschiedenis bij het Belastingplan 2014 is onder meer het volgende opgemerkt:

“Verder wordt de toepassing van de zogenoemde in/uit-methode (artikel 27 van de Wbm) beperkt, omdat in de praktijk gebleken is dat de belastingvermindering ruimer werd toegepast dan waarvoor zij was bedoeld. Dit heeft tot een uitholling van de belastinggrondslag geleid. De beperking dient om te waarborgen dat de belastingvermindering alleen wordt toegepast op stoffen, preparaten en voorwerpen die niet gestort geweest zijn. Omwille van de uitvoerbaarheid wordt dit zo vormgegeven, dat de belastingplichtige moet aantonen dat de stoffen, preparaten en voorwerpen nooit in het voor stort bestemde gedeelte van de inrichting op of in de bodem zijn gebracht. Welk gedeelte voor stort bestemd is, kan blijken uit de voor de inrichting verleende omgevingsvergunning of uit de voorzieningen die in verband met de stort zijn aangebracht. (…) Daarnaast wordt een overgangsregeling ingevoegd (artikel 31a van de Wbm) om te voorkomen dat ter zake van de stoffen, preparaten en voorwerpen die zich op 31 december 2011 binnen de inrichting bevonden, een dubbel voordeel verkregen zou kunnen worden: een teruggaaf op basis van de overgangsregeling die bij de afschaffing van de belasting getroffen is, en bovendien een mogelijke belastingvermindering op grond van de in/uit-methode. De overgangsregeling komt erop neer dat de stoffen, preparaten en voorwerpen waarvoor de belasting teruggegeven is of wordt maar die zich op 30 september 2014 nog steeds binnen de inrichting bevinden, opnieuw worden belast met het bedrag waarvoor op basis van de overgangsregeling van 2011 teruggaaf is of wordt verleend.

Op die manier worden ze weer in de belaste sfeer gebracht. Als zij naderhand alsnog de inrichting verlaten, kan op basis van de in/uit-methode alsnog een belastingvermindering worden verkregen, uiteraard indien en voor zover aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan.”

Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 752, nr. 13, blz. 29.

5 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

5.1.

Artikel 26, tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) luidt als volgt:

De voldoening of afdracht op aangifte (…) van een bedrag als belasting wordt voor de mogelijkheid van beroep gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur. De wettelijke voorschriften inzake bezwaar en beroep tegen zodanige beschikking zijn van overeenkomstige toepassing, voorzover de aard van de voldoening, de afdracht (…) zich daartegen niet verzet.

5.2.

Verweerder stelt dat de Overgangsregeling voorschrijft dat de toepassing van de herrekening dan wel teruggave dient te gebeuren bij de laatste aangifte over 2011, en dat het eerst in bezwaar tegen de eigen aangifte toepassen van de herrekening mogelijk in strijd komt met de werkwijze die de wetgever in de tekst van de Overgangsregeling heeft vastgelegd. Deze werkwijze is, aldus verweerder, in overleg met de branchevereniging juist voor deze situatie overeengekomen teneinde tot een snelle afsluiting van de fiscale rechten en verplichtingen te komen.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de regeling van artikel 26, tweede lid, van de Awr meebrengt dat in bezwaar tegen de eigen aangifte alsnog een beroep kan worden gedaan op de teruggaafmogelijkheid. De omstandigheid dat de wetgever heeft bepaald dat het verzoek moet worden gedaan bij de laatste aangifte over 2011 doet hier niet aan af. De door de wetgever gewenste voortvarendheid teneinde tot een snelle afsluiting te komen heeft ertoe geleid dat de in-/uitmethode uiterlijk bij de laatste aangifte over 2011 moet worden toegepast voor de nog aanwezige voorraden. Dat dit niet nog in bezwaar of beroep tegen die laatste aangifte mogelijk zou zijn blijkt noch uit de wettekst noch uit de totstandkomingsgeschiedenis, en zou ook niet in overeenstemming zijn met het wettelijke systeem van bezwaar- en beroepsmogelijkheden. Het uitgangspunt van artikel 26, tweede lid, van de Awr is immers dat ook tegen een eigen aangifte bezwaar en beroep openstaat. Dit betekent dat ook op de vermindering zoals neergelegd in de Overgangsregeling nog een beroep kan worden gedaan in het bezwaar tegen de voldoening op aangifte. Hetgeen verweerder stelt leidt dus in zoverre niet tot het oordeel dat het bezwaar niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard.

5.4.

De rechtbank ziet evenmin aanleiding het beroep niet-ontvankelijk te achten vanwege het ontbreken van (financieel) belang van eiseres. Nu de afvalstoffenbelasting door eiseres op aangifte is voldaan en zij stelt recht op teruggaaf van de voldane afvalstoffenbelasting te hebben, staat daarmee haar financieel belang vast. De omstandigheid dat zij de afvalstoffenbelasting reeds heeft doorberekend aan de aanbieders van afvalstoffen aan haar inrichting, wat daarvan ook zij, doet hieraan niet af.

Recht op teruggaaf dan wel vermindering

5.5.

Eiseres heeft in de herinvoering van de afvalstoffenbelasting per 1 april 2014 reden gezien om de oorspronkelijke volgorde van haar standpunten te wijzigen in de volgorde zoals hiervoor onder 3.2 weergegeven. Aangezien de rechtbank evenwel pas toekomt aan de vraag of sprake is van schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur dan wel van artikel 1 EP indien de rechtbank oordeelt dat eiseres niet reeds op grond van de Overgangsregeling recht heeft op de door haar geclaimde vermindering, zal de rechtbank allereerst het derde en vierde standpunt van eiseres bespreken, en vervolgens - indien nodig - het eerste en tweede standpunt.

5.6.

Eiseres stelt dat zij op basis van de tekst van de Overgangsregeling recht heeft op vermindering dan wel teruggaaf van afvalstoffenbelasting. Daarbij beroept zij zich op de parlementaire geschiedenis ter zake van de totstandkoming van de afschaffing. Eiseres stelt dat het begrip ‘voorraden’ in de Overgangsregeling zo moet worden uitgelegd dat hieronder moet worden verstaan: alle binnen de inrichting van eiseres aanwezige brandbare afvalstoffen die realistisch zijn bestemd om de inrichting na die datum te verlaten (of zullen verlaten). Het begrip ‘gestort’ in de Overgangsregeling moet volgens eiseres zo worden uitgelegd dat alleen afvalstoffen die op of in de bodem zijn gebracht en daar worden gelaten, als gestort worden aangemerkt. Indien ten aanzien van stoffen die zijn gestort op enig moment de intentie wijzigt zodat deze stoffen moeten worden aangemerkt als tijdelijk gestort, is volgens eiseres niet aan de wettelijke definitie van storten voldaan. De stoffen waarvoor eiseres vermindering claimt en die volgens eiseres de inrichting nog zullen verlaten, dienen gelet hierop niet als gestort in de zin van de Overgangsregeling te worden aangemerkt. Voorts wijst eiseres erop dat uit de parlementaire geschiedenis op geen enkele wijze blijkt dat de wetgever heeft bedoeld om claims op basis van de in-/uitmethode buiten het bereik van de overgangsregeling te houden. Samengevat komt het standpunt van eiseres erop neer dat moet worden uitgegaan van een ruime uitleg van de Overgangsregeling, te weten in één keer afrekenen van de claims.

5.7.

Verweerder stelt dat de Overgangsregeling niet van toepassing is op de stoffen ter zake waarvan eiseres vermindering claimt. Verweerder betoogt dat de begrippen ‘voorraden’ en ‘gestort’ anders moeten worden uitgelegd dan eiseres voorstaat. Volgens verweerder is de Overgangsregeling alleen van toepassing, en kan dus alleen van ‘voorraden’ worden gesproken, voor zover uit boeken en bescheiden blijkt dat de stoffen, preparaten of voorwerpen niet zijn gestort als bedoeld in de Wet milieubeheer. Voor wat betreft de betekenis van het begrip ‘gestort’ stelt verweerder dat op het tijdstip waarop de stoffen op of in de bodem worden gebracht, naar objectieve maatstaven moet kunnen worden vastgesteld of de stoffen bestemd zijn om daar te blijven. Nu eiseres geen vergunning had voor niet storten of tijdelijke opslag van afvalstoffen en alle stoffen zijn gestort onder ontheffing van het stortverbod, moeten de onderhavige stoffen worden aangemerkt als gestort, aldus verweerder.

5.8.

De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat de stoffen waarvoor eiseres een teruggaaf claimt, moeten worden aangemerkt als gestort. Naar het oordeel van de rechtbank is de Overgangsregeling in de eerste plaats naar haar letterlijke bewoordingen alleen van toepassing op stoffen die niet gestort zijn in de zin van de Wet milieubeheer, en die dat ook nooit zijn geweest. De zich in het stortlichaam van de inrichting van eiseres bevindende afvalstoffen ten aanzien waarvan eiseres stelt dat zij de intentie heeft ze van de inrichting af te voeren ter verbranding, dienen ook thans te worden aangemerkt als ‘gestort’. Ook indien later blijkt dat stoffen wellicht ‘tijdelijk’ gestort zijn geweest omdat deze alsnog de inrichting verlaten, zijn de stoffen wel gestort geweest en vallen zij daarmee buiten bereik van de Overgangsregeling. In de tweede plaats blijkt naar het oordeel van de rechtbank ook uit de parlementaire geschiedenis niet dat de wetgever een zodanig ruime overgangsregeling heeft willen treffen dat een vermindering zou gelden voor reeds gestorte afvalstoffen waarvan enkel wordt gesteld dat deze de inrichting zullen verlaten. Dit zou immers leiden tot een veel verdergaand recht op vermindering dan waarop recht bestond onder de wettelijke regeling tot 1 januari 2012. Onder die regeling was immers vereist dat de afvalstoffen daadwerkelijk de inrichting hadden verlaten. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan, en zo blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis, dat de wetgever een regeling heeft willen treffen voor afvalstoffen die wel reeds voor 31 december 2011 aan de inrichting waren afgegeven - en waarover dus afvalstoffenbelasting verschuldigd was geworden - maar waarvan op dat moment reeds vaststond dat deze niet gestort zouden gaan worden omdat ze de inrichting weer zouden verlaten. In dit licht dient ook de term ‘voorraden’ te worden gelezen: hiermee bedoelt de wetgever kennelijk niet-gestorte afvalstoffen die de inrichting weer zullen verlaten. Dat uit de parlementaire geschiedenis niet (expliciet) blijkt dat de wetgever claims onder de tot 1 januari 2012 bestaande regeling buiten bereik van de Overgangsregeling heeft willen houden is, anders dan eiseres betoogt, geen aanwijzing dat de wetgever deze claims wél onder de Overgangsregeling heeft willen brengen. In eerste instantie was immers bij de afschaffing van de afvalstoffenbelasting in het geheel niet voorzien in een overgangsregeling. Uit de toelichting bij de Nota van wijziging waarbij de Overgangsregeling in het leven is geroepen, valt niet op te maken dat de wetgever een zodanig ruime strekking aan de regeling heeft willen geven als eiseres betoogt. Deze toelichting heeft het immers over ‘binnen de inrichting voorradig afval dat niet is gestort omdat bij voorbaat bekend is dat het (deels) bedoeld is om het elders te verbranden, te hergebruiken of nuttig toe te passen’. Hieronder valt derhalve niet het afval dat dient te worden aangemerkt als gestort (geweest).

5.9.

Eiseres stelt voorts (thans als vierde standpunt) dat de Overgangsregeling eerbiedigende (uitgestelde) werking dient te hebben, die zo nodig contra legem wordt verleend. Eiseres voert aan dat zij een voorwaardelijke claim had op teruggaaf van afvalstoffenbelasting die was voldaan over stoffen die de inrichting later weer zouden verlaten. Door de afschaffing van de afvalstoffenbelasting is die voorwaardelijke claim met terugwerkende kracht teniet gedaan. Bij eiseres bestond bovendien de gerechtvaardigde verwachting dat de voldane belasting zou worden terugontvangen bij afvoer vanaf de inrichting. Dit betekent dat de afschaffing van de afvalstoffenbelasting zowel materieel als maatschappelijk terugwerkende kracht heeft, aldus eiseres. Voorts verwijst eiseres naar de Aanwijzingen voor de regelgeving, waarin wordt ingegaan op de mogelijkheid een vóór invoer van een nieuwe regeling geldende regeling tijdelijk of blijvend van toepassing te laten blijven. Zij maakt in dit kader tevens - naar de rechtbank begrijpt - een vergelijking met de afschaffing van de Wet op de Investeringsregeling in 1988, waarbij de aanspraken van het Rijk op WIR-desinvesteringsbetalingen nog jarenlang bleven bestaan. Eiseres concludeert dat de wetgever met de Overgangsregeling de bedoeling heeft gehad een vorm van eerbiedigende werking op te nemen voor stoffen die worden afgevoerd ter verbranding of recycling en dat deze eerbiedigende werking aan haar dient te worden verleend.

5.10.

Verweerder betoogt dat het de rechter niet vrijstaat om wetten aan de Grondwet te toetsen of de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te beoordelen, zodat niet in strijd met de Overgangsregeling eerbiedigende werking aan de Overgangsregeling kan worden toegekend.

5.11.

De rechtbank is van oordeel dat aan de Overgangsregeling niet de door eiseres voorgestane eerbiedigende werking kan worden toegekend. De rechtbank maakt uit het betoog van eiseres op dat zij vindt dat de Overgangsregeling in haar geval tot een onbillijk resultaat leidt. Het is evenwel niet aan de rechter om de innerlijke waarde of billijkheid van een wettelijke regeling te beoordelen, zoals volgt uit artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (ook wel: Wet algemene bepalingen). Het is evenmin aan de rechter om te beoordelen of gelet op de Aanwijzingen voor de regelgeving dan wel de Notitie inzake terugwerkende kracht en eerbiedigende werking, in het onderhavige geval eerbiedigende werking op zijn plaats was geweest. Voorts leidt de enkele omstandigheid dat de wetgever in andere gevallen wel reden heeft gezien tot het treffen van een (ruimere) overgangsregeling er niet toe dat de rechter in het onderhavige geval eerbiedigende werking aan de Overgangsregeling zou kunnen toekennen. Tot slot kan uit de parlementaire geschiedenis, zoals hiervoor onder 5.8 reeds geoordeeld, niet worden opgemaakt dat de wetgever reeds gestorte stoffen onder de Overgangsregeling heeft willen laten vallen, en dus evenmin dat hiervoor eerbiedigende werking toekomt aan de Overgangsregeling.

5.12.

Uit het voorgaande volgt dat de Overgangsregeling naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dient te worden uitgelegd dat eiseres op grond van die regeling recht heeft op een teruggaaf van afvalstoffenbelasting. Vervolgens zal de rechtbank de andere standpunten van eiseres beoordelen.

5.13.

Eiseres stelt dat op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel, recht bestaat op de gevraagde teruggaaf van afvalstoffenbelasting. Zij beroept zich hierbij op de zogenoemde doorbraakarresten van de Hoge Raad van 12 april 1978, LJN: AX3264, AC2432 en AM4447, BNB 1978/135-137. Volgens eiseres zou er sprake zijn van een onaanvaardbare inbreuk op de rechtszekerheid indien haar op de in-/uitmethode gebaseerde claim op restitutie van door haar voldane afvalstoffenbelasting, welke claim zij te allen tijde en onbeperkt in de tijd zelf kon inroepen door afval van haar stortplaats af te voeren, zou verdampen. Dit klemt volgens eiseres temeer omdat de afvalstoffenbelasting snel is afgeschaft en de wetgever daarbij geen enkele reden voor een dergelijke verdamping heeft gegeven.

5.14.

Verweerder stelt dat eiseres niet duidelijk maakt welke feiten en omstandigheden tot schending van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur een daarmee tot toepassing van de doorbraakarresten zou moeten leiden.

5.15.

In de door eiseres genoemde arresten oordeelde de Hoge Raad dat onder omstandigheden strikte toepassing van de wet in die mate in strijd kan komen met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat toepassing van de wet achterwege dient te blijven. Het vertrouwensbeginsel houdt in dat een bestuursorgaan verwachtingen die door hem omtrent een te volgen gedragslijn zijn gewekt en waarop een belastingplichtige zich in redelijkheid kan beroepen, honoreert. Van dergelijk vertrouwen kan volgens de Hoge Raad in die arresten tevens sprake zijn indien een belastingplichtige vertrouwen heeft mogen ontlenen aan uitlatingen, afkomstig van voor de belastingdienst verantwoordelijke bewindslieden, die kunnen zijn vervat in ministeriële resoluties die met medewerking of goedvinden van de belastingdienst zijn gepubliceerd en aldus ter kennis van het publiek zijn gekomen. De rechtbank is van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt, noch dat uit de stukken van het dossier is gebleken dat verweerder, dan wel enige voor verweerder verantwoordelijke bewindspersoon, uitlatingen heeft gedaan waaraan eiseres het vertrouwen heeft mogen ontlenen dat de in-/uitmethode in dit geval van toepassing zou blijven. In het bijzonder is van handelen door verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel geen sprake door de op de tot 1 januari 2012 bestaande claim op restitutie van afvalstoffenbelasting na afschaffing van deze belasting niet te honoreren, nu deze regeling per 1 januari 2012 niet meer in de wet is neergelegd. Dat eiseres zich niet kan vinden in de wettelijke regeling vanaf 1 januari 2012 en in de (gevolgen van) de Overgangsregeling in het bijzonder, leidt er niet toe dat verweerder in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft gehandeld enkel door die wettelijke regeling toe te passen.

5.16.

Voorts stelt eiseres dat het niet verlenen van een teruggaaf op grond van de Overgangsregeling leidt tot een inbreuk op artikel 1 EP. Eiseres betoogt dat de door haar als “voorwaardelijke aanspraak” betitelde claim op basis van de in-/uitmethode dient te worden aangemerkt als eigendom in de zin van artikel 1 EP en dat sprake is van een niet-rechtsgeldige inmenging in het eigendomsrecht die niet in het algemeen belang is en die tevens niet proportioneel is. In dat verband wijst zij tevens op een uitspraak van het Hof Arnhem van 12 februari 2013, LJN: BZ1428, waarin dat hof tot het oordeel kwam dat onvoldoende argumenten waren gegeven voor de (materiële) terugwerkende kracht van de in geschil zijnde regeling, terwijl het ging om een zeer aanzienlijk belang en de belanghebbende in die procedure de invoering van zulk een regeling niet verwachtte en redelijkerwijs ook niet kon voorzien, zodat volgens het Hof sprake was van strijd met artikel 1 EP.

5.17.

Verweerder stelt in de eerste plaats dat het vervallen van de mogelijkheid tot vermindering of teruggaaf van afvalstoffenbelasting geen eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP vormt. Voorts stelt verweerder dat, indien wel sprake zou zijn van een eigendomsrecht, de aantasting heeft plaatsgevonden op een wettelijke basis waarbij een Overgangsregeling is getroffen, waarbij het de wetgever vrijstond om de mogelijkheid tot teruggaaf of vermindering beperkter te doen zijn dan de voorheen bestaande mogelijkheid. Van een ongeoorloofde aantasting van het eigendomsrecht is derhalve geen sprake, aldus verweerder.

5.18.

Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten van de Mens dient het begrip “eigendom” niet te worden opgevat in de nationale, civielrechtelijke betekenis van het woord, maar kan dit een ruimere strekking hebben en kunnen ook vorderingen en aanspraken onder omstandigheden als eigendom worden aangemerkt. Wel moet er een gerechtvaardigde verwachting bestaan dat een aanspraak ook daadwerkelijk opgeëist kan worden. Naar het oordeel van de rechtbank kon eiseres aan de tot 1 januari 2012 bestaande regeling niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat ook na afschaffing van de afvalstoffenbelasting voorheen bestaande claims (ongewijzigd) zouden blijven voortbestaan. Het enkele verloren gaan van een onder de oude regeling bestaande mogelijkheid van teruggaaf, waarbij de rechtbank erop wijst dat van een recht op teruggaaf ook onder de tot 1 januari 2012 bestaande regeling geen sprake zou zijn geweest omdat (nog) niet aan de voorwaarden was voldaan, leidt er derhalve niet toe dat sprake is van een inbreuk op een eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP. Deze stelling van eiseres slaagt evenmin.

5.19.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

6 Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

7 Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C. van As, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A. van Dongen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2014.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.