Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1560

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
26-02-2014
Zaaknummer
C/14/144307 / FA RK 13-455
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, tegenover de voormelde betwisting door de man, haar stelling dat zij behoefte heeft aan het door haar verzochte, onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt noch verifieerbaar onderbouwd wat haar huwelijks gerelateerde behoefte is. Met betrekking tot haar huidige uitgaven heeft zij bovendien slechts melding gemaakt van haar vaste lasten. Nu de rechtbank niet over andere gegevens beschikt zal de rechtbank van deze lijst uitgaan. Blijkens voornoemde lijst heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage van afgerond € 1.139,00 netto per maand. Volgens de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2012 heeft zij een inkomen van € 28.127,00. Haar netto besteedbaar inkomen bedraagt gemiddeld € 1.700,00 per maand. Op grond van voormelde gegevens heeft de vrouw geen behoefte aan een aanvullende uitkering ten laste van de man.

De rechtbank wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in haar levensonderhoud af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

HZ

zaaknummer / rekestnummer: C/14/144307 / FA RK 13-455

Beschikking 29 januari 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. S.I. Fonds, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. P.B. Rietberg, gevestigd te Groningen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 7 maart 2013;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek;

- aanvullende (financiële) stukken van de vrouw;.

- aanvullende (financiële) stukken van de man.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 11 december 2013.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Fonds, alsmede de man, bijgestaan door mr. Rietberg.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats]. De vrouw heeft de Nederlandse en de Braziliaanse nationaliteit. De man heeft de Nederlandse nationaliteit.

2.2.

Scheiding

2.2.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.2.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift beide partijen in ieder geval de Nederlandse nationaliteit bezaten, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.2.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.

Onderhoudsbijdrage

2.3.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 2.000,00 per maand.

2.3.2.

De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het alimentatieverzoek kennis te nemen.

2.3.3.

De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft.

2.3.4.

De vrouw heeft ter onderbouwing van haar verzoek aangevoerd dat de inkomens van partijen ongelijk zijn en de vrouw derhalve behoefte heeft aan een partnerbijdrage. Conform de Hofnorm heeft de vrouw haar behoefte becijferd op € 1.951,00 netto per maand.

Bij beschikking van 13 mei 2013 is in een procedure voorlopige voorzieningen het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een partnerbijdrage afgewezen, omdat de man de behoefte gebaseerd op de Hofnorm had bestreden en de rechtbank van oordeel was dat de vrouw haar behoefte vervolgens onvoldoende heeft onderbouwd. De vrouw heeft thans een lijst overgelegd van haar concrete kosten van levensonderhoud, zijnde € 1.138,50 netto per maand. Daarbij heeft de vrouw aangegeven dat de mate van welstand tijdens het huwelijk hoger was dan de wijze waarop de vrouw thans, bij gebrek aan een bijdrage van de man, moet leven. Het totaal van vaste lasten is daardoor in haar behoeftelijst relatief laag in vergelijking tot de mate van welstand waarop zij gewend was te leven. De vrouw stelt dat zij recht heeft op een partnerbijdrage die in verhouding staat tot de mate van welstand waarin zij gewend was te leven.

2.3.5.

De man heeft aangevoerd dat de behoefte van de vrouw concreet dient te worden onderbouwd. Voorts heeft de man aangevoerd dat er nauwelijks sprake is van lotsverbondenheid. Gelet op het werk van de man in het buitenland hebben partijen sinds 2007 niet meer dan 21,9 maanden samengewoond. Het netto gezinsinkomen kan niet als

norm worden gebruikt. De vrouw had en heeft een eigen inkomen. Zij werkt in de zomer 5 dagen, een aantal maanden 4 dagen en in de winter 3 dagen. Gelet op het feit dat er geen kinderen zijn en de leeftijd van de vrouw, kan van haar verwacht worden dat zij in de winter haar werkzaamheden uitbreidt. De vrouw beschikt over onroerend goed in Brazilië en

derhalve over vermogen dat zij kan laten renderen. Partijen hebben spaargeld geïnvesteerd in de woning van de oma van de vrouw. De vrouw kan ook uit deze investering inkomen genereren. Indien er een partnerbijdrage wordt opgelegd, verzoekt de man die bijdrage te limiteren tot 21 maanden, gelet op de korte periode waarin partijen tijdens het huwelijk feitelijk hebben samengeleefd.

2.3.6

De rechtbank zal eerst ingaan op de stelling van de man dat er geen sprake is van lotsverbondenheid, nu partijen feitelijk gezien nog geen twee jaar van hun huwelijk met elkaar hebben doorgebracht, omdat de man steeds in het buitenland werkte en de vrouw in Nederland.

De rechtbank overweegt dat de lotsverbondenheid, die ontstaan is door het huwelijk en daarna nog doorwerkt, één van de voornaamste gronden voor de alimentatieplicht is. De rechtbank is van oordeel dat de stelling van de man niet slaagt. Het enkele feit dat een partner tijdens het huwelijk veelvuldig elders verblijft in verband met werk, maakt niet dat er geen sprake zou zijn van lotsverbondenheid. De vrouw heeft voorts onweersproken ter zitting gesteld dat partijen voordat zij trouwden al zeven jaar bij elkaar waren.

de behoefte

2.3.7

Bij het bepalen van de mede aan de welstand gedurende het huwelijk gerelateerde behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat zowel in aanmerking moet worden genomen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest, als een globaal inzicht in het uitgavenpatroon in dezelfde periode moet zijn gegeven. Ook vermogensvorming zal in beginsel bijdragen tot het oordeel van de welstand waarin partijen hebben geleefd. Daarnaast zal de behoefte zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud moeten worden bepaald.

Aangezien de vrouw om een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud verzoekt, ligt bij de vrouw de plicht om voldoende te stellen dat er sprake is van een behoefte.

2.3.8

Ter onderbouwing van haar stelling dat zij behoefte heeft aan een onderhoudsbijdrage van de zijde van de man, heeft de vrouw zich gebaseerd op de zogenaamde Hofformule. Naast deze maatstaf heeft zij ter onderbouwing van haar behoefte een lijst met haar huidige kosten overgelegd. Voorts is de vrouw van mening dat de door haar berekende vrije ruimte (jus-vergelijking) in overeenstemming is met het verzoek van de vrouw, en wordt door de vrouw om die reden als redelijk beschouwd.

2.3.9

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, tegenover de voormelde betwisting door de man, haar stelling dat zij behoefte heeft aan het door haar verzochte, onvoldoende onderbouwd. De vrouw heeft niet inzichtelijk gemaakt noch verifieerbaar onderbouwd wat haar huwelijks gerelateerde behoefte is. Met betrekking tot haar huidige uitgaven heeft zij bovendien slechts melding gemaakt van haar vaste lasten. Nu de rechtbank niet over andere gegevens beschikt zal de rechtbank van deze lijst uitgaan.

Blijkens voornoemde lijst heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage van afgerond € 1.139,00 netto per maand. Volgens de door de vrouw overgelegde jaaropgave 2012 heeft zij een inkomen van € 28.127,00. Haar netto besteedbaar inkomen bedraagt gemiddeld € 1.700,00 per maand. Op grond van voormelde gegevens heeft de vrouw geen behoefte aan een aanvullende uitkering ten laste van de man.

2.3.10

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in haar levensonderhoud afwijzen.

2.4.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht partijen te veroordelen om met elkaar over te gaan tot de verdeling van de gemeenschap van inboedel, en tot verrekening zoals beschreven in artikel 15 van de huwelijksvoorwaarden.

2.4.2.

De man heeft verzocht te bepalen:

- dat partijen over gaan tot verdeling dan wel verrekening op grond van de fictieve gemeenschap van goederen conform artikel 15 van de huwelijkse voorwaarden;

- dat de vrouw bewijsstukken dient te overleggen waaruit blijkt welke bedragen er op haar spaarrekening en de lopende rekening stonden op 12 september 2012, dan wel zijn overgeboekt naar Brazilië vanaf datum huwelijk 18 december 2007 tot aan september 2012, alsmede bewijsstukken over te leggen van de huuropbrengsten van appartementen en grond in Brazilië en de investeringen gedaan in het huis van oma en investeringen in het huis van de moeder van de vrouw;

- dat aan de man zal worden toebedeeld: de op zijn naam staande zaken alsmede de twee in het verzoekschrift genoemde schulden onder verrekening en de auto zonder verrekening;

- dat aan de vrouw wordt toebedeeld: de op haar naam staande zaken onder verrekening alsmede de vordering op haar familie inzake de investering in het huis van haar familie (onder verrekening) en haar auto zonder verrekening.

2.4.3.

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.

Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.

Blijkens de notariële akte hebben partijen een rechtsgeldige keuze voor Nederlands recht gemaakt, zodat dit recht van toepassing is.

2.4.4.

De rechtbank zal, aangezien partijen geen overeenstemming hebben over de afwikkeling van de huwelijks voorwaarden dan wel de verdeling van de gemeenschap van inboedel, de behandeling daarvan aanhouden als hierna vermeld.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te Texel op 18 december 2007;

3.2.

Houdt iedere verdere behandeling met betrekking tot de tussen partijen in geschil zijnde afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden pro forma aan tot donderdag 24 april 2014 en bepaalt dat conform artikel 9.3 van het procesreglement scheiding uiterlijk vier weken vóór deze datum na te melden bescheiden in het geding dienen te worden gebracht:  

·   een exemplaar van de huwelijkse voorwaarden;

·   een overzicht van eventueel te verrekenen bedragen gestaafd met bewijzen, met inachtneming van artikel 141 lid 3 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, indien van toepassing;

·   een voorstel tot afwikkeling.

3.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 29 januari 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.