Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1473

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
13-02-2014
Datum publicatie
21-02-2014
Zaaknummer
15/710840-12
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het door de Afdeling gegeven oordeel in de bestuursrechtelijke procedure betreft in wezen dezelfde vraag die de kantonrechter moet beoordelen, namelijk of De Koers is aan te merken als een school in de zin van artikel 1 sub b onder 3 Lpw ‘69. De kantonrechter is in beginsel aan de beslissing van de Afdeling gebonden. Zoals door de Hoge Raad is uitgemaakt, kan onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan om hierop een uitzondering te maken. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan echter naar het oordeel van de kantonrechter niet als zodanige bijzondere omstandigheid gelden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Kantonrechter

locatie Haarlem

Parketnummer: 15/710840-12

Uitspraakdatum: 13 februari 2014

Tegenspraak

Schriftelijk vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 7 maart 2013, 27 mei 2013 en 30 januari 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats].

De kantonrechter heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

[officier van justitie] en van wat verdachte en zijn gemachtigden, [gemachtigden] naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in om omstreeks de periode van 03 september 2012 tot en met heden, althans in of omstreeks de periode van 03 september 2012 tot en met 05 november, te [plaats], in elk geval in Nederland, een of meermalen, terwijl hij (telkens) als degene die het gezag uitoefende over de jongere(n) [jongere], geboren op [geboortedatum] en/of [jongere], geboren op [geboortedatum], althans terwijl hij zich (telkens) met de feitelijke verzorging van die jongere(n) had belast, (telkens) niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongere(n), als leerling van een school, in de zin van de

Leerplichtwet 1969, was/waren ingeschreven.

2 Voorvragen

De kantonrechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 500,- subsidiair 10 dagen vervangende hechtenis.

4 Bewijs

4.1

Redengevende feiten en omstandigheden1

De kantonrechter komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Verdachte is de gezaghebbende vader van de jongeren[jongere], geboren op [geboortedatum] en [jongere], geboren op [geboortedatum]. Deze jongeren waren in de periode van 3 september 2012 tot en met 5 november 2012 volledig leerplichtig en stonden ingeschreven op de particuliere school De Koers te [plaats], welke school niet als een school in de zin van de Leerplichtwet 1969 (hierna afgekort: Lpw ‘69) is erkend.2

4.2

Bewijsoverweging

4.2.1

De kantonrechter neemt het volgende als vaststaand aan.

De Koers is als rechtspersoon op 8 april 2008 opgericht naar het concept van de Sudbury Valley School in Framingham, Massachussetts, Verenigde Staten van Amerika.

Naar aanleiding van een negatief advies van de Inspectie van het Onderwijs (hierna afgekort: de Inspectie) op 2 juli 2009 is een bestuursrechtelijke procedure aangevangen over de vraag of De Koers aan de wettelijke eisen voldoet en als een school in de zin van de Lpw ’69 kan worden beschouwd. De Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak (hierna afgekort: de Afdeling) heeft, voor zover van belang, in de einduitspraak van 15 augustus 20123 geoordeeld dat de bezwaren tegen het bestreden besluit, inhoudende dat De Koers niet als een school in de zin van de Lpw ‘69 wordt erkend, falen.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna afgekort: het OCW) heeft op 22 september 2010 aan De Koers kenbaar gemaakt dat het “eigen besluit” van De Koers, deze instelling niet maakt tot een experiment als bedoeld in de Experimentenwet onderwijs en de status van De Koers met betrekking tot de Lpw ‘69 niet wijzigt.

Op 4 april 2011 heeft de leerplichtambtenaar aan verdachte meegedeeld dat zij de bestuursrechtelijke procedure zal afwachten. Tevens heeft zij hem voorgelicht over het verdere verloop van de zaak indien De Koers niet zou worden erkend als een school in de zin van de Lpw ‘69.

Op 3 september 2012 is verdachte door de leerplichtambtenaar geïnformeerd over de status van de inschrijving van zijn kinderen op de particuliere school De Koers. Daarbij is verdachte in de gelegenheid gesteld om zijn kinderen op een school in te schrijven die aan de eisen van de Lpw ‘69 voldoet. Verdachte heeft daar geen gebruik van gemaakt en de leerplichtambtenaar heeft vervolgens op 6 november 2012 een proces-verbaal tegen hem opgemaakt. De verdediging heeft ter zitting van 30 januari 2014 te kennen gegeven dat de kinderen van verdachte nog steeds ingeschreven staan bij De Koers en aldaar onderwijs volgen.

4.2.2

De verdediging stelt zich op het standpunt dat er bijzondere omstandigheden4 aan de orde zijn waardoor de kantonrechter in deze zaak niet gebonden is aan voormelde uitspraak van de Afdeling en dat verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Deze bijzondere omstandigheden worden hierna uiteengezet.

4.2.3

De Inspectie heeft fouten gemaakt bij het inspecteren van De Koers, aldus de verdediging. De Inspectie heeft geen overleg gevoerd over een toezichtkader om De Koers te inspecteren. De Koers is opgericht na het vaststellen van het toezichtkader. Een uitnodiging van De Koers om voorafgaand aan de inspectie de wijze van toezicht te bespreken is afgewezen. De Inspectie heeft gekozen voor een directe manier van kwaliteitsmeting, terwijl een indirecte manier van kwaliteitsmeting veel beter past bij de pedagogische visie van De Koers. De Inspectie heeft niet beoordeeld op de wettelijke eisen, maar heeft zelf criteria verzonnen. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging verwezen naar het proefschrift “Het doel wel gesteld” van [naam].

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de Inspectie in haar rapport aangaande het oordeel of een school voldoet aan de wettelijke criteria, deze wettelijke criteria op geen enkele wijze noemt en dat er niet wordt beargumenteerd waarom De Koers niet aan deze criteria zou voldoen.

4.2.4

De Koers voldoet aan de intenties en de criteria van de Lpw ‘69. Verdachte herkent de school op geen enkele wijze in het rapport van de Inspectie en bestrijdt de inhoud hiervan voor wat betreft de negatieve oordelen. Ter onderbouwing is verwezen naar de zienswijze van De Koers op de inspectierapporten (d.d. 1 november 2011) en de door De Koers zelf opgestelde kwaliteitsevaluatie5, waarbij de onderzoeksvragen door De Koers positief worden beantwoord. De Koers voldoet volgens haar eigen inspectie volledig aan de intentie van de wetgever. Aangezien de Inspectie het door De Koers gestelde niet heeft weerlegd in haar inspectierapporten, is verdachte er, vanuit het oogpunt van behoorlijk bestuur, vanuit gegaan dat de kwaliteitsevaluatie van De Koers de werkelijkheid van de school weergeeft. De school heeft zelf niet getoetst aan de wettelijke criteria, maar slechts op indirecte wijze via de onderzoeksvragen van de handelwijzen.

Voorts heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat het inspectierapport, voor wat betreft het primair onderwijs, informatie bevat die laat zien dat De Koers wel degelijk aan de wettelijke criteria voldoet en dat de inspectierapporten niet als bewijs kunnen dienen in een rechtszaak tegen ouders.

4.2.5

De Koers voldoet aan de wet aangezien het een experimentele school is. Ter onderbouwing is naar voren gebracht dat het bevoegd gezag van De Koers de Minister van het OCW op 24 augustus 2010 heeft geïnformeerd dat zij een experiment zijn gestart met als doel het Sudbury onderwijs ook in Nederland een volwaardige, toegankelijke en geaccepteerde vorm van onderwijs te maken. Verdachte stelt zich op het standpunt dat De Koers sinds 1 juli 2010 de experimentstatus heeft en de ouders derhalve niet schuldig zijn aan overtreding van de inschrijvingsplicht omdat de bepalingen dat een school moet voldoen aan artikel 1 van de Lpw ’69 door de Experimentenwet onderwijs als het ware zijn ‘uitgeschakeld’.

4.2.6

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat het recht op onderwijs en ontplooiing voor kinderen, gebaseerd op de pedagogische en levensbeschouwelijke visie van de ouders, wordt beschermd door de sociale grondrechten die vastliggen in onder andere het Charter of Fundamental Rights of the European Union (hierna afgekort: het Charter), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (hierna afgekort: het IVRK) en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna afgekort: het EVRM). Waar het de educatie/opvoeding betreft hebben ouders conform artikel 14 van het Charter het recht dit te doen conform eigen filosofische en pedagogische overtuigingen.

4.2.7

Er is sprake van schending van artikel 6 van het EVRM. Verdachte heeft aangevoerd dat de wijze waarop de Inspectie en de Minister hebben vastgesteld dat De Koers geen school in de zin van de Lpw ‘69 is, geen (overtuigend) bewijs oplevert voor onderhavige strafzaak. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat deze wijze van vaststellen een omkering van de bewijslast oplevert omdat de scholen dan wel de ouders moeten aantonen dat wel degelijk aan de gestelde eisen is voldaan. Door de bewijslast in de bestuursrechtelijke

procedure bij de school te leggen, is er sprake van schending van artikel 6 EVRM, meer in het bijzonder van de onschuldpresumptie.

4.2.8

De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt.

Het door de Afdeling gegeven oordeel in de bestuursrechtelijke procedure betreft in wezen dezelfde vraag die de kantonrechter moet beoordelen, namelijk of De Koers is aan te merken als een school in de zin van artikel 1 sub b onder 3 Lpw ‘69. De kantonrechter is in beginsel aan de beslissing van de Afdeling gebonden. Zoals door de Hoge Raad is uitgemaakt, kan onder bijzondere omstandigheden aanleiding bestaan om hierop een uitzondering te maken. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd kan echter naar het oordeel van de kantonrechter niet als zodanige bijzondere omstandigheid gelden.

4.2.9

Uit de dossierstukken blijkt dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 6 augustus 2010 heeft vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 17 november 2009 in stand blijven. De Afdeling heeft het besluit van 8 november 2011 – dat gebaseerd is op de onderzoeksrapporten van de Inspectie en waarin aan de hand van de in de Handelwijzen opgenomen onderzoeksvragen is getoetst aan criteria uit artikel 1a1, eerste lid, van de Lpw ‘69 – in stand gelaten en het beroep van De Koers daartegen ongegrond verklaard. De Afdeling heeft de betogen van De Koers uitdrukkelijk in zijn overwegingen betrokken en daarover geoordeeld. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd, heeft de Inspectie in haar onderzoeksrapport wel degelijk getoetst aan de criteria van artikel 1a1 onder a van de Lpw ‘69 en artikel 8 van de Wet op het primair onderwijs. Voornoemde criteria zijn in het onderzoek van het primaire onderwijs aan De Koers behandeld en beantwoord bij de onderzoeksvragen 1, 2, 3, 4, 5 en 6. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de Inspectie duidelijk uiteen heeft gezet op grond waarvan De Koers niet voldoet aan de wettelijke criteria.

Nu het besluit van 8 november 2011 door de Afdeling in stand is gelaten, kan dit het oordeel dragen dat het onderzoek door de Inspectie op de juiste wijze en door middel van het juiste toetsingskader heeft plaatsgevonden. De verwijzing naar het proefschrift van [naam] maakt dit niet anders.

4.2.10

Ter zitting is duidelijk geworden dat de opzet van De Koers tot op heden niet gewijzigd is waardoor het betoog dat De Koers voldoet aan de intenties en de criteria van de Lpw ‘69 faalt. Desgevraagd heeft de verdediging aangegeven dat de Inspectie geen beleidsaanbevelingen wil doen omdat dit zou betekenen dat zij zouden handelen in strijd met artikel 23 van de Grondwet. De Inspectie heeft De Koers wel in overweging gegeven een externe/onafhankelijke deskundige in de arm te nemen om te bezien welke aanpassingen zo nodig toegepast kunnen worden om het predicaat “school in de zin van de Lpw ‘69” te verkrijgen. De verdediging heeft hierop aangevoerd dat De Koers externe onafhankelijken heeft ingeschakeld, waaronder[onderwijsinspecteur], onderwijsinspecteur in Engeland, [hoogleraar], hoogleraar evolutionaire psychologie van het Boston College, en professor [professor], oud-inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie. De rapportages c.q. uitlatingen van voornoemde personen maken echter niet duidelijk dat de wettelijke kerndoelen op enige manier worden geïncorporeerd in het onderwijs bij De Koers, evenmin hebben de uitkomsten hiervan tot het door De Koers gewenste resultaat geleid.

4.2.11

Gelet hierop ziet de kantonrechter geen aanleiding om anders dan de Afdeling te oordelen over de vraag of De Koers een school is in de zin van artikel 1 aanhef en sub b onder 3 Lpw ‘69.

4.2.12

Uit de brief van de Minister van het OCW van 22 september 2010 blijkt dat de zelf geproclameerde experimentstatus De Koers niet tot een experiment in de zin van de Experimentenwet onderwijs maakt en de Lpw ’69 en in dat kader genomen besluiten niet opzij zet. Daar komt bij dat uit de Experimentenwet onderwijs volgt dat een experiment pas een experiment in de zin van de wet is indien de Minister beslist dat het onderwijs uit de openbare kas wordt bekostigd. Het betoog van de verdediging dat De Koers voldoet aan de wet omdat het een experimentele school betreft, faalt daarom.

4.2.13

Voor wat betreft het beroep op het recht op onderwijs en ontplooiing voor kinderen onder verwijzing naar de Europese regelgeving, verwijst de kantonrechter naar artikel 14, derde lid van het Charter:

“The freedom to found educational establishments with due respect for democratic principles and the right of parents to ensure the education and teaching of their children in conformity with their religious, philosophical and pedagogical convictions shall be respected, in accordance with the national laws governing the exercise of such freedom and right.”

alsmede naar artikel 29, tweede lid van het IVRK:

“Geen enkel gedeelte van dit artikel of van artikel 28 mag zo worden uitgelegd dat het de vrijheid aantast van individuele personen en rechtspersonen, onderwijsinstellingen op te richten en daaraan leiding te geven, evenwel altijd met inachtneming van de in het eerste lid van dit artikel vervatte beginselen, en van het vereiste dat het aan die instellingen gegeven onderwijs voldoet aan de door de Staat vastgestelde minimumnormen.”

Uit die bepalingen volgt dat het hier niet gaat om (aantasting van) een absoluut recht maar om het voldoen aan de van overheidswege gestelde minimumnormen. Het verweer van de verdediging kan in die zin niet slagen.

4.2.14

Tot slot is de kantonrechter van oordeel dat het betoog van de verdediging dat er sprake is van schending van artikel 6 van het EVRM, meer in het bijzonder de onschuldpresumptie, niet kan slagen. Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens6 vloeit voort dat de onschuldpresumptie kan doorwerken in een bestuursrechtelijke procedure of in de bestuursrechtelijke besluitvorming tegen dezelfde persoon wanneer deze bestuursrechtelijke procedure het gevolg is van dan wel samenhangt met een lopende of afgeronde strafrechtelijke procedure.

De kantonrechter constateert dat in onderhavige zaak met het besluit van de Inspectie van 8 november 2011 geen vaststelling van schuld plaats heeft gevonden en van die schuld ook niet wordt uitgegaan.

In de onderhavige zaak gaat het om strafvervolging van een ouder van een leerling en dus niet om strafvervolging van De Koers. De kantonrechter constateert bovendien dat de leerplichtambtenaar heeft gewacht met het opmaken van een proces-verbaal tegen verdachte totdat een definitieve rechterlijke uitspraak was gedaan betreffende de status van De Koers en nadat verdachte ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om zijn kinderen op een school in de zin van de Lpw ‘69 in te schrijven.

4.3

Bewezenverklaring

De kantonrechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat

hij, in de periode van 3 september 2012 tot en met 5 november 2012, te [plaats], terwijl hij telkens als degene die het gezag uitoefende over de jongeren [jongere], geboren op [geboortedatum] en [jongere], geboren op [geboortedatum], telkens niet heeft voldaan aan de verplichting om overeenkomstig de bepalingen van de Leerplichtwet 1969 te zorgen dat voornoemde jongeren, als leerling van een school, in de zin van de Leerplichtwet 1969, waren ingeschreven.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

als persoon bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969, de in artikel 2, eerste lid van die wet opgelegde verplichting niet nakomen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de kantonrechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de kantonrechter het volgende in aanmerking genomen.

De Lpw ‘69 biedt het wettelijke kader om te garanderen dat kinderen onderwijs genieten. Deze wet stelt minimumeisen voor wat betreft het aanbod en de inrichting van het onderwijs. Indien de verantwoordelijke ouder zijn kind niet inschrijft op een school die aan die wettelijke kwaliteitseisen voldoet, is een strafrechtelijke reactie op zijn plaats.

De kantonrechter neemt aan dat de verdachte het beste met zijn kinderen voorhad. Dit blijkt onder meer uit de verklaring (van de verdediging) ter zitting dat verdachte zijn kinderen, op basis van zijn ervaringen in het regulier onderwijs met zijn andere kinderen, wenst te behoeden voor middelmatig onderwijs en de potentieel sociaal-emotionele nevenschade.

Naar het oordeel van de kantonrechter zullen instellingen die het predicaat school willen dragen (en ouders), zolang in de wetgeving ter zake geen uitzonderingen zijn opgenomen, zich evenwel moeten schikken naar de (minimum)eisen van die wetgeving.

Ten voordele van verdachte heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens enig strafbaar feit.

In leerplichtzaken ligt bij de eerste overtreding een geldboete voor de hand. De kantonrechter ziet, mede gelet op het feit dat hier sprake is van een principiële zaak, geen aanleiding af te wijken van de door de officier van justitie gevorderde straf.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht,

artikel 2, 26 en 28 van de Leerplichtwet 1969.

9 Beslissing

De kantonrechter:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het onder 5. vermelde feit oplevert.

Verklaart dit feit strafbaar.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het betalen van een geldboete van vijfhonderd (500) euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien (10) dagen hechtenis.

Indien in deze zaak hoger beroep wordt ingesteld is het verlofstelsel van toepassing.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Otter, kantonrechter, in tegenwoordigheid van de griffier S.M.J. Boon, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 februari 2014.

1 Het door de kantonrechter als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddel is in de wettelijke vorm opgemaakt door een persoon die daartoe bevoegd is en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van de leerplichtambtenaar van [plaats].

3 Zaaknummer 201009068/1/A2, ECLI:NL:RVS:2012:BX4694.

4 Als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 24 september 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2126; NJ 2003, 80.

5 Ten behoeve van het inspectiebezoek van 30 september 2011.

6 Uitspraak van 27 september 2011, Hrdalo vs. Kroatië, nummer 23272/07.