Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1410

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-02-2014
Datum publicatie
20-02-2014
Zaaknummer
15/703150-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling verdachte tot een gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor medeplegen woningoverval in Heerhugowaard in maart 2013, waarbij gezin met twee jonge kinderen is vastgebonden met tie-wraps en is bedreigd met een vuurwapen. Onder meer sieraden en personenauto weggenomen. Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Rechtbank acht deelname verdachte aan de overval bewezen op grond van de uitkomsten van onder meer verkeersanalyse, DNA-onderzoek en onderzoek naar telecommunicatiemiddelen. Bovendien waren er tips gekomen na televisie-uitzendingen Ter Plaatse en Opsporing Verzocht.

Vorderingen tot schadevergoeding van materiële schade overvallen gezinsleden voor grootste deel toegewezen. Immateriële schade € 3.000,- per benadeelde geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/703150-13 (onderzoek Exloo) en 14/701362-11 (TUL)

Uitspraakdatum: 20 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis (P)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 5 februari 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te[geboorteplaats],
ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het [adres 1],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. van Doorn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. I.E. Leenhouwers, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering, ten laste gelegd dat:

feit 1:

hij op of omstreeks 28 maart 2013 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een autosleutel behorende bij een Audi A6 en/of 90 euro contant geld en/of een cartier horloge en/of 322,4 gram goud en/of 134,5 gram zilver en/of diverse passen en papieren bescheiden,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]en/of[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]en/of[slachtoffer 2] en/of tegen de (jonge) kinderen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van

een autosleutel behorende bij een Audi A6 en/of 90 euro contant geld en/of een cartier horloge en/of 322,4 gram goud en/of 134,5 gram zilver en/of diverse passen en papieren bescheiden,

en welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

- een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, werd getoond aan die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] en/of hun kinderen, en/of

- dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of hun kinderen werden geboeid met tie-wraps, en/of

- die [slachtoffer 1] een kamer in werd geduwd,

- een mes werd getoond aan die [slachtoffer 1], en/of

- die [slachtoffer 1] werd gedwongen om de kluis te openen, waarbij die [slachtoffer 1] iets in zijn rug voelde prikken;

feit 2:

hij op of omstreeks 28 maart 2013 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Audi A6, [kenteken 2]), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]en/of[slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of

die/dat weg te nemen personenauto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 3:

hij op of omstreeks 22 april 2013 te Alkmaar en/of Broek op Langedijk, in elk geval in Nederland, een personenauto (Volkswagen Golf, [kenteken 1]) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

feit 4:

hij op of omstreeks 22 april 2013 in de gemeente Alkmaar en/of te Sint Pancras, gemeente Langedijk als bestuurder van een voertuig (personenauto, Volkswagen Golf), daarmee rijdende op de weg, de Huiswaarderweg en/of de Schagerweg en/of de Keesman en/of de Bovenweg en/of de Westelijke randweg

- met hoge snelheid heeft gereden, waarbij hij verdachte, met het door hem bestuurde voertuig links en rechts andere auto's heeft ingehaald en/of

- met hoge snelheid op die Bovenweg heeft gereden, waarbij meerdere auto's

en/of fietsers moesten uitwijken voor hem, verdachte ,en/of

- vervolgens in tegengestelde richting een rotonde is opgereden, waarbij hij, verdachte met het door hem bestuurde voertuig de stoep en het fietspad is opgereden en/of tegen een hek is gebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Inleiding
Op 28 maart 2013 heeft er een woningoverval op [adres slachtoffers] te Heerhugowaard plaatsgevonden. De bewoners, een echtpaar en hun twee jonge kinderen van 8 en 12 jaar oud, zijn door drie daders bedreigd met onder meer een vuurwapen. Zij zijn door de daders vastgebonden met tie-wraps. Er zijn diverse goederen gestolen, waaronder sieraden en een portemonnee. De daders zijn er vandoor gegaan in de Audi A6 van de slachtoffers, met behulp van de uit de woning weggenomen sleutels.

Van deze overval zijn beelden beschikbaar van de beveiligingscamera’s die op de desbetreffende woning waren bevestigd. Naar aanleiding van het tonen van deze beelden in het televisieprogramma Ter Plaatse van RTV Noord-Holland, is verdachte in beeld gekomen. Na een achtervolging door de politie op de openbare weg, waarbij verdachte in een gestolen personenauto reed, is hij aangehouden.


De politie is een onderzoek gestart naar deze woningoverval onder de naam 10Exloo (hierna: Exloo). Hierbij zijn naast verdachte ook[medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]), [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) als verdachten aangemerkt.

4 Bewijs

4.1.

Bewijs ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten

4.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte bij deze woningoverval en de diefstal van de Audi A6 is betrokken.

Zij heeft ter onderbouwing van dit standpunt onder meer gesteld dat de herkenning van verdachte door de bewoners van [opvang verdachte] (hierna: [opvang verdachte]) gebaseerd was op een geruchtenstroom en dat deze getuigenverklaringen kunnen zijn beïnvloed. Verder heeft de raadsvrouw van verdachte gesteld dat het stukje latex handschoen met het DNA-mengprofiel van onder meer verdachte, dat buiten de woning is aangetroffen, geen bewijs kan opleveren dat verdachte betrokken is geweest bij de overval in de woning. Voorts heeft zij aangevoerd dat de goederen die in de gestolen Audi A6 zijn aangetroffen, en waarop zich een DNA-profiel van verdachte bevindt, niet delictgerelateerd zijn, alsmede dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op 28 maart 2013 gebruiker is geweest van het telefoonnummer[telefoonnummer verdachte 1].

4.1.3.

Telecommunicatie1

In het onderzoek Exloo zijn verschillende telefoons, telefoonnummers en imei-nummers onderzocht. Een imei-nummer heeft als eigenschap dat het verbonden is met de mobiele telefoon die gebruikt wordt. Het imei-nummer blijft bij het toestel en verandert niet. Mocht de gebruiker een andere simkaart in het toestel stoppen dan blijft het imei-nummer hetzelfde maar het 06-nummer verandert wel. Alvorens de ten laste gelegde feiten te bespreken, zal de rechtbank eerst overwegen welke nummers zij aan welke verdachte toeschrijft en op grond waarvan.

Verdachte

- Bij de aanhouding van verdachte op 22 april 2013 is een Blackberry-telefoon (hierna: Blackberry) in beslag genomen.2 Verdachte heeft verklaard dat hierbij het telefoonnummer[telefoonnummer verdachte 2] (hierna: [telefoonnummer verdachte 2]) behoort, dat dit zijn nummer is en dat hij dat gebruikt.3

- Op 18 maart 2013 heeft verdachte in verband met een ander feit aan de politie opgegeven dat hij voor een eventuele ontbieding op het bureau te bereiken is op telefoonnummer[telefoonnummer verdachte 1] (hierna: [telefoonnummer verdachte 1]).4

- Uit de printlijsten is op te maken dat het nummer [telefoonnummer verdachte 1] in gebruik is geweest in de periode van 10 juli 2012 tot en met 23 april 2013, dus ook ten tijde van de overval gepleegd op 28 maart 2013.5

- Voorts blijkt uit de printlijsten dat [telefoonnummer verdachte 1] veelvuldig contact heeft met diverse nummers die ook in de uitgelezen Blackberry van verdachte staan opgeslagen. Van de 19 telefoonnummers, waarmee [telefoonnummer verdachte 1] het meest contact heeft, staan er 14 eveneens bij de contacten van [telefoonnummer verdachte 2], waaronder het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] onder de naam[bijnaam medeverdachte 2].6

- [telefoonnummer verdachte 1] heeft in de periode van 27 februari 2013 tot en met 2 april 2013 tien maal contact met het telefoonnummer dat op naam staat van [opvang verdachte]. Dit betreft de opvang waar [verdachte] staat ingeschreven.7

- [telefoonnummer verdachte 1] heeft in de periode van 17 januari 2013 tot en met 13 maart 2013 acht contacten met een nummer op naam van [getuige 1], woonachtig bij de moeder van verdachte.8

- [telefoonnummer verdachte 1] maakt het meest gebruik van [zendmast]. Het woonadres van verdachte bij [opvang verdachte] staat in de omgeving van deze zendmast en valt onder het bereik van deze zendmast.9

Gezien het voorgaande zal de rechtbank, anders dan door de verdediging is bepleit, de telefoonnummers[telefoonnummer verdachte 2] en[telefoonnummer verdachte 1] aan verdachte toeschrijven en gaat zij ervan uit dat hij deze nummers in gebruik heeft gehad ten tijde van de overval op 28 maart 2013.

[medeverdachte 2]

- Bij de aanhouding van [medeverdachte 2] op 31 mei 2013 is een Iphone5-telefoon (hierna: Iphone) in beslag genomen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hierbij het telefoonnummer [2e telefoonnummer medeverdachte 2] (hierna: [2e telefoonnummer medeverdachte 2]) behoort en dat dit zijn nummer is.10

- In de Blackberry van verdachte staat [2e telefoonnummer medeverdachte 2] opgeslagen onder de naam[bijnaam medeverdachte 2]’.11 Uit het onderzoek Exloo is naar voren gekomen dat de bijnaam van [medeverdachte 2] ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ is.12

- Op de Blackberry van verdachte staat voorts onder de naam ‘[bijnaam medeverdachte 2]’ het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] (hierna: [telefoonnummer medeverdachte 2]) opgeslagen.13

-[getuige 2], de vriendin van verdachte, heeft verklaard dat “[bijnaam medeverdachte 2]” haar op de dag van de aanhouding van verdachte (22 april 2013) een bericht stuurde en dat [bijnaam medeverdachte 2] een “indo” is uit Heerhugowaard, die zij een paar maal heeft gesproken.14

- [getuige 3], de toenmalige vriendin van [medeverdachte 2], heeft verklaard dat zij twee nummers van [medeverdachte 2] heeft, te weten: [2e telefoonnummer medeverdachte 2] en [telefoonnummer medeverdachte 2], en dat zij haar vriend onder meer ‘[2e bijnaam medeverdachte 2]’ noemt. Zij heeft verklaard dat [medeverdachte 2] twee telefoons heeft, een witte Iphone en een gewone, simpele telefoon, ook wit van kleur. Zij heeft het laatstgenoemde toestel, met nummer [telefoonnummer medeverdachte 2], sinds ongeveer een half jaar voorafgaande aan haar verhoor in augustus 2013 niet meer gezien.15

- op 14 juni 2013 blijkt uit een afgeluisterd telefoongesprek dat [medeverdachte 2] naar [getuige 3] belt en haar vertelt over het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] dat hij op haar gsm heeft opgeslagen onder de naam “[2e bijnaam medeverdachte 2] 1”.16

- [telefoonnummer medeverdachte 2] komt in een ander politieonderzoek in de telefooncontacten van een getuige voor onder de naam ‘[2e bijnaam medeverdachte 2]’.17

  • -

    De tweede voornaam van [medeverdachte 2] is[voornaam medeverdachte 2].

  • -

    De simkaart met nummer [telefoonnummer medeverdachte 2] zat op 28 maart 2013 in een telefoon met het imei-nummer [imei 1]. Dit imei-nummer heeft in de onderzochte periode het meest gebruikgemaakt van een KPN-zendmast aan de [adres 2]. Deze zendmast bevindt zich hemelsbreed op een afstand van 500 meter van de woning van [medeverdachte 2].18

- Ook heeft dit imei-nummer veelvuldig contact gehad met een telefoonnummer op naam van [getuige 4], zijnde de zus van [medeverdachte 2].19

Gezien het voorgaande zal de rechtbank de telefoonnummers [2e telefoonnummer medeverdachte 2] en [telefoonnummer medeverdachte 2] aan [medeverdachte 2] toeschrijven en gaat zij ervan uit dat hij deze nummers in gebruik heeft gehad ten tijde van de overval op 28 maart 2013.

4.1.4.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende:



Op 28 maart 2013 rond 20.28 uur kregen verbalisanten van de politie Noord-Holland Noord de opdracht te gaan naar [adres slachtoffers] te Heerhugowaard in verband met een woningoverval, waarbij onder meer een zwarte personenauto merk Audi A6 met kenteken [kenteken 2] is weggenomen. Ter plaatse troffen zij de bewoners aan, te weten de heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]), mevrouw [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) en hun twee kinderen. Zij zagen dat de rechterpols van [slachtoffer 1] was voorzien van twee plastic kabelbinders en dat op het aanrecht in de keuken nog twee plastic kabelbinders lagen.20

[slachtoffer 1] heeft van het gebeurde aangifte gedaan. Uit zijn verklaring komt naar voren dat hij, zijn vrouw en hun twee kinderen, op 28 maart 2013 thuis waren in hun woning. Rond 20.15 uur werd er aangebeld. Dochter [slachtoffer 3] van (destijds) twaalf jaar deed de voordeur open. Zoon [slachtoffer 4] van (destijds) acht jaar zat naast [slachtoffer 1]. Voor [slachtoffer 1] het wist, zag hij twee mannen bij hem staan. Een andere man was naar de keuken gelopen. Een van de mannen die bij hem stond, rolde een bivakmuts vanaf zijn hoofd naar beneden. Een andere dader deed witte latex handschoentjes aan. Hij zag dat de dader met de bivakmuts een pistool in zijn hand langs zijn been had. Deze dader zei dat ze mee naar boven moesten lopen. [slachtoffer 2] en de kinderen werden de kamer van [slachtoffer 4] in geduwd. [slachtoffer 1] werd zijn kantoor in geduwd en hij moest de kluis openen. [slachtoffer 1] zag dat de dader die op de bureaustoel was gaan zitten een mes in zijn hand had. [slachtoffer 1] denkt dat hij nog wel een pistool had, omdat hij iets in zijn rug voelde prikken op het moment dat hij de kluis niet open kreeg. Deze man had geen handschoenen aan. [slachtoffer 1] hoorde een van de andere daders zeggen dat hij de kluis moest openen en geen rare dingen moest doen. Op het moment dat de kluis open ging, zag [slachtoffer 1] dat de dader alle spullen uit de kluis op de grond gooide. [slachtoffer 1] hoorde een andere dader zeggen dat hij zijn handen op zijn rug moest doen waarna zijn handen met tie-wraps werden vastgebonden. [slachtoffer 1] voelde daarbij dat deze dader, latex handschoenen aan had. [slachtoffer 1] zag vervolgens dat een van de daders een tas pakte.21

Nadat een van de daders ‘wegwezen’ zei, hebben de drie daders de woning verlaten. [slachtoffer 1] heeft zijn handen zo hard uit elkaar gerukt dat een van de tie-wraps stuk ging. In de keuken hoorde [slachtoffer 1] dochter [slachtoffer 3] zeggen dat zij zich al had los kunnen maken van de tie-wraps en een schaar had gepakt om de anderen los te knippen.22

[slachtoffer 1] heeft een van de daders omschreven als iemand die een hele lange sjaal droeg. [slachtoffer 1] heeft voorts aangegeven dat de daders gekleurd waren en 1.70, 1.80 respectievelijk 1.90 meter lang.23

Door het zijraam kon [slachtoffer 1] zien dat de daders met zijn personenauto, een Audi A6, wegreden.24 Uit de bijlage bij de aangifte blijkt dat verder onder meer zijn weggenomen de paspoorten van de vier gezinsleden, de portemonnee van [slachtoffer 1], een geldbedrag van € 90,-, diverse bankpassen, een creditcard, de reservesleutel van de personenauto Audi A6 met kenteken [kenteken 2], het kentekenbewijs van voornoemde auto, een horloge van het merk Cartier en in totaal 322,3 gram aan goud en 134,71 gram aan zilver.25

Ook [slachtoffer 2] heeft aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij de deurbel hoorde en dat er een jongen binnen stond. Zij zag dat deze dader een pistool bij zich had. Er werd gezegd dat zij naar boven moesten. Op de eerste verdieping werd [slachtoffer 1] het kantoor in geduwd. [slachtoffer 2] werd met dochter [slachtoffer 3] en zoon [slachtoffer 4] naar de kamer van [slachtoffer 4] geleid. Een dader met een vuurwapen bleef bij hen in de kamer en een van de andere daders deed hen tie-wraps om. Op een gegeven moment werd er ‘wegwezen’ geschreeuwd en verlieten de drie daders de woning. [slachtoffer 3] heeft zichzelf van de tie-wraps losgemaakt en later heeft [slachtoffer 3] ook [slachtoffer 2] losgemaakt.26

[slachtoffer 2] heeft een van de daders omschreven als een man van 1.72m lang en van Surinaamse/Antilliaanse afkomst. Deze dader had het pistool. Een andere dader is door haar omschreven als een man langer dan de dader van 1.72m. Deze dader had een bivakmuts op. Over de derde dader kan [slachtoffer 2] enkel aangeven dat dit een man betreft.27

Tijdens de behandeling ter terechtzitting waarbij verdachte, [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aanwezig waren, zijn beelden getoond die zijn opgenomen op 28 maart 2013 van 20.09 uur tot 20.17 uur. Het betreft hier de beelden van de camera boven de garage van de woning en beelden van de camera aan de zijgevel van de woning van aangevers.

Op de beelden is te zien dat er om 20.09 uur drie mannen aan komen lopen. Zij betreden één voor één het erf van de woning en lopen in de richting van de voordeur. Dader 1 heeft een zwarte bontmuts op met kleppen over de oren. Dader 2 heeft een lichte capuchon en een donkere sjaal om zijn nek. Dader 3 heeft een capuchon op en om zijn nek een lange sjaal. Vervolgens is te zien dat de drie daders de woning om 20.15 uur verlaten. Dader 3 heeft een witte plastic tas in zijn hand. Dader 1 loopt richting de zwarte Audi die voor de woning staat geparkeerd. Te zien is dat de alarmlichten van deze Audi oplichten. De drie daders lopen eerst door en verdwijnen even uit beeld maar komen zes seconden later terug. De alarmlichten van de auto gaan verschillende malen aan. De drie daders proberen de deuren van de Audi te openen. Dader 1 en dader 2 stappen voor in de Audi. Dader 3 loopt achter de auto langs en stapt aan de andere zijde achter in de Audi. Om 20.16 uur rijdt de Audi weg en verdwijnt uit beeld.28

Op 18 april 2013 zijn deze camerabeelden getoond in het televisieprogramma Ter Plaatse van RTV Noord-Holland.29 Naar aanleiding van deze uitzending heeft de locatiemanager van [opvang verdachte] verklaard dat er op 19 april 2013 binnen de locatie [adres 1] het gerucht ging dat verdachte op de beelden te zien was. Dit was door bewoners besproken met de begeleiders. Nadat verdachte hiermee op 22 april 2013 door de locatiemanager van [opvang verdachte] werd geconfronteerd, werd verdachte agressief, pakte een mes en riep daarbij: “Welke kankerlijer mij heeft verraden steek ik verrot. Ik ga een pistool halen en ik maai jullie allemaal omver!”.30

[getuige 5], een medebewoner van verdachte bij [opvang verdachte], heeft verklaard dat hij de beelden heeft gezien en dat hij de persoon met de zwarte muts met de bontkraag en de zwarte jas gelijk herkende als verdachte, zijnde zijn buurman.31
Ook medebewoner [getuige 6] heeft verklaard dat hij de beelden heeft gezien en daarop verdachte herkende. Hij herkende verdachte onder meer aan de manier van lopen en aan de muts die hij droeg. Verder zou verdachte tegen hem hebben gezegd dat ze naar de beelden van Ter Plaatse moesten kijken want dat ze hem dan gingen zien.32

Op de plaats delict is vrijwel direct na het incident een forensisch sporenonderzoek verricht. Er werden onder meer diverse tie-wraps aangetroffen. Verder werd er tussen het grind bij de voordeur van de woning een klein stukje van een lichtkleurige (crème) latex handschoen aangetroffen, veiliggesteld en voorzien van het Spoor Identificatie Nummer (hierna: SIN) AAER7772NL.33

Dit stukje handschoen is onderworpen aan een LCN DNA-analyse en hierop is een DNA-mengprofiel van minimaal drie personen aangetroffen. Het NFI heeft geconcludeerd dat de hypothese dat dit stukje latex handschoen celmateriaal bevat van verdachte en twee onbekende personen extreem veel waarschijnlijker is dan de hypothese dat het celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen is.34

De door de daders weggenomen Audi A6 met kenteken [kenteken 2] werd vroeg in de volgende ochtend (29 maart 2013 om 04.44 uur) aangetroffen op [adres aantreffen Audi A6] te Hippolytushoef.35 Een getuige te Hippolytushoef heeft verklaard dat deze Audi al aan het begin van de avond ervoor daar was neergezet.36

Uit onderzoek van gegevens van ARS Traffic & Transport Technology BV blijkt dat het kenteken van de Audi A6 op 28 maart 2013 tussen 20.54 uur en 21.09 uur voorkwam tussen Den Helder en Hippolytushoef. Om 20.54 uur komt het kenteken voor in de rijrichting Den Helder en om 20.56 uur in de rijrichting Den Oever. Gelet hierop is het zeer aannemelijk dat de Audi A6 ergens is gekeerd.37

Verder blijkt uit deze gegevens dat er steeds voor de Audi A6 een voertuig met kenteken [kenteken 3] rijdt en dat er telkens maar enkele seconden tussen deze auto’s zit. Gezien het feit dat de Audi zeer vermoedelijk is gekeerd, is het zeer aannemelijk dat dit voertuig een contact is van de persoon die in de Audi A6 rijdt.

Het kenteken [kenteken 3] behoort bij een Rode Mazda 323F en stond op het moment van de woningoverval op naam van [getuige 7], de moeder van [medeverdachte 1]. Dit kenteken is op 16 april 2013 op naam van [medeverdachte 1] gezet.38 [medeverdachte 1] heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij betrokken is bij deze woningoverval, dat ze met zijn auto, een rode Mazda, naar de woning in Heerhugowaard zijn gereden en dat het zou kunnen dat zijn auto voor de gestolen Audi A6 heeft gereden.39

In de Audi A6 met kenteken [kenteken 2] is een forensisch sporenonderzoek verricht. Er werden onder meer een bivakmuts en een capuchon op de bijrijdersstoel aangetroffen, veiliggesteld en voorzien van SIN AAGD4936NL respectievelijk AAGD4937NL.40

Er is celmateriaal aangetroffen op de vermoedelijke mondregio van de bivakmuts en de binnenrand van de capuchon. Dit materiaal is onderzocht en er is een DNA-match gevonden met het DNA-profiel van verdachte. Het NFI heeft geconcludeerd dat het celmateriaal van de bivakmuts en de capuchon van verdachte afkomstig kan zijn. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met dit DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.41

Van zowel de locatie van de woningoverval aan [adres slachtoffers] in Heerhugowaard als de locatie van het aantreffen van de gestolen Audi A6 aan [adres aantreffen Audi A6] in Hippolytushoef, zijn de zendmastgegevens opgevraagd. Uit de printlijsten van Digitale Communicatie Sporen (hierna: DCS) blijkt dat [telefoonnummer verdachte 1] op 28 maart 2013 om 20.13.33 uur belt naar [telefoonnummer medeverdachte 2]. Hierbij wordt door beide nummers gebruikgemaakt van de zendmast op de [locatie zendmast] te Heerhugowaard. Dit is een zendmast die wordt aangestraald als een telefoon op of in de nabije omgeving is van [adres slachtoffers] te Heerhugowaard.42

Uit de hiervoor vermelde ARS-gegevens blijkt dat de Audi A6 met kenteken [kenteken 2] op 28 maart 2013 voor het laatst is geregistreerd om 21.09 uur op de N99 in de rijrichting van, en niet ver verwijderd van, de plaats van het aantreffen van de Audi A6 te Hippolytushoef.43 Gezien de afstand tussen de laatst geregistreerde locatie en de aangetroffen locatie is de Audi A6 mogelijk rond 21.13 uur neergezet te Hippolytushoef.44 Het nummer [telefoonnummer verdachte 1] straalt om 21.16 uur een zendmast in de buurt van deze locatie aan.45

Uit de analyse van de gebruikte telefoonnummers op 28 maart 2013 blijkt verder het volgende:

Tussen 12.00 uur en 13.51 uur straalt [2e telefoonnummer medeverdachte 2] zendmasten in Lelystad en Almere aan.46 Om 12.34 uur komt [telefoonnummer verdachte 2] over een zendmast in Lelystad.47

Zowel [2e telefoonnummer medeverdachte 2] als [telefoonnummer medeverdachte 2] verplaatsen zich tussen 16.30 uur en 19.57 uur in de omgeving van Heerhugowaard.48

Om 16.36 uur probeert [telefoonnummer verdachte 2] [telefoonnummer medeverdachte 2] te bereiken.49

[2e telefoonnummer medeverdachte 2] heeft om 20.01 uur en 20.02 uur enkele seconden contact met een telefoonnummer dat op naam staat van [getuige 8].

Om 20.13 uur, als de daders zich blijkens voornoemde beelden van de beveiligingscamera in de overvallen woning bevinden, belt [telefoonnummer verdachte 1] vijf seconden naar en met [telefoonnummer medeverdachte 2]. Op dit moment stralen beide telefoonnummers dezelfde zendmast in de buurt van de woningoverval aan. Om 20.19 uur zendt [telefoonnummer medeverdachte 2] een sms naar [telefoonnummer verdachte 1]. Op dit moment stralen beide telefoonnummers nog steeds dezelfde zendmast in de buurt van de locatie van de woningoverval aan.50

[telefoonnummer medeverdachte 2] bevindt zich om 20.28 uur in Schagen.51 [telefoonnummer verdachte 1] straalt tussen 20.34 uur en 20.41 uur ook een zendmast in Schagen aan.

Om 21.09 uur komt [telefoonnummer verdachte 1] over een zendmast aan de Rijksstraatweg te Hippolytushoef. Tussen 21.09 uur en 22.01 uur verplaatst [telefoonnummer verdachte 1] zich in de richting van Zwaag.52 Om 22.01 uur komt ook [telefoonnummer medeverdachte 2] over een zendmast in Zwaag.53

Tussen 20.24 uur tot 22.01 uur heeft [telefoonnummer verdachte 1] ongeveer 40 keer contact met [telefoonnummer medeverdachte 2] door middel van bel- en smscontact.54

De nummers [telefoonnummer medeverdachte 2] en [telefoonnummer verdachte 1] worden na 22.21 uur respectievelijk 22.39 uur niet meer gebruikt.55

4.1.5.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt op grond van voornoemde telefoongegevens vast dat verdachte en [medeverdachte 2] zich op 28 maart 2013 in het begin van de middag in de omgeving Lelystad/Almere bevonden, dat zij later op de dag beiden naar Heerhugowaard zijn gegaan, dat zij tijdens de overval contact met elkaar hebben gehad, terwijl zij zich in de buurt van de overvallen woning bevonden en dat zij kort na de overval allebei in Schagen waren. Verdachte heeft ook ten tijde van de overval vanuit de woning telefonisch contact met [medeverdachte 2] gehad. Verder bevond verdachte zich in de nabije omgeving van de plek waar de gestolen Audi A6 is aangetroffen, rondom het moment waarop deze auto daar is neergezet, terwijl verdachte en [medeverdachte 2] zich om 22.01uur allebei in Zwaag bevonden. Gedurende enkele uren na de overval hebben [verdachte] en [medeverdachte 2] zeer intensief contact met elkaar gehad.

Verder acht de rechtbank het van belang dat zowel het telefoonnummer [telefoonnummer verdachte 1] als het telefoonnummer [telefoonnummer medeverdachte 2] na de overval niet meer in gebruik zijn. Uit onderzoek naar ernstige misdrijven is in zijn algemeenheid bekend, dat betrokkenen bij deze misdrijven stoppen met het gebruik van de telefoonaansluiting die zij ten tijde van het misdrijf gebruikten.

Voorts overweegt de rechtbank dat aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat een van de daders witte plastic handschoentjes aan had, dat er een stukje van een lichtkleurige plastic handschoen bij de voordeur van de woning is aangetroffen en dat na onderzoek van het NFI op dit gevonden stukje handschoen een mengprofiel DNA wordt aangetroffen, dat matcht met het DNA van verdachte.

Verder heeft aangever [slachtoffer 1] aangegeven dat een van de daders een bivakmuts op had en is in de gestolen Audi A6 een bivakmuts aangetroffen, tezamen met een capuchon. Ook hierop is DNA aangetroffen, dat matcht met het DNA van verdachte.

De rechtbank merkt hierbij nog op dat van de zijde van de verdediging geen enkel alternatief scenario is gepresenteerd dat de match met het DNA van verdachte op voornoemde goederen zou kunnen verklaren.

Ten aanzien van de waarde van de verklaringen van de bewoners van [opvang verdachte], overweegt de rechtbank dat zowel [getuige 5] als [getuige 6] voorafgaand aan hun getuigenverhoren bij de politie, bij de leiding van [opvang verdachte] hebben aangegeven verdachte op de camerabeelden van de overval te herkennen. Deze herkenning van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van de locatiemanager van [opvang verdachte] dat verdachte, geconfronteerd met deze herkenning, heeft gedreigd zijn ‘verrader’ iets aan te doen.

Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht en dientengevolge geen verklaring gegeven voor alle voornoemde belastende feiten en omstandigheden.

Op grond van alle hiervoor weergegeven redengevende feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] en een ander de woning aan [adres slachtoffers] te Heerhugowaard heeft overvallen, terwijl medeverdachte [medeverdachte 2] buiten in de auto heeft gewacht.

Gelet op de omstandigheid dat de Audi A6 met kenteken [kenteken 2] op dezelfde avond door de daders van de woningoverval is weggenomen, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte zich tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van deze auto.

4.2.

Bewijs ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten

4.2.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.2.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.2.3.

Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende:

Naar aanleiding van het tonen van de beelden van de woningoverval van [adres slachtoffers] te Heerhugowaard in het televisieprogramma Ter Plaatse van RTV Noord-Holland, heeft de politie op 22 april 2013 een melding ontvangen van [opvang verdachte] dat verdachte bedreigingen had geuit en is weggereden in een grijze Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 1] (hierna: de Volkswagen).56Dit kenteken stond als gestolen geregistreerd.57

Naar aanleiding van de melding van [opvang verdachte] zijn eenheden van de politie op zoek gegaan naar de Volkswagen. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de Volkswagen zien rijden op de Bergerweg/Oude Hoeverweg te Alkmaar en is achter de auto aangereden.58 Vanaf de Huiswaarderweg te Alkmaar heeft motoragent[verbalisant 2] de achtervolging overgenomen. Op de Schagerweg te Alkmaar, waar op dat moment veel verkeer reed, meerderde de Volkswagen vaart. De Volkswagen slingerde door het verkeer heen en reed met zeer hoge snelheid tussen het verkeer door. Op de Keesman richting Sint Pancras bleef hij met zeer hoge snelheid rijden. De auto sloeg af naar de Bovenweg te Sint Pancras (gemeente Langedijk) en trok vol gas op, terwijl de daar geldende maximumsnelheid 30 km/u bedraagt.[verbalisant 2] zag rook van de banden komen. De Bovenweg is een smalle en onoverzichtelijke weg en was zeer druk met fietsers en auto’s. De Volkswagen minderde geen snelheid.[verbalisant 2] zag dat de Volkswagen andere auto’s inhaalde terwijl er ook tegenliggers, te weten fietsers en auto’s, reden. Er moesten meerdere auto’s en fietsers uitwijken. Als zij dit niet gedaan zouden hebben, zouden zij in botsing zijn gekomen met de Volkswagen. Deze reed met een snelheid van 130 km/u over de Bovenweg. De Volkswagen reed vervolgens de Westelijke Randweg op en ging met een snelheid van 100 km/u op de rotonde af. Op de rotonde stond een politieauto met blauwe zwaailichten aan. De Volkswagen reed op de linkerrijbaan, omdat deze een auto inhaalde, en keerde niet terug naar de rechterrijstrook. De Volkswagen nam de rotonde via de linkerkant, dus in tegengestelde richting. Op de rotonde reed een andere auto, waardoor de Volkswagen moest uitwijken naar links en met hoge snelheid de stoep op reed en het fietspad naast de rotonde over schoot. Omdat de Volkswagen hierdoor tot stilstand kwam, heeft de politie de bestuurder, zijnde verdachte, kunnen aanhouden.59

In de Volkswagen bevond zich geen sleutel.60 Het contactslot was verbroken. Aan de bestuurderskant lag op de vloer een schroevendraaier.61 Volgens een medewerker van het bergingsbedrijf zou de bestuurder de Volkswagen gestart kunnen hebben met behulp van deze schroevendraaier.62

De vriendin van verdachte, mevrouw [getuige 2], heeft ten overstaan van de politie verklaard dat zij verdachte een paar keer in deze Volkswagen heeft zien rijden en hij tegen haar had gezegd dat het niet zijn auto was en dat hij deze met een ‘ding’, niet zijnde een sleutel, moest starten.63

4.3.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

hij op 28 maart 2013 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een autosleutel behorende bij een Audi A6 en 90 euro contant geld en een Cartier horloge en 322,3 gram goud en 134,71 gram zilver en diverse passen en papieren bescheiden,

toebehorende aan [slachtoffer 1]en/of[slachtoffer 2], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1]en[slachtoffer 2] en tegen de jonge kinderen van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat

- een vuurwapen werd getoond aan die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] en hun kinderen en

- dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en hun kinderen werden geboeid met tie-wraps en

- die [slachtoffer 1] een kamer in werd geduwd en

- een mes werd getoond aan die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] werd gedwongen om de kluis te openen, waarbij die [slachtoffer 1] iets in zijn rug voelde prikken;

feit 2:

hij op 28 maart 2013 in de gemeente Heerhugowaard tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto (Audi A6, [kenteken 2]), toebehorende aan [slachtoffer 1], waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen personenauto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel;

feit 3:

hij op 22 april 2013 te Alkmaar en Broek op Langedijk een personenauto (Volkswagen Golf, [kenteken 1]) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die personenauto wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

feit 4:

hij op 22 april 2013 in de gemeente Alkmaar en de gemeente Langedijk als bestuurder van een personenauto, Volkswagen Golf, daarmee rijdende op de Schagerweg en de Keesman en de Bovenweg en de Westelijke randweg

- met hoge snelheid heeft gereden, waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig links en rechts andere auto's heeft ingehaald en

- met hoge snelheid op die Bovenweg heeft gereden, waarbij meerdere auto's

en fietsers moesten uitwijken voor verdachte en

- vervolgens in tegengestelde richting een rotonde is opgereden, waarbij hij met het door hem bestuurde voertuig de stoep en het fietspad is opgereden,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt en het verkeer op die weg werd gehinderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Ten aanzien van het verschil in gewicht tussen het laste gelegde en het bewezen verklaarde goud en zilver onder feit 2, merkt de rechtbank nog het volgende op. Uitgaande van het door de aangever in de bij de aangifte als bijlage toegevoegde lijst van weggenomen goederen genoemde gewicht van het goud en het zilver, zou naar het oordeel van de rechtbank het totaalgewicht van het goud neerkomen op 322,3 gram en het totaalgewicht van het zilver op 134,71 gram, terwijl 322,4 resp. 134,5 gram is ten laste gelegd. De rechtbank gaat ervan uit dat dit verschil is te wijten aan een kennelijke rekenfout, die de rechtbank herstelt.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte dient hiervan worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;

feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 3: opzetheling;

feit 4: overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

7 Motivering van de sancties

7.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren. Haars inziens valt deze woningoverval onder de zwaardere categorie in de LOVS oriëntatiepunten.

Voor het onder feit 4 tenlastegelegde heeft zij gevorderd een geldboete ter hoogte van € 500,- subsidiair tien (10) dagen vervangende hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van drie (3) maanden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld, dat de strafeis van de officier van justitie niet in overeenstemming is met de LOVS oriëntatiepunten. Voor een overval met licht geweld of bedreiging met geweld staat als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaar. Bij deze overval is geen fysiek geweld in de zin van schoppen, slaan of een mond afplakken gebruikt. Ten aanzien van de strafeis voor het onder 4 ten laste gelegde feit heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een gewelddadige overval in een woning aan het begin van de avond. Verdachte heeft hierdoor grote gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers in het bijzonder maar ook in de maatschappij in het algemeen. Verdachte en zijn mededaders waren hierbij alleen uit op eigen geldelijk gewin en hebben zich op geen enkele wijze bekommerd om de gevolgen van hun daden voor de slachtoffers. Zij hebben door hun handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de slachtoffers. De impact die het misdrijf voor de heer en mevrouw [slachtoffer 1], hun dochter [slachtoffer 3] en hun zoon [slachtoffer 4] heeft gehad en nog steeds heeft, blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgelezen.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan de diefstal van een auto en de heling van een auto en overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Ook dergelijke feiten wakkeren in de maatschappij levende gevoelens van onrust en onveiligheid aan. Verdachte mag van geluk spreken dat hij met zijn onverantwoorde rijgedrag geen slachtoffers heeft gemaakt.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 23 april 2013 waaruit blijkt dat verdachte eerder ter zake van soortgelijke delicten is veroordeeld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het over verdachte opgemaakte rapport van 25 april 2013, uitgebracht door de Reclassering Nederland.

De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat de ernst van de feiten slechts een langdurige gevangenisstaf rechtvaardigt.

Bij de bepaling van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten waarbij als uitgangspunt voor een overval met licht geweld of bedreiging met geweld een gevangenisstraf van drie (3) jaar geldt. De overvallers hebben aangebeld bij de woning en zijn, nadat er door de 12-jarige dochter deze huizes werd opengedaan, de woning binnen gedrongen. Zij hebben vervolgens de bewoners van de woning – vader, moeder, de dochter en een 8-jarige zoon – onder dreiging van een vuurwapen met demper, van elkaar geïsoleerd en vastgebonden met tie-wraps. De rechtbank rekent het de verdachten zwaar aan dat ook de aanwezigheid van twee jonge kinderen van 8 en 12 jaar hen niet van hun handelen heeft kunnen weerhouden. De rechtbank ziet in voornoemde strafverzwarende omstandigheden en de mate van geweld en bedreiging met geweld die bij de overval is uitgeoefend aanleiding om naar boven toe van de richtlijn af te wijken, te meer nu verdachte reeds meerdere malen is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Ten nadele van verdachte heeft de rechtbank voorts meegewogen dat hij zich bovendien in een gestolen auto heeft schuldig gemaakt aan gevaarzettend rijgedrag tijdens een wilde vluchtpoging om aan de politie te ontkomen. In het gegeven dat verdachte eerder is veroordeeld voor gevaarlijk rijgedrag ziet de rechtbank aanleiding om een rijontzegging op te leggen van langere duur dan door de officier van justitie is gevorderd. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de oplegging van een geldboete aan verdachte niet opportuun.

De rechtbank is gelet op het vorenstaande van oordeel dat een gevangenisstraf van vijf (5) jaar en zes (6) maanden dient te worden opgelegd. Tevens acht de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid van verdachte voor de duur van twaalf (12) maanden op zijn plaats.

8. Overige beslissing omtrent het in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp

Met de officier van justitie is de rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten een GSM-toestel, Blackberry, dient te worden teruggegeven aan verdachte.

9 Vorderingen benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

9.1.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij, de heer [slachtoffer 1](hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie via twee voegingsformulieren opgave gedaan van de inhoud van de door hem gestelde schade. Zijn vordering tot vergoeding van deze schade bedraagt € 8.709,32 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, een en ander verhoogd met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële schade toewijsbaar is tot een bedrag van € 2.525,57 en dat de vordering ter zake van immateriële schadevergoeding geheel toewijsbaar is.

De officier van justitie heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair stelt zij dat de schade in verband met het gestolen horloge niet vaststaat en niet eenvoudig is vast te stellen, zodat de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk is. Dat geldt ook voor de arbeidsschade en de overige materiële posten.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij voor het grootste deel geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van de hiervoor bewezen verklaarde strafbare feiten 1 en 2, door de handelingen van onder meer de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal hierna de posten afzonderlijk beoordelen.

De door het slachtoffer gedane uitgaven voor kosten psycholoog (€ 308,-) zijn toewijsbaar. Ter zitting heeft het slachtoffer aan de onderbouwing in het voegingsformulier toegevoegd dat het hier een gezinspolis (ziektekostenverzekering) betreft. Het gaat om kosten ter zake van niet vergoede eigen bijdragen voor de behandelingen door de psycholoog.

In de onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij aangegeven dat de waarde van het gestolen Cartier Santos horloge moet worden geschat, omdat de aankoopbewijzen tezamen met het horloge zijn gestolen. De verzekering heeft inmiddels een bedrag van € 1.800,- vergoed. De benadeelde partij heeft ter zitting toegelicht dat zijn verzekering niet meer heeft uitgekeerd, omdat men vooralsnog niet van een hogere waarde uitgaat. Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat op deze wijze niet vaststaat wat de waarde is en daardoor ook niet welke schade de benadeelde partij heeft geleden. Om dat verder vast te stellen, zou nader onderzoek noodzakelijk zijn. Dat zou echter een onevenredige belasting van dit strafproces meebrengen. De benadeelde partij zal daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

Dit deel kan de benadeelde partij desgewenst bij de burgerlijke rechter vorderen.

De post reiskosten van in totaal € 517,57 is voldoende onderbouwd en niet gemotiveerd betwist. Dit bedrag zal worden toegewezen.

De gevorderde kosten voor de aanpassing van de inbraakmeldinstallatie zijn niet toewijsbaar. Hoewel het maken van die kosten voorstelbaar is, in de gegeven situatie, vormen deze kosten geen schade die het rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Op dit onderdeel zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het slachtoffer heeft gesteld dat hij een aantal dagen niet heeft kunnen werken als gevolg van het meewerken aan het verrichte politieonderzoek. Hij heeft het verlies aan arbeidsvermogen zelf geschat op € 4.887,90. Daarbij heeft hij een zestal facturen overgelegd, waaruit eerdere in rekening gebrachte bedragen aan opdrachtgevers blijken. De verdediging heeft deze post gemotiveerd betwist.

De stelling van de benadeelde partij dat hij een aantal dagen niet beschikbaar is geweest voor zijn normale werkzaamheden acht de rechtbank voldoende onderbouwd.

Zonder een nadere onderbouwing is echter niet duidelijk hoeveel dagen inkomsten de benadeelde partij precies heeft misgelopen, welke opdrachten dat betrof en wat de winstmarge is van de misgelopen omzet. Door het ontbreken van deze gegevens is het voor de rechtbank niet mogelijk om deze schade vast te stellen. Wel kan de rechtbank een begroting maken van het bedrag dat de benadeelde partij in ieder geval is misgelopen. Bij wijze van schatting zal de rechtbank dat bedrag bepalen op € 500,-. Voor het overige deel zou een nadere bewijslevering noodzakelijk zijn. Dat zou echter een onevenredige belasting van dit strafproces meebrengen. De benadeelde partij zal daarom in het resterende deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan dit deel van de vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter vorderen.

Bij de begroting van de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met de volgende factoren:

  • -

    het strafbare feit vond plaats aan het begin van de avond, terwijl het slachtoffer en zijn gezin thuis waren;

  • -

    het feit heeft op het slachtoffer grote emotionele indruk gemaakt;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer met een pistool en een mes bedreigd;

  • -

    de handen van het slachtoffer zijn bij de overval door middel van tie-wraps vastgebonden.

De rechtbank begroot deze immateriële schade op grond van algemene ervaringsregels en de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 3.000,-.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen, hoofdelijk, tot een bedrag van € 4.325,57, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013, de datum van de onrechtmatige daad.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9.2.

Vordering van de benadeelde partij[slachtoffer 2]

De benadeelde partij, [slachtoffer 2] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie via een voegingsformulier opgave gedaan van de inhoud van de door haar gestelde schade. Haar vordering tot vergoeding van deze schade bedraagt € 7.855,24 aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade, een en ander verhoogd met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is en heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair stelt zij dat de post in verband met het gestolen goud niet toewijsbaar is, omdat niet voldoende is onderbouwd waarom de verzekering op dit onderdeel niet tot uitkering is overgegaan.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 1 door de handelingen van onder meer de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal hierna de posten afzonderlijk beoordelen.

De door het slachtoffer gedane uitgaven voor kosten vervangend personeel (€ 158,-) zijn toewijsbaar. Deze kosten zijn niet betwist en voldoende onderbouwd.

De benadeelde partij exploiteert een eigen winkel, waarin zij onder meer goud en sieraden inkoopt. In de onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij aangegeven dat de (zakelijke) verzekering van de benadeelde partij niet tot uitkering van de gestolen sieraden is overgegaan, omdat deze “handelsvoorraad” zich niet in de winkel, maar thuis bevond.

Het verweer dat de stelling van de benadeelde partij niet wordt ondersteund door een in het geding gebrachte verzekeringspolis wordt verworpen.

Allereerst, omdat dat verweer een onvoldoende gemotiveerde betwisting is, gelet op de schriftelijke onderbouwing van de stelling en de ter zitting gegeven toelichting (dat er wel een claim is ingediend, maar dat niet tot vergoeding is overgegaan).

Daarnaast, omdat er voor een slachtoffer geen verplichting is om de schade bij een verzekeraar in te dienen. De rechtbank acht dit onderdeel van de vordering voldoende onderbouwd, zodat het gevorderde bedrag van € 7.697,24 zal worden toegewezen.

Bij de begroting van de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met de volgende factoren:

  • -

    het strafbare feit vond plaats aan het begin van de avond, terwijl het slachtoffer en haar gezin thuis waren;

  • -

    het feit heeft op het slachtoffer grote emotionele indruk gemaakt;

  • -

    door de psycholoog is een post traumatische stressreactie vastgesteld;

  • -

    het slachtoffer heeft een EMDR-therapie bij een psycholoog ondergaan;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer en haar kinderen in de slaapkamer van de 8-jarige zoon door middel van tie-wraps vastgebonden.

De rechtbank begroot deze immateriële schade op grond van algemene ervaringsregels en de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 3.000,-.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen, hoofdelijk, tot een bedrag van € 10.855,24, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013, de datum van de onrechtmatige daad.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9.3.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

De wettelijk vertegenwoordigster [slachtoffer 2] van de minderjarige benadeelde partij[slachtoffer 3] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie via een voegingsformulier opgave gedaan van de inhoud van de door haar gestelde schade van het slachtoffer. De vordering tot vergoeding van deze schade bedraagt € 3.000,- aan immateriële schade, verhoogd met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is en heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 1 door de handelingen van onder meer de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Bij de begroting van de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met de volgende factoren:

  • -

    het slachtoffer was ten tijde van het strafbare feit 12 jaar oud;

  • -

    het feit vond plaats aan het begin van de avond, terwijl het slachtoffer de deur voor de daders heeft geopend, waarna deze konden binnenkomen;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer in de slaapkamer van haar
    8-jarige broertje door middel van tie-wraps vastgebonden;

  • -

    het feit heeft op het slachtoffer grote emotionele indruk gemaakt en zij heeft er nog steeds last van, zoals blijkt uit haar slachtofferverklaring en de verklaring van haar psycholoog;

  • -

    het slachtoffer heeft een EMDR-therapie bij een psycholoog ondergaan.

De rechtbank begroot deze immateriële schade op grond van algemene ervaringsregels en de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 3.000,-. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013, de datum van de onrechtmatige daad.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9.4.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

De wettelijk vertegenwoordiger [slachtoffer 1] van de minderjarige benadeelde partij[slachtoffer 4] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie via een voegingsformulier opgave gedaan van de inhoud van de door hem gestelde schade van het slachtoffer. De vordering tot vergoeding van deze schade bedraagt € 3.000,- aan immateriële schade, verhoogd met de wettelijke rente.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel toewijsbaar is en heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken.

Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 1 door de handelingen van onder meer de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

Bij de begroting van de immateriële schade houdt de rechtbank rekening met de volgende factoren:

  • -

    het slachtoffer was ten tijde van het strafbare feit 8 jaar oud;

  • -

    het feit vond plaats aan het begin van de avond, terwijl het gezin in de woonkamer aanwezig was;

  • -

    verdachte en zijn mededaders hebben het slachtoffer met zijn moeder en zijn
    12-jarige zus in zijn eigen slaapkamer door middel van tie-wraps vastgebonden;

  • -

    het feit heeft op het slachtoffer grote emotionele indruk gemaakt;

  • -

    het slachtoffer heeft een EMDR-therapie bij een psycholoog ondergaan.

De rechtbank begroot deze immateriële schade op grond van algemene ervaringsregels en de thans bekende gegevens en vergeleken met min of meer soortgelijke gevallen op een bedrag van € 3.000,-. Dat bedrag zal daarom worden toegewezen, hoofdelijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013, de datum van de onrechtmatige daad.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9.5.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5]

De benadeelde partij, [slachtoffer 5] (hierna ook te noemen: het slachtoffer), heeft vóór de aanvang van de terechtzitting in het geding over de strafzaak bij de officier van justitie via een voegingsformulier opgave gedaan van de inhoud van de door hem gestelde schade. Zijn vordering tot vergoeding van deze schade bedraagt € 3.248,98 aan materiële schade.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ter zake van de materiële schade toewijsbaar is, met uitzondering van opgegeven de losse goederen.

De officier van justitie heeft gevorderd hieraan de schadevergoedingsmaatregel te koppelen.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat de schade aan de auto is vergoed en er voor de andere opgegeven goederen geen verband bestaat tussen het strafbare feit en de schade.

Oordeel rechtbank

Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert zodat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.

Vast is komen te staan dat het slachtoffer als gevolg van het hiervoor bewezen verklaarde strafbare feit 3, door de handelingen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank zal hierna de posten afzonderlijk beoordelen.

Uit de stukken in het dossier blijkt dat verdachte in een gestolen auto reed en dat deze auto als gevolg van een wilde vluchtpoging door verdachte ernstig beschadigd is. In de onderbouwing van de vordering heeft de benadeelde partij correspondentie overgelegd die hij met zijn verzekeraar heeft gevoerd. Daaruit blijkt dat de schade aan de auto van de benadeelde partij door een expert is vastgesteld op € 2.165,-. De rechtbank moet daarom uitgaan van dit schadebedrag. Verhoogd met een vergoeding voor het 30 dagen niet kunnen gebruiken van de auto (€ 450,-) is de totale schade € 2.615,-. Vaststaat dat de benadeelde partij van zijn verzekeraar een bedrag heeft ontvangen van € 2.465,-. Als (resterende) schade is daarom een bedrag van € 150,- (eigen risico) toewijsbaar. Het overige deel van de vordering zal op dit punt worden afgewezen.

De gevorderde kosten voor de overige goederen (overhemd, carkit, studieboeken)

– waarvan de rechtbank uitgaat dat deze zich ten tijde van de diefstal in de auto bevonden – zijn niet toewijsbaar. Deze kosten vormen geen schade die het rechtstreeks gevolg is van het strafbare feit. Verdachte zal in deze strafzaak worden veroordeeld voor heling van de auto en niet voor diefstal van andere goederen.

Op dit onderdeel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

De rechtbank zal zodoende de vordering toewijzen tot een bedrag van € 150,-.

Verdachte dient daarnaast te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt (tot heden begroot op nihil) en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak moet maken.

9.6.

Schadevergoeding als maatregel

De rechtbank heeft tot het opleggen van de hierna te noemen maatregelen besloten omdat verdachte naar het oordeel van de rechtbank jegens de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde strafbare feiten is toegebracht aan de slachtoffers, zoals hiervoor bij de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen is overwogen.

De toepassing van eventuele hechtenis, bij gebreke van voldoening van het verschuldigde bedrag, heft de opgelegde verplichting niet op.

10 Vordering tot tenuitvoerlegging met parketnummer 14/701362-11

Bij vonnis van 19 november 2012 in de zaak met parketnummer 14/701362-11 heeft de kantonrechter te Alkmaar verdachte ter zake van overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke hechtenis voor de duur van één (1) week. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee (2) jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is aan verdachte toegezonden.

De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 4 december 2012 en was ten tijde van het indienen van de vordering van de officier van justitie niet geëindigd.

De officier van justitie heeft aanvankelijk gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) dagen ten uitvoer wordt gelegd. Ter terechtzitting heeft zij gerekwireerd tot een tenuitvoerlegging van een hechtenis voor de duur van zeven (7) dagen.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie ontvankelijk is.

De rechtbank is het eens met de raadsvrouw van verdachte dat de schriftelijke vordering onduidelijkheid heeft geschept. De vordering is inderdaad onjuist op schrift gesteld, maar de officier van justitie heeft deze vordering ter terechtzitting alsnog gewijzigd. De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat uit de stukken voldoende blijkt welke veroordeling het betreft. Daarnaast is de mededeling van de voorwaardelijk veroordeling tijdig aan verdachte gedaan. De rechtbank heeft hierbij tevens overwogen dat tenuitvoerlegging van een hechtenis niet anders verloopt dan tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf. De rechtbank is alles afwegende van oordeel dat verdachte door de wijziging niet in zijn belangen is geschaad, en zal daarom van de gewijzigde vordering tot tenuitvoerlegging uitgaan.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van zeven (7) dagen hechtenis dient te worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Dit klemt te meer nu het in onderhavig geval mede een veroordeling voor een soortgelijk feit, te weten een overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, betreft.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 62, 63, 311, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht

en

5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) JAREN EN ZES (6) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte ter zake van feit 4 tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf (12) maanden;

* wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 1][slachtoffer 1]geleden schade tot een bedrag van € 4.325,57 (vierduizend driehonderdvijfentwintig euro en zevenenvijftig cent), bestaande uit € 1.325,57 materiële en € 3.000,- immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 1], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1][slachtoffer 1]de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 4.325,57, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door drieënvijftig (53) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

* wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 2] geleden schade tot een bedrag van € 10.855,24 (tienduizend achthonderdvijfenvijftig euro en vierentwintig cent, bestaande uit € 7.855,24 materiële en € 3.000.- immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.855,24, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door negenentachtig (89) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

* wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij[slachtoffer 3][slachtoffer 3] geleden schade tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer 3], [slachtoffer 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

* wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij[slachtoffer 4][slachtoffer 4] geleden schade tot een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, aan de wettelijke vertegenwoordiger van[slachtoffer 4], [slachtoffer 1]voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

bepaalt dat indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een (van de) medeverdachten is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 4] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 maart 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door veertig (40) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een (van de) medeverdachten aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

* wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer 5] geleden schade tot een bedrag van € 150,-, bestaande uit materiële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag, aan [slachtoffer 5], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 5] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 150,-, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door drie (3) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij;

gelast de teruggave aan verdachte van: GSM-toestel Blackberry;

wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 14/701362-11 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke hechtenis voor de duur van zeven (7) dagen, opgelegd bij vonnis van de kantonrechter te Alkmaar d.d. 19 november 2012.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. L.J. Saarloos, voorzitter,

mr. L. Boonstra en mr. N. Cuvelier, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.R. Mol,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 februari 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 138).

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 23 april 2013 (dossierpagina A 50).

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 maart 2013 (dossierpagina B1 154).

5 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2013 (dossierpagina B 1 216).

6 idem (dossierpagina B 1 217) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013 (dossierpagina B3 625).

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 mei 2013 (dossierpagina B 1 217).

8 idem (dossierpagina B 1 217).

9 idem (dossierpagina B1 218).

10 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 2] d.d. 11 juni 2013 (dossierpagina A 172).

11 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013 (dossierpagina B3 625).

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 3] d.d. 6 juni 2013 (dossierpagina A 232).

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 oktober 2013 (dossierpagina B3 p. 625).

14 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] (dossierpagina B 481).

15 Het proces-verbaal van getuige [getuige 3] d.d. 23 augustus 2013 (dossierpagina C2 428).

16 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 augustus 2013 (dossierpagina B1 p. 211).

17 Het proces-verbaal DCS onderzoek d.d. 12 mei 2013 (dossierpagina B1 228).

18 idem (dossierpagina’s B1 227-229).

19 idem (dossierpagina B1 229).

20 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 mart 2013 (dossierpagina B1 92).

21 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1]d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina’s B1 63-64).

22 idem (dossierpagina B1 64).

23 idem (dossierpagina B1 65).

24 idem (dossierpagina B1 64).

25 idem (dossierpagina B1 64) en de bijlage weggenomen goederen d.d. 5 augustus 2013 (dossierpagina’s B1 67-72).

26 Het proces-verbaal van aangifte door[slachtoffer 2] d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina B1 83).

27 idem (dossierpagina B1 84 en 85).

28 De beelden van camera 1 op de dvd met titel “Beelden 10Exloo”.

29 Het proces-verbaal d.d. 10 april 2013 (dossierpagina’s B1 125-126).

30 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 9] d.d. 16 juli 2013 (dossierpagina B2 477).

31 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] d.d. 24 april 2013 (dossierpagina’s B2 466-468).

32 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] d.d. 23 april 2013 (dossierpagina’s B2 470 en 473) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 140).

33 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 16 april 2013 (dossierpagina B2 502).

34 Een schriftelijke stuk te weten het NFI-rapport d.d. 10 juli 2013 met zaaknummer 2013.05.13.041 (dossierpagina’s B2 541-542) en het proces-verbaal identificatie n.a.v. aangetroffen sporen d.d. 4 oktober 2013 (dossierpagina B3 595- 598).

35 Het proces-verbaal aantreffen gesignaleerd motorvoertuig d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina B1 97).

36 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 10] d.d. 10 april 2013 (dossierpagina B2 454).

37 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2013 (dossierpagina’s B2 343-345).

38 idem (dossierpagina B2 346).

39 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte 1] d.d. 27 januari 2014 (los opgenomen).

40 Het proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 29 maart 2013 (dossierpagina’s B2 549-550).

41 Een schriftelijke stuk te weten het NFI-rapport d.d. 21 mei 2013 met zaaknummer 2013.04.29.034 (dossierpagina’s B2 552-553) en het proces-verbaal identificatie n.a.v. DNA-sporen d.d. 28 juni 2013 (dossierpagina B2 551)

42 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013 (dossierpagina B1 214-215).

43 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 april 2013 (dossierpagina B2 345 en het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens d.d. 18 september 2013 (dossierpagina B1 2281).

44 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2013 (dossierpagina B2 352).

45 Het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens d.d. 18 september 2013 (dossierpagina’s B1 215 en 281).

46 Het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens d.d. 18 september 2013 (dossierpagina B1 250).

47 idem (dossierpagina B1 259) en Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 mei 2013 (dossierpagina B1 220).

48 idem (dossierpagina’s B1 254 en 278).

49 idem (dossierpagina B1 276).

50 idem (dossierpagina B1 278).

51 idem (dossierpagina B1 254).

52 idem (dossierpagina B1 263).

53 idem (dossierpagina B1 254).

54 idem (dossierpagina B1 279) en het proces-verbaal DCS onderzoek d.d. 12 mei 2013 (dossierpagina B1 227).

55 Het proces-verbaal van bevindingen analyse historische verkeersgegevens d.d. 18 september 2013 (dossierpagina’s B1 254 en 263).

56 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 129) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 140).

57 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 5] (dossierpagina’s B1 178-179).

58 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 131).

59 idem (dossierpagina’s B1 134-135), het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina’s B1 131-132) en het proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 april 2013 (dossierpagina B1 136).

60 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2013 (dossierpagina B1 183).

61 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 april 2013 (dossierpagina B1 135).

62 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 april 2013 (dossierpagina B1 183).

63 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] d.d. 20 augustus 2013 (dossierpagina B 2, p. 482