Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:13328

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
01-12-2015
Zaaknummer
C/14/159104/KV RK
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing (verlenging) tijdelijk huisverbod ingediend door partner van de uithuisgeplaatste. Vrouw wil dat de man met Kerst thuis kan zijn.

Ten aanzien van het verlengingsbesluit is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het beoordelingsmoment nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. De voorzieningenrechter ziet zich tenslotte voor de vraag gesteld of na het nemen van het verleningsbesluit sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven. Daar is geen sprake van.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

voorzieningenrechter

Wet tijdelijk huisverbod

zaak-/rekestnummers: C/14/159104/KV RK 14/422 (voorlopige voorziening)

C/14/159101/FA RK 14/2613 (beroep)

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 december 2014

in het openbaar uitgesproken door mr. E. Devis, rechter, in tegenwoordigheid van
H.M. Zonneveld, griffier,

naar aanleiding van het verzoek om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak van:

[naam verzoekster], verzoekster,

wonende te Hoorn,

tegen

de burgemeester van de gemeente Hoorn, verweerder.

zetelende te Hoorn,

in welke zaak belanghebbende is:

[naam man], (hierna te noemen: de man),

wonende te Hoorn.

1 De procedure

1.1

Bij besluit van 30 november 2014 heeft verweerder aan de man een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd voor de periode van 30 november 2014 tot 10 december 2014. Bij besluit van 9 december 2014 is het huisverbod verlengd met een aansluitende periode van 18 dagen, derhalve tot 28 december 2014 (hierna: het verlengingsbesluit).

Tegen het verlengingsbesluit heeft verzoekster bij brief, ingekomen op deze rechtbank op 22 december 2014, beroep ingesteld.

Voorts heeft verzoekster bij genoemde brief de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het huisverbod wordt opgeheven en de man weer terug kan keren naar huis.

1.2

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 december 2014. Verzoekster is in persoon verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde de heer [naam].

Voorts is verschenen de man.

1.3

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt.

2 De beoordeling

2.1

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb, heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

Aangezien alle voor een beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de voorzieningenrechter dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal hij gebruikmaken van de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.3

De voorzieningenrechter toetst het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid. Daarnaast dient de voorzieningenrechter ambtshalve te beoordelen of het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.

2.4

Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

Op grond van artikel 9 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod verlengen tot ten hoogste vier weken nadat het is opgelegd indien de dreiging van het gevaar, of het ernstige vermoeden daarvan, zich voortzet.

2.5

Verweerder heeft aan het besluit tot het opleggen van een huisverbod ten grondslag gelegd dat er sprake is van mishandeling van verzoekster door de man op 29 november 2014. Verzoekster heeft hierbij meerdere botbreuken in het gezicht opgelopen. De man had behoorlijk gedronken en hasj gerookt. De man is in 2010 veroordeeld tot 281 dagen gevangenisstraf waarvan 270 voorwaardelijk voor huiselijk geweld en opzettelijke brandstichting. Na het einde van de proeftijd zijn er bij de politie meldingen gekomen van huiselijk geweld. In 2014 zijn er zes meldingen geweest via omstanders. De kinderen van partijen zijn bij de eerdere meldingen getuige geweest van de ruzies. Verzoekster houdt de man het hand boven het hoofd. Zowel verzoekster als de man zijn werkloos en hebben schulden. Verzoekster heeft geen aangifte gedaan van mishandeling en wenste niet mee te werken aan een onderzoek.

Verweerder heeft aan het verlengingsbesluit ten grondslag gelegd dat er geen door de instanties geaccordeerd veiligheidsplan is opgesteld, omdat de achterblijvende partij niet meewerkt. De vrees is dat, indien de partners nu bij elkaar komen, de situatie weer uit de hand loopt. Omdat er ook kinderen bij betrokken zijn kan hun veiligheid door het ontbreken van een veiligheidsplan niet worden gegarandeerd.

Namens verweerder is ter zitting naar voren gebracht dat er is nog steeds geen veiligheidsplan is opgesteld. Tot het gezin behoren twee jonge kinderen en verweerder vreest voor de veiligheid van deze kinderen bij het voortbestaan van de huidige situatie. De zware mishandeling van verzoekster door de man staat niet op zichzelf. Er is sprake van een patroon. De dreiging van het gevaar zet zich voort. De stelling van verzoekster dat de mishandeling niet opzettelijk is geweest, is niet aannemelijk. Zonder veiligheidsplan blijft de situatie gevaarlijk, voor zowel verzoekster als voor de kinderen. De rechter-commissaris de man in het kader van de schorsing van de bewaring voor een periode van 2 maanden een straat- en contactverbod ten aanzien van verzoekster opgelegd. De man heeft daarmee ingestemd.

2.6

Verzoekster heeft aangevoerd dat zij wil dat de man weer naar huis mag. Zij weet zeker dat de gebeurtenissen niet opzettelijk hebben plaatsgevonden en dat de man het allemaal niet zo bedoeld heeft. De man heeft veel verdriet, net als verzoekster en de kinderen. Zij missen elkaar erg, aangezien zij afhankelijk van elkaar zijn voor de opvoeding van hun zoontjes. De kinderen snappen de huidige situatie niet. Verzoekster moet nu alles zelf doen en heeft daar veel stress van. Verzoekster vindt het onzin dat het besluit op huiselijk geweld is gebaseerd. Het ging juist heel goed tussen haar en de man, behalve dan dat ene moment op straat, waar de kinderen overigens niet bij waren. Verzoekster weet dat het niet had mogen gebeuren, maar dit is niet bewust zo gegaan. De man houdt van haar en hun kinderen. Met kerst willen ze graag samen zijn.

2.7

De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich schaamt voor wat er op 29 november 2014 is gebeurd en stelt dat het niet had mogen gebeuren. De man had succesvol een behandeling bij de reclassering afgerond en dacht dat hij het zich wel kon veroorloven om wat te drinken en te blowen. Er was stress vanwege de financiële situatie van partijen en het op handen zijnde sinterklaasfeest. Alles bij elkaar ging het mis. Het is nooit de bedoeling geweest dat verzoekster de dupe zou worden van zijn problemen. De man wil werken aan zijn problemen en heeft zich tot de huisarts gewend.

2.8

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de aanwezigheid van de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden vol dient te worden getoetst. Uit artikel 9 van de Wth volgt dat de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester in een concreet geval slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Dit betekent dat die gebruikmaking slechts dan rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht indien geoordeeld moet worden dat de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik van die bevoegdheid heeft kunnen maken.

Vast staat dat de man en de vrouw op 29 november 2014 samen in een café waren. De man is vervolgens in een ruzie terecht gekomen met andere mensen in het café, waarbij is gevochten. Eenmaal samen buiten is verzoekster gewond geraakt aan haar gezicht, waarbij zij meerdere botbreuken heeft opgelopen. De rechtbank is van oordeel dat uit het relaas van verzoekster voldoende is komen vast te staan dat dit letsel door de man is aangebracht. Dat de vrouw stelt dat dit niet opzettelijk is gebeurd en zij geen aangifte heeft gedaan, doet daar niet aan af. De man is na het incident aangehouden en in bewaring gesteld. Op 2 december 2014 is de bewaring geschorst onder algemene voorwaarden en een aantal bijzondere voorwaarden. Eén van die bijzondere voorwaarden is dat de man met ingang van 2 december 2014 gedurende een periode van 2 maanden geen (direct of indirect) contact mag opnemen of onderhouden met verzoekster.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, bij de afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot verlenging van het huisverbod. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat duidelijk is dat de man flinke persoonlijke problemen heeft die doorwerken in de relatie tussen de man en verzoekster en van invloed zijn op het gezin in zijn geheel. Ook is duidelijk dat er op 29 november 2014 een ernstig incident heeft plaatsgevonden waarbij de vrouw zwaar letsel heeft opgelopen. Voordat de man weer bij zijn gezin komt dient er een door de hulpverleningsinstanties geaccordeerd veiligheidsplan gemaakt te worden. Dat dit er nu niet is maakt dat er nog steeds sprake is van een dreigende situatie. Het gaat daarbij met name ook om de veiligheid van de kinderen. Kinderen die getuige zijn van huiselijk geweld, zowel fysiek als verbaal geweld, worden bedreigd in hun lichamelijke en emotionele ontwikkeling. Ook een aanwezig zijnde dreiging van fysiek of verbaal geweld heeft een grote impact op het veiligheidsgevoel van kinderen. Hoewel de voorzieningenrechter het positief acht dat de man inziet dat hij problemen heeft, zijn die problemen voorlopig niet opgelost. De man heeft spijt, maar bagatelliseert tegelijkertijd de problemen en plaatst de oorzaak ervan vaak buiten zichzelf. De voorzieningenrechter weegt het feit dat de rechter-commissaris aanleiding heeft gezien een bijzondere voorwaarde op te leggen waarbij de man twee maanden geen contact mag opnemen met verzoekster zwaar mee bij haar beslissing. De rechtbank is van oordeel dat de man deze voorwaarde, ook na afloop van het huisverbod, dient na te leven.

Ten aanzien van het verlengingsbesluit is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat op het beoordelingsmoment nog immer sprake was van dreiging van gevaar of het ernstige vermoeden daarvan. De voorzieningenrechter ziet zich tenslotte voor de vraag gesteld of na het nemen van het verleningsbesluit sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die ertoe zouden moeten leiden dat het huisverbod wordt opgeheven. Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen is daar geen sprake van.

2.9

De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond. Bij deze beslissing ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, noch voor een proceskostenveroordeling.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1

verklaart het beroep ongegrond,

3.2

wijs het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. Devis, rechter, in tegenwoordigheid van H.M. Zonneveld, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep in stellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.