Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:13139

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
C/15/206861 / FA RK 13-3259 en C/15/209999 / FA RK 14-27
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(echtscheiding cs): (hoogte) behoefte partnerbijdrage betwist en beoordeeld; geschilpunten ook: voortgezet gebruik en toedeling echtelijke woning; afwikkeling hvwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Haarlem

zaaknummer / rekestnummer: C/15/206861 / FA RK 13-3259 en C/15/209999 / FA RK 14-27

Beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 19 november 2014

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

en

[naam],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. J.P.N. de Wit, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat mr. T.A.M. Drubbel, gevestigd te Almere.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 11 september 2013, ingekomen op

12 september 2013;

- het aanvullend verzoekschrift van de man van 15 november 2013;

- het verweerschrift, tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de vrouw van

20 december 2013, ontvangen op 30 december 2013;

- het verweer op zelfstandig verzoek, met bijlage, van de advocaat van man van 3 maart 2014;

- het verrekeningsformulier van de advocaat van de man, ingekomen op 1 april 2014;

- het verrekeningsformulier van de advocaat van de vrouw, ingekomen op 30 april 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 17 oktober 2014;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 17 oktober 2014.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 30 oktober 2014.

Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum ] te [plaats]. De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De vrouw is burger van de Bondsrepubliek Duitsland.

2.2.

Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoekschrift was nog minderjarig [naam], geboren op

[geboortedatum] in [geboorteplaats], hierna ook te noemen: [naam]. Zij is tijdens de procedure meerderjarig geworden en heeft de man gemachtigd om in deze procedure voor haar op te treden.

2.3.

Scheiding

2.3.1.

De man heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Hij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

De vrouw heeft de gestelde duurzame ontwrichting niet betwist.

2.3.2.

Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.

2.3.3.

Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

Voortgezet gebruik

2.3.4.

Partijen hebben beiden het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. Deze verzoeken zullen hierna bij de behandeling van de verdeling van de eenvoudige gemeenschap worden behandeld.

2.4.

Onderhoudsbijdragen

Jongmeerderjarige

2.4.1.

De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van [naam] van € 500 per maand vast te stellen met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift. Voorts heeft hij verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is de kosten van de opleiding van [naam] aan het [naam school] te blijven betalen en haar ziektekosten, vanaf 16 augustus 2013 tot de datum waarop de echtscheiding wordt uitgesproken.

2.4.2.

De vrouw heeft gewezen op (de uitkomst van) de tussen partijen gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure. Kern van haar verweer is dat zij in die procedure heeft aangegeven welke kosten van [naam] zij voor haar rekening zal (blijven) nemen en dat er geen grond is om vast te stellen dat zij over de betreffende periode een aanvullende bijdrage voor [naam] aan de man verschuldigd zou zijn.

2.4.3.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen er overeenstemming over hebben bereikt dat de vrouw, met ingang van 5 mei 2014, de datum waarop [naam] meerderjarig is geworden, aan [naam] een bijdrage van € 600 per maand zal betalen. De rechtbank zal aldus beslissen. De vrouw heeft daarnaast uitdrukkelijk aangegeven de schoolkosten van [naam] voor haar rekening te zullen nemen door rechtstreekste betaling aan de school en ook de ziektekostenpremie voor beide kinderen te zullen (blijven) voldoen.

2.4.4.

In geschil is dan nog de kinderbijdrage voor de periode daarvoor, te weten van

12 september 2013 tot 5 mei 2014. In deze periode was van kracht de beschikking van deze rechtbank van 16 augustus 2013 in de tussen partijen gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure. De man heeft in die procedure verzocht om vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage van € 800 voor [naam]. De rechtbank heeft vastgesteld dat van geen der partijen de complete en relevante financiële gegevens beschikbaar waren. Het verzoek van de man is vervolgens afgewezen met de motivering dat niet is komen vast te staan dat de vrouw, naast de bijdrage die zij op dat moment al maandelijks in de kosten van [naam] leverde, een (aanvullende) bijdrage aan de man verschuldigd zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat in de onderhavige procedure evenmin is komen vast te staan dat de vrouw, naast de door haar voor [naam] betaalde bedragen in de betreffende periode, ingevolge de wettelijke maatstaven nog een afzonderlijke kinderbijdrage aan de man verschuldigd zou zijn. Het verzoek van de man dat deze periode betreft, zal worden afgewezen.

Meerderjarige

2.4.5.

De man heeft verzocht om vaststelling van een door de vrouw te betalen bijdrage van € 300 voor de (meerderjarige) zoon van partijen, [naam], geboren op [geboortedatum]. Ter zitting heeft de man erkend dat [naam], gezien zijn leeftijd, desgewenst zelf een procedure zal moeten voeren. De rechtbank zal de man dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vrouw heeft aangegeven de gevraagde bijdrage al aan [naam] te betalen.

Partnerbijdrage

2.4.6.

De man heeft verzocht een door de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 2.000 per maand. Volgens de man moet worden uitgegaan van een netto maandinkomen van de vrouw tijdens het huwelijk van ca € 6.000 en was zijn eigen netto inkomen ca € 1.695 per maand. Onder verwijzing naar een door de vrouw opgesteld overzicht van inkomsten en lasten voert de man aan dat vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen bijdrage van € 2.000 per maand redelijk is te achten.

2.4.7.

De vrouw heeft de (hoogte van de) behoefte van de man aan de verzochte bijdrage betwist. De man is, aldus de vrouw, voor de berekening van het netto gezinsinkomen ten onrechte ervan uitgegaan dat haar netto inkomen € 6.000 per maand was. Volgens de vrouw heeft de man, die nu werkloos is, voldoende verdiencapaciteit om zelfstandig volledig in de kosten van zijn levensonderhoud te voorzien. Zij wijst erop dat de man diverse studies en opleidingen heeft afgerond en de Russische taal in woord en geschrift beheerst.

2.4.8.

De rechtbank overweegt als volgt. Door de gerechtshoven is voor gevallen waarin gegevens ontbreken om de huwelijksgerelateerde behoefte concreet vast te stellen, voor de bepaling van de behoefte de zogenaamde hofnorm ontwikkeld. Ingevolge deze norm wordt de behoefte berekend op basis van het netto te besteden gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, verminderd met het eigen aandeel kosten kinderen. Dit bedrag wordt geacht beschikbaar te zijn (geweest) voor het levensonderhoud van beide partijen. Omdat een alleenstaande duurder uit is dan een samenwoner, wordt de helft van dit te verdelen inkomen met 20% verhoogd. De behoefte kan derhalve gelijkgesteld worden aan 60% van het netto gezinsinkomen. Het netto gezinsinkomen wordt daarbij gevormd door de daadwerkelijke inkomsten (uit arbeid, uitkering en/of vermogen), verminderd met de op dit inkomen drukkende belastingen en netto uitgaven inkomensvoorzieningen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning (eigenwoningforfait, fiscale aftrek van hypotheekrente) en de bijtelling vanwege een auto van de zaak. Nu ook in onderhavige zaak de gegevens ontbreken om de behoefte concreet vast te stellen, zal de rechtbank deze hofnorm toepassen.

2.4.9.

Aangezien partijen in 2013 uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank voor de berekening van de behoefte aansluiten bij het netto gezinsinkomen 2012. Wat het inkomen van de man betreft, overweegt de rechtbank het volgende. De man is 2002 in loondienst gekomen bij Selfinvest. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 maart 2012 ontbonden en aan de man is een ontbindingsvergoeding toegekend. Volgens de aangifte IB was het salaris van de man bij Selfinvest in 2010 € 58.693 en in 2011 € 58.994. In 2012 ontving de man, naast een bruto WW-uitkering van € 28.472, een salaris van Selfinvest van € 87.419. Aangezien in deze laatste salarisbetaling een eenmalige ontbindingsvergoeding is opgenomen, bestemd voor aanvulling van de uitkering van de man gedurende langere periode, acht de rechtbank het redelijk ervan uit te gaan dat het salaris van de man in 2012 gelijk was aan dat in 2011, te weten 58.994 bruto per jaar en € 3.266 netto per maand.

2.4.10.

Wat het aandeel van de vrouw in het gezinsinkomen betreft overweegt de rechtbank het volgende. De vrouw heeft wisselende (bronnen van) inkomsten. Volgens de aangifte IB 2010 had zij toen inkomsten uit loondienst, bij Lucertis, van € 43.492 en een winst uit onderneming van € 42.277. In 2011 waren de inkomsten van de vrouw volledig afkomstig uit haar onderneming, op jaarbasis een winst (na investeringsaftrek) van
€ 114.824. In 2012 was de winst uit de onderneming van de vrouw € 59.164. Voor de berekening van het aandeel van de vrouw in het netto gezinsinkomen zal de rechtbank gelet op het voorgaande uitgaan van een gemiddeld netto besteedbaar inkomen over deze jaren, hetgeen neer komt op een bedrag van € 4.903 netto per maand.

2.4.11.

Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto gezinsinkomen van partijen in 2012 op € 8.169 per maand. Op dit inkomen komen in mindering de kosten van de kinderen. Voor de bepaling van de in aanmerking te nemen kosten van de kinderen zoekt de rechtbank aansluiting bij de tabel kosten kinderen bij een gezinsinkomen van meer dan € 6.000. Uitgaande van de getallen uit de tabel 2012 en doorgerekend naar een inkomen hoger dan € 6.000, zijn de kosten van de twee kinderen van partijen in dat jaar € 1.405. Daar komen de hoge schoolkosten bij, die blijkens het als bijlage 1 bij het verzoek echtscheiding overgelegde uitgavenlijstje € 1.600 voor [naam] en € 850 voor [naam] bedragen. De totale kosten van de kinderen zijn dan € 3.855. Dit betekent dat voor de berekening van de behoefte voor partneralimentatie wordt uitgegaan van een netto gezinsinkomen van (8.169 - 3.855= ) € 4.314. Met toepassing van eerdergenoemde 60% norm concludeert de rechtbank dat de aan de welstand van partijen ten tijde van het huwelijk gerelateerde behoefte € 2.588 netto per maand bedraagt.

2.4.12.

Voor de beantwoording van de vraag of de man aan een aanvullende partnerbijdrage behoefte heeft, is van belang dat de man op dit moment een WW-uitkering heeft van

€ 2.570 bruto per vier weken, omgerekend inclusief vakantietoeslag, € 3.007 bruto per maand. Ervan uitgaande dat dit een netto inkomen van € 2.054 per maand oplevert begroot de rechtbank de aanvullende behoefte van de man op € 534 netto per maand.

2.4.13.

Zoals ook is opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatienormen 2014, bestaat een onderhoudsplicht alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage, oftewel de behoeftigheid. Onder inkomsten worden zowel de daadwerkelijke als de in redelijkheid te verwerven inkomsten verstaan.

2.4.14.

De rechtbank acht in dit verband van belang dat de man, zoals hiervoor reeds overwogen in het kader van de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met Selfinvest per 1 maart 2012, een ontslagvergoeding van € 75.000 heeft gekregen. De rechtbank gaat ervan uit dat van dit bedrag nog het nodige resteert en is van oordeel dat van de man verwacht mag worden dat hij deze ontslagvergoeding aanwendt ter aanvulling op zijn WW-uitkering, teneinde op die manier volledig en zelfstandig in de kosten van zijn eigen levensonderhoud te voldoen. Daarnaast wordt de man geacht ook enige verdiencapaciteit te hebben. De rechtbank gaat er gezien de hoogte van de ontslagvergoeding vanuit dat de man hiermee, met zijn WW-uitkering, en op termijn met eigen verdiensten geruime tijd in zijn behoefte kan voorzien.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de man op dit moment geen behoefte heeft aan een partnerbijdrage en zal het verzoek van de man om vaststelling daarvan afgewezen.

2.5.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.5.1.

Partijen zijn op huwelijksvoorwaarden gehuwd. De op 15 maart 1994 opgestelde akte houdt, voor zover hier van belang en samengevat, een zogenaamde koude uitsluiting in. Opgenomen is dat tussen de echtgenoten geen enkele huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bestaat en dat verevening van tijdens huwelijk opgebouwd pensioen is uitgesloten.

2.5.2.

Op 4 februari 1996 zijn partijen een schriftelijke overeenkomst aangegaan, hierna ook te noemen: de sideletter. Volgens de sideletter is deze opgesteld omdat partijen, in afwijking van de huwelijksvoorwaarden, afspraken wilden vastleggen over de overwaarde respectievelijk de waarde van de door partijen aangekochte echtelijke woning aan het adres [echtelijke woning]. Deze woning was eigendom van de vrouw en gefinancierd met een hypothecaire lening aan partijen bij de Abn/Amro bank, nr. [nr.]. Volgens artikel 1 van de sideletter komen partijen overeen de hypotheek op de echtelijke woning in onderling overleg gezamenlijk af te lossen naar rato van ieders inkomen en vermogen.

2.5.3.

Bij akte van 20 april 2009 hebben partijen vervolgens de huwelijksvoorwaarden gewijzigd en met ingang van 21 april 2009 de vermogensrechtelijke gevolgen door andere huwelijksvoorwaarden geregeld. In artikel 1. van de akte is, voor zover hier van belang, opgenomen dat tussen de echtgenoten gemeenschap van echtelijke woning [echtelijke woning] zal bestaan, waartoe ook behoren: het spaardeel van de overeenkomst van levensverzekering aangegaan ter financiering van de zaken, en schulden uit geldlening aangegaan ter hypothecaire financiering. Dit artikel bevat, voor zover hier van belang en samengevat, ook een regeling voor de financiering van kosten van onderhoud van de woning en verrekening van kosten, niet zijnde kosten van onderhoud, die door een echtgenoot uit eigen middelen ten behoeve van de woning zijn voldaan.

eenvoudige gemeenschap

2.5.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat tot de eenvoudige gemeenschap van partijen behoren de echtelijke woning aan de [echtelijke woning] en de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire lening bij de Abn / Amro bank, nummer [nr.], met een restantschuld van € 149.747.

Tussen partijen is wel in geschil of (de (waarde van de) Abn / Amro Rendement Beleggingspolis, polisnummer [nr.], op naam van de man tot de eenvoudige gemeenschap behoort.

Woning

2.5.5.

De man heeft aangevoerd dat hij de woning wil overnemen en dat hij een groter belang heeft bij het voortgezet gebruik ervan dan de vrouw. In het kader van een tussen partijen gevoerde voorlopige voorzieningenprocedure is, bij beschikking van 16 augustus 2013, het uitsluitend gebruik van de woning aan hem toegekend en is [naam] aan hem toevertrouwd. Bij deze beslissing heeft het belang van [naam] om in de woning te blijven, een rol gespeeld in combinatie met de vaststelling door de rechtbank dat het zwaartepunt van de zorg voor [naam] bij de man lag. De man voert aan dat deze situatie onveranderd is gebleven. Daarbij komt, aldus de man, dat bij de woning een praktijkruimte is die hij voor zijn werk nodig heeft en dat hij in het verleden met privégeld fors in (verbouwing van) de woning heeft geïnvesteerd. Dat deze praktijkruimte (ook) voor de vrouw bestemd zou zijn geweest, wordt door de man betwist.

Ter zitting heeft de man zijn intentie om de woning over te nemen geconcretiseerd. Hij heeft verklaard dat hij toezeggingen heeft van derden dat zij hem zullen helpen de toedeling van de woning en de uitkoop van de vrouw te financieren. Daarbij wil de man gebruik maken van de mogelijkheid van vrijstelling van schenkingsbelasting. Deze vrijstelling geldt tot 1 januari 2015; de levering van de woning dient, ingevolge de vrijstellingsregeling, vóór die datum te zijn afgerond.

2.5.6.

Ook de vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning voor de duur van zes maanden verzocht en voorts (ter zitting) aangegeven dat zij de woning wil overnemen. Zij heeft aangevoerd dat de woning door haar is aangekocht en dat partijen pas in 2009 zijn overeengekomen dat de man gerechtigd is tot de helft van de overwaarde van de woning. Volgens de vrouw woont [naam] niet meer bij de man in de woning. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat [naam] in Utrecht woonruimte heeft gehuurd. De vrouw heeft betwist dat de verbouwing van de praktijkruimte bij de woning door de man gefinancierd zou zijn en dat de ruimte voor hem zou zijn bestemd. De vrouw benadrukt dat zij, aangezien zij werkzaam is als vrijgevestigd kinderpsychiater en vliegmedisch keuringsarts, de praktijkruimte nodig heeft, als spreekkamer voor gesprekken met patiënten. Hierbij is van belang dat zij van verzekeraar Achmea toestemming heeft gekregen om declaraties in te dienen voor verrichtingen die op het adres van de woning plaatsvinden.

2.5.7.

Partijen zijn het erover eens dat de waarde van de woning € 285.000 is. Bij de beoordeling van de standpunten van partijen over voortgezet gebruik en toedeling van de woning acht de rechtbank het volgende van belang. De rechtbank acht, gelet op hetgeen hierover ter zitting is besproken, aannemelijk dat de echtelijke woning, hoewel [naam] net met een studie in Utrecht is begonnen en daar ook een kamer heeft gehuurd, nog de uitvals- en thuisbasis van [naam] is. Daar komt bij dat, gelet op de financiële positie van partijen, de mogelijkheden van de man op de woningmarkt minder gunstig zijn dan die van de vrouw. Ook weegt mee dat de praktijkruimte, gezien de waarschijnlijke noodzaak van de man op termijn als zelfstandige in zijn levensonderhoud te moeten voorzien, voor de man van nut is. Weliswaar heeft de vrouw een contract met Achmea met vermelding van het adres van de echtelijke woning, maar de vrouw heeft ter zitting erkend dat dit eenvoudig gewijzigd kan worden. Alle omstandigheden afwegend acht de rechtbank het belang van de man bij overname en voortgezet gebruik van de woning groter dan dat van de vrouw.

2.5.8.

De rechtbank zal dan ook bepalen dat de man in de gelegenheid wordt gesteld binnen een periode van uiterlijk drie maanden na de datum van deze beschikking aan te tonen dat hij de overname van de woning, het ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire lening en de uitkering aan haar van de helft van de overwaarde van de woning, kan financieren. De kosten van deze toedeling zullen voor rekening van de man komen. De vrouw zal in dat geval haar medewerking dienen te verlenen aan (spoedige) overdracht.

2.5.9.

Indien de man er niet in slaagt binnen de gestelde termijn aan te tonen dat hij de overname van de woning op de hiervoor aangegeven wijze kan financieren, zal de vrouw op haar beurt een termijn van drie maanden krijgen om aan te tonen dat zij toedeling en de uitkoop van de man, en de bijkomende kosten, kan financieren. In dat geval zal de man zijn medewerking aan (spoedige) levering aan de vrouw moeten verlenen. Mocht blijken dat ook toedeling aan de vrouw niet mogelijk is, dan zal de woning aan een derde worden verkocht. Partijen zullen hiertoe gezamenlijk een makelaar benaderen en diens adviezen over vraag- en verkoopprijs van de woning opvolgen.

2.5.10.

Gelet op het voorgaande wordt het voortgezet gebruik van de woning aan de man toegekend voor de duur van 6 maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, of, als dit korter is tot het moment dat de woning aan de vrouw, dan wel een derde geleverd is.

2.5.11.

Gelet op de standpunten van partijen ter zake is de rechtbank tenslotte van oordeel dat de man vanaf de datum van deze beschikking gehouden is de volledige woonlasten voor zijn rekening te nemen, totdat de woning eventueel aan de vrouw, dan wel een derde is geleverd. Het verzoek van de man betreffende de woonlasten in de periode daaraan voorafgaand vanaf 1 augustus 2013, zal hierna worden besproken.

2.5.12.

Met een beroep op de in artikel 1. van de akte huwelijksvoorwaarden van 20 april 2009 opgenomen bepaling betreffende het spaardeel van de aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering maakt de vrouw aanspraak op de helft van de waarde van de Abn / Amro Rendement Beleggingspolis, polisnummer [nr.] , waarvan de ingangsdatum 2 november 1995 is. Volgens de vrouw was bij het afsluiten van de hypothecaire lening in 1995 aan die lening al een levensverzekering verbonden.

2.5.13.

De man betwist de aanspraak van de vrouw op de helft van de waarde, omdat de betreffende polis volgens hem niet aan de hypothecaire lening op de echtelijke woning verbonden is (geweest). In de akte huwelijksvoorwaarden is, aldus de man, slechts een standaardregeling voor aan een hypothecaire lening verbonden levensverzekering opgenomen en ziet deze bepaling niet op de betreffende beleggingspolis. Hij heeft in dit verband nog gewezen op de in artikel 5. lid 1 van de huwelijksvoorwaarden opgenomen regeling voor betaling van de premie van het spaardeel, ingeval van een aan de hypothecaire lening verbonden levensverzekering. Volgens de man hebben partijen hier niet naar gehandeld en heeft hij de premie steeds volledig voor zijn rekening genomen. Tenslotte heeft de man erop gewezen dat de vrouw vermogen heeft opgebouwd in een polis bij [naam], dat niet voor verdeling in aanmerking komt.

2.5.14.

De rechtbank concludeert dat niet is komen vast te staan dat de door de vrouw genoemde polis een aan de hypothecaire lening op de echtelijke woning verbonden polis van levensverzekering in de zin van artikel 1. van de huwelijksvoorwaarden van 20 april 2009 is (geweest). Hierbij acht de rechtbank ten eerste van belang dat in de sideletter van 24 februari 1996 niet is vermeld dat aan de hypothecaire lening een polis van levensverzekering is verbonden, terwijl de beleggingspolis volgens de vrouw toen al bestond. Voorts is van belang dat, naar de vrouw niet heeft betwist, de premie steeds door de man is betaald. Het enkele feit dat de akte van huwelijksvoorwaarden van 20 april 2009 een standaardbepaling bevat betreffende de (waarde van een) aan de hypothecaire lening verbonden polis van levensverzekering, doet daar niet aan af. Het vorenstaande impliceert dat de vrouw geen aanspraak heeft op de helft van de waarde van de beleggingspolis van de man.

vergoedingsrechten

2.5.15.

De man maakt aanspraak op vergoeding door de vrouw van bedragen die hij heeft geïnvesteerd in de verbouw van de echtelijke woning. Volgens de man is sprake geweest van een investering uit zijn eigen middelen van zo’n ƒ 50.000 in de woning, die op dat moment nog eigendom van de vrouw was.

2.5.16.

De vrouw heeft de aanspraak van de man betwist. Zij voert aan dat de man zijn aanspraken op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd en/of met schriftelijke stukken heeft onderbouwd. De vrouw voert aan dat zij, met steun van haar vader, de kosten van de verbouwing zelf heeft betaald en biedt bewijs aan van deze stelling. Daarbij komt, aldus de vrouw, dat noch in de sideletter noch in de gewijzigde huwelijksvoorwaarden is vermeld dat de man aanspraak heeft / houdt op vergoeding door de vrouw van in de woning geïnvesteerde gelden.

2.5.17.

De rechtbank is van oordeel dat de man zijn verzoek, tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd en zal dit verzoek om die reden afwijzen.

2.5.18.

De man heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat de vrouw hem een bedrag van

€ 4.800 dient te vergoeden, omdat zij haar toezegging ter zitting voorlopige voorzieningen om de hypotheekrente voor de woning volledig voor haar rekening te nemen niet is nagekomen. Gelet op die toezegging en rekening houdend met de last is zijn verzoek om een partnerbijdrage afgewezen, aldus de man. De vordering van de man heeft betrekking op de periode 1 augustus 2013 tot 1 november 2014.

2.5.19.

De vrouw heeft verweer gevoerd. Zij ontkent dat sprake is geweest van toezeggingen van haar kant. Volgens de vrouw berust het verzoek van de man op een onjuiste lezing van een overweging van de rechtbank in de beschikking voorlopige voorzieningen van

16 augustus 2013 en leest de man hierin ten onrechte dat zij zou hebben toegezegd de hypotheekrente van de woning volledig te betalen.

2.5.20.

De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van de man uitgaat van een onjuiste interpretatie van de beschikking voorlopige voorzieningen van 16 augustus 2013, met name rechtsoverweging 2.7 hiervan. In die rechtsoverweging is het verweer van de vrouw samengevat en worden een paar van haar lasten genoemd. De rechtbank overweegt dat noch (de samenvatting van) het verweer van de vrouw noch andere overwegingen uit de beschikking voorlopige voorzieningen aanknopingspunten bieden om te concluderen dat de vrouw in het kader van de voorlopige voorzieningen heeft toegezegd dat zij de (hypothecaire) lasten van de woning volledig zou blijven betalen. Hierbij tekent de rechtbank aan dat in de voorlopige voorzieningenprocedure het verzoek van de man om vaststelling van partnerbijdrage is afgewezen en dat de kwestie van de betaling van de hypotheekrente hierbij geen enkele rol heeft gespeeld. Nu overigens niet is gesteld of gebleken dat de vrouw op andere gronden gehouden zou zijn tot betaling van de volledige hypotheeklasten, zal het verzoek van de man worden afgewezen.

pensioenverevening

2.5.21.

Ter zitting hebben partijen praktische afspraken gemaakt over de verevening van hun pensioen.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] op [huwelijksdatum ];

3.2.

bepaalt dat de man tegenover de vrouw het recht heeft om in de woning aan het adres [echtelijke woning] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als hij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont, dan wel, als dit korter is, tot aan het moment dat de woning aan de vrouw, dan wel een derde is geleverd;

3.3.

bepaalt dat de vrouw als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van de dochter, [naam], geboren op [geboortedatum], telkens bij vooruitbetaling dient te voldoen € 600 per maand, met ingang van 5 mei 2014, en voor wat betreft de toekomstige termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

3.4

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn verzoek om een kinderbijdrage ten behoeve van de zoon van partijen, [naam].

3.4.

bepaalt dat partijen dienen over te gaan tot verdeling van de eenvoudige gemeenschap en afwikkeling van de tussen partijen bestaande huwelijksvoorwaarden conform hierboven is overwogen in rechtsoverweging 2.5.1. tot en met 2.5.21.

3.5.

verklaart de beschikking, met uitzondering van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.6.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W. Veldhuijzen van Zanten, voorzitter, mr. C.E. Heyning-Huydecoper en P.R. de Geus, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.C.M. Kroon op 19 november 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.