Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:13063

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-12-2014
Datum publicatie
03-03-2015
Zaaknummer
C/15/219654
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsbeslissing (afgewezen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Locatie Haarlem[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/15/219654 / HA RK 14/91

Beslissing van 29 december 2014

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te Zoetermeer,

verzoeker,

raadsvrouw mr. N. Harlequin, advocaat te Den Haag.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. J.A.M. Jansen,

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

1.1

Namens verzoeker heeft de raadsvrouw op 17 december 2014 ter openbare terechtzitting mondeling de wraking verzocht van de (politie-)rechter in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie straf, locatie Haarlem, aanhangige strafzaak met als parketnummer 15/191898-14, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft niet in de wraking berust en heeft bij schrijven van 17 december 2014 schriftelijk op het verzoek gereageerd. De officier van justitie in de hoofdzaak mr. A.C. Bijlsma heeft bij brief van 21 december 2014 eveneens schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 22 december 2014. Verzoeker, de rechter en de officier van justitie zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is niet verschenen, wel is zijn raadsvrouw verschenen, die heeft verklaard uitdrukkelijk door haar cliënt te zijn gemachtigd. De rechter en de officier van justitie zijn niet ter zitting verschenen.

2 Het standpunt van verzoeker

Namens verzoeker heeft de raadsvrouw ter onderbouwing van het wrakingsverzoek – kort samengevat – het volgende aangevoerd. Verzoeker voelde zich genoodzaakt om tot wraking van de rechter over te gaan, omdat de hoofdzaak tegen verzoeker (ter zake van het misdrijf van artikel 192 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), gepleegd tijdens een of meer terechtzittingen van het gerechtshof Amsterdam in het “Passage-onderzoek”) op dagvaarding van het Openbaar Ministerie is aangebracht bij een politierechter van een rechtbank binnen het ressort van het gerechtshof Amsterdam, terwijl de voorzitter van een meervoudige strafkamer van dit hof zich, blijkens diverse (door de raadsvrouw geciteerde) passages uit processen-verbaal van terechtzittingen, reeds heeft uitgelaten over het verwijt dat aan verzoeker wordt gemaakt. “Er is sprake van schijn van partijdigheid omdat door een raadsheer van het gerechtshof Amsterdam waar deze zaak in hoger beroep zal dienen, is uitgesproken dat verdachte een strafbaar feit pleegt door niet te verklaren, terwijl hij wettelijk was opgeroepen als getuige. (…) Gelet op deze uitspraak van die raadsheer kan deze zaak niet behandeld worden door een politierechter uit het Hofressort Amsterdam. Om die reden dien ik een wrakingsverzoek in”, aldus de raadsvrouw ter openbare terechtzitting van 17 december 2014. De raadsvrouw heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek medegedeeld dat zij pas op deze terechtzitting tot wraking is overgegaan, vanwege (kort gezegd) de recente ontwikkelingen in de strafzaak van verdachte Holleeder, die enige dagen voor deze zitting is aangehouden in het “Passage-onderzoek” ter zake van onder meer het misdrijf van artikel 140 Sr en de recente ontwikkelingen rondom de kroongetuige.

3 Het standpunt van de rechter

De rechter heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schijn van partijdigheid, omdat de raadsheer van het gerechtshof Amsterdam die de desbetreffende uitspraak heeft gedaan niet deel uit maakt van de rechtbank Noord-Holland en geen directe collega van de rechter is.

4 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat het verzoek tot wraking primair niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu het verzoek niet tijdig is gedaan. In dat verband heeft de officier van justitie erop gewezen dat de thans aangevoerde feiten en omstandigheden verzoeker al ruim voor de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting van 17 december 2014 bekend waren; reeds ruim hiervoor was te voorzien dat de hoofdzaak zou worden aangebracht bij de rechtbank Noord-Holland. Subsidiair dient het verzoek naar de mening van de officier van justitie te worden afgewezen, omdat het door de raadsvrouw gestelde geen zwaarwegende aanwijzing oplevert die het oordeel van vooringenomenheid zou rechtvaardigen.

5 De beoordeling

5.1

Anders dan de officier van justitie heeft gesteld, acht de rechtbank het wrakingsverzoek ontvankelijk. Gelet op hetgeen de raadsvrouw heeft aangevoerd omtrent de recente ontwikkelingen in de strafzaak van verdachte Holleeder en rondom de kroongetuige en nu het wrakingsverzoek pas is gedaan nadat de rechter de ter terechtzitting van 17 december 2014 namens verzoeker gedane verzoeken om verschoning respectievelijk aanhouding en verwijzing had afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat het wrakingsverzoek is ingediend zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden, zoals bedoeld in artikel 513, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).

5.2

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert (zogenaamde subjectieve toets). Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid (zogenaamde objectieve toets). Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

5.3

Gesteld noch gebleken is dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking kan opleveren. Met betrekking tot de objectieve toetst overweegt de rechtbank het volgende.

5.4

Het verzoek tot wraking is, in de kern beschouwd, gedaan nu naar de mening van verzoeker de hoger beroepsinstantie van beslissingen van de rechter (het gerechtshof te Amsterdam) al heeft gesproken en de rechter – niet organisatorisch, maar wel juridisch-inhoudelijk – hiërarchisch lager staat. Om die reden zou de hoofdzaak door een rechtbank buiten het ressort van het gerechtshof Amsterdam moeten worden behandeld, aldus verzoeker.

De rechtbank stelt voorop dat in de wet, meer in het bijzonder in de artikelen 2 en volgende Sv, is geregeld welke rechtbank bevoegd is om van de vervolging van een strafbaar feit kennis te nemen. In artikel 2, eerste lid, aanhef en eerste zinsnede, Sv is bepaald dat van de rechtbanken gelijkelijk bevoegd zijn die binnen welker rechtsgebied het feit is begaan. De terechtzittingen van het gerechtshof Amsterdam in het “Passage-onderzoek” vonden plaats in het Justitieel Complex Schiphol, gelegen in het arrondissement Noord-Holland. In de wet is geen uitzondering op deze bevoegdheidsregel gemaakt voor het misdrijf van artikel 192 Sr, in die zin dat een vervolging ter zake van dat misdrijf voor een “andere rechtbank” zou moeten plaatsvinden. Integendeel, uit de wettelijke regeling van de relatieve bevoegdheid inzake het misdrijf van artikel 207 Sr (meineed), gepleegd tijdens een terechtzitting van het gerechtshof in hoger beroep, blijkt juist dat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen om de berechting van dit misdrijf in die situatie uitsluitend onder te brengen bij de rechtbank die in eerste aanleg vonnis heeft gewezen (artikel 419 Sv juncto artikel 295 Sv).

Tegen deze achtergrond, is de rechtbank van oordeel dat ook al zou bij verzoeker de vrees bestaan dat de rechter niet onpartijdig is, deze vrees, gelet op het uitgangspunt dat onder 5.2 is weergegeven, niet objectief gerechtvaardigd is.

5.5

De feiten en omstandigheden die namens verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren zijn gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

6 Beslissing

De rechtbank

6.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

6.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de officier van justitie in de hoofdzaak een voor eensluidend gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

6.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.J. van Andel, voorzitter, mr. A.C. Terwiel en

mr. S. Jongeling, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2014.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.